Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BD7167

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-07-2008
Datum publicatie
15-07-2008
Zaaknummer
245423 / HA ZA 05-2524
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

terugkomen op beslissing in tussenvonnis; tegenstrijdig belang; kennelijk onredelijk ontslag.

vervolg op tussenvonnis LJN BB9319

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 256
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2008, 871
JIN 2008/702
JIN 2008/658
AR-Updates.nl 2008-0476
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 245423 / HA ZA 05-2524

Uitspraak: 2 juli 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

1. [eiser sub 1],

wonende te Kalmthout, België,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser sub 2],

gevestigd te Nieuwerkerk aan den IJssel,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

procureur mr. W.J. Hengeveld,

advocaat thans mr. W.B.J. van Overbeek te Amsterdam,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. P.H.Ch.M. van Swaaij,

advocaat mr. P.M. Frinking te Gouda.

Partijen blijven verder aangeduid als “[eiser sub 1]”, “[eiser sub 2]” en “[gedaagde]”.

1 Het verdere verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 28 november 2007 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

proces-verbaal van de op 2 april 2008 gehouden comparitie van partijen, alsmede de bij die gelegenheid overgelegde stukken.

2 De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

2.1 Bij voormeld vonnis is in conventie een aantal beslissingen genomen omtrent de vorderingen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] op [gedaagde] in verband met – kort gezegd – verkoop van aandelen [eiser sub 2] door [gedaagde] aan [eiser sub 1].

In reconventie is voorts een aantal beslissingen genomen omtrent de vorderingen van [gedaagde] op [eiser sub 1] eveneens in verband met voornoemde verkoop van aandelen alsmede omtrent de vorderingen van [gedaagde] op [eiser sub 2] in verband met het door [eiser sub 2] aan [gedaagde] verleende ontslag als statutair directeur en in verband met door [gedaagde] aan [eiser sub 2] geleende gelden.

2.2 [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben zich ter comparitie op het standpunt gesteld dat het tussenvonnis van 28 november 2007 in belangrijke mate is gebaseerd op de onjuiste feitelijke vaststelling in overweging 2.7 van dat vonnis, inhoudende dat [eiser sub 1] al voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst wist dat de waarde van de voorraad onderdelen de prijs van oud ijzer niet oversteeg. Het staat de rechtbank vrij, zo hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in dit verband gesteld, om terug te komen op een bindende eindbeslissing in haar tussenvonnis, waarbij zij gewezen hebben op HR 15 september 2006, NJ 2007/538. Ten slotte hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ter comparitie een uiteenzetting gegeven over de gang van zaken betreffende de waardering van de voorraad onderdelen.

[gedaagde] heeft hiertegen aangevoerd dat in het tussenvonnis van 28 november 2007 bindende eindbeslissingen door de rechtbank zijn genomen en dat overweging 2.7 juist is.

2.3 De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 28 november 2007 zowel in conventie als in reconventie een aantal beslissingen genomen, die alle uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn gegeven en mitsdien te gelden hebben als eindbeslissingen.

In beginsel is de rechtbank door haar eindbeslissing gebonden. Afwijking van dit beginsel is volgens vaste rechtspraak slechts mogelijk ingeval van bijzondere door de rechter in zijn beslissing nauwkeurig aan te geven omstandigheden die het onaanvaardbaar zouden maken dat de rechtbank aan de eindbeslissing in kwestie zou zijn gebonden. Dit kan het geval zijn als sprake is van een evidente feitelijke of juridische misslag of indien de desbetreffende beslissing blijkt te berusten op een, niet aan de belanghebbende partij toe te rekenen, onjuiste feitelijke grondslag.

2.4 Deze situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor.

Anders dan in het door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] aangehaalde arrest, betreft het hier een op grond van een niet weersproken stelling van [gedaagde] als vaststaand aangenomen feit én een daarop voortbouwende motivering onder 7.10 tot en met 7.12. Tegen de betreffende stelling is voorafgaand aan de comparitie door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] niet, althans onvoldoende gemotiveerd, verweer gevoerd. Dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] daartegen naar aanleiding van die overwegingen ter comparitie alsnog verweer hebben gevoerd, welk verweer overigens door [gedaagde] gemotiveerd is weersproken, maakt nog niet dat sprake is van een evidente feitelijke of juridische misslag dan wel een op een onjuiste feitelijke grondslag gebaseerde beslissing die niet aan de belanghebbende partij is toe te rekenen. Ook overigens zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken die afwijking van een of meer van die bindende eindbeslissingen toelaatbaar en noodzakelijk maken.

voorts in conventie

De vordering van [eiser sub 1]

2.5 In voormeld tussenvonnis is (in 7.16) overwogen dat onderbelicht is gebleven of [eiser sub 1] mede heeft beoogd zelfstandig, dus afgezien van zijn schadeclaim, nakoming te vorderen en is [eiser sub 1] in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten. Daarop heeft [eiser sub 1] bij brief van 31 maart 2008 aangegeven geen aanspraak te maken op levering van de resterende aandelen, indien zulks met zich meebrengt dat hij daarvoor nog een aanvullend bedrag dient te betalen.

Nu [eiser sub 1] derhalve niet zelfstandig – naast zijn schadeclaim – nakoming vordert, zullen de primaire vordering, alsmede, gelet op de overwegingen in het tussenvonnis van 28 november 2007, de subsidiaire en meer subsidiaire vordering worden afgewezen.

De vordering van [eiser sub 2]

2.6 Gelet op de overwegingen in voornoemd tussenvonnis zal deze vordering eveneens worden afgewezen.

Proceskosten

2.7 [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van [gedaagde] van deze procedure in conventie.

voorts in reconventie

De koopovereenkomst

2.8 In het tussenvonnis is (in 7.30) overwogen dat nog niet aan de orde is gekomen de vraag of [gedaagde] beoogd heeft nakoming overeenkomstig het daartoe tussen partijen opgestelde schema te vorderen en is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten.

[gedaagde] heeft ter comparitie te kennen gegeven dat hij nakoming overeenkomstig het door partijen vastgestelde schema wenst en dat hij voorts aanspraak maakt op vergoeding van de wettelijke rente vanaf de respectieve overeengekomen data.

2.9 [gedaagde] vordert dus uiteindelijk nakoming van de tussen partijen op 25 mei 2004 gesloten koopovereenkomst en wel overeenkomstig het daartoe door partijen opgestelde schema, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de respectieve overeengekomen data.

Tegen deze vordering heeft [eiser sub 1] geen (nader) verweer gevoerd, ook niet ter comparitie. [eiser sub 1] heeft slechts herhaald hetgeen hij in conventie met betrekking tot die overeenkomst van 25 mei 2004 reeds had gesteld en welke stellingen de rechtbank in haar tussenvonnis reeds beoordeeld heeft.

De vordering van [gedaagde] uit hoofde van de koopovereenkomst ligt dan ook voor toewijzing gereed. Zulks betekent dat [eiser sub 1] veroordeeld zal worden tot betaling van het overeenkomstig het door partijen opgestelde schema bepaalde bedrag van € 93.750,= (te weten betaling op 31 juli 2005, 31 juli 2006 en 31 juli 2007 van telkens vijf aandelen tegen een waarde van € 6.250,= per aandeel). De gevorderde wettelijke rente zal vanaf de respectieve in de overeenkomst van 25 mei 2004 overeengekomen leveringsdata worden toegewezen.

Nu uit de gedingstukken en het verhandelde ter comparitie duidelijk is geworden dat [eiser sub 1] niet uit eigen beweging zijn betalingsverplichting uit de koopovereenkomst van 25 mei 2004 zal nakomen, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] (eveneens) belang heeft bij veroordeling van [eiser sub 1] tot betaling op 31 juli 2008 van vier (resterende) aandelen tegen een waarde van € 6.250,= per aandeel, zijnde € 25.000,=. De gevorderde wettelijke rente zal vanaf 14 dagen na voornoemde datum worden toegewezen.

Loon tot 1 augustus 2005

2.10 In het tussenvonnis is (in 7.32) overwogen dat de vordering tot betaling van loon met nevenvorderingen over de periode tot 1 augustus 2005 toewijsbaar is, eventueel met een zekere matiging van de wettelijke verhoging.

Dit onderdeel van de vordering zal worden toegewezen op de wijze als hierna vermeld. In de omstandigheid dat ook de wettelijke rente zal worden toegewezen ziet de rechtbank aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot 10%.

Dringende reden

2.11 Zoals de rechtbank in (7.41 van) het tussenvonnis heeft overwogen, zal de vordering van [gedaagde] tot betaling van € 17.716,08 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2005 worden toegewezen.

Kennelijk onredelijk?

2.12 [gedaagde] grondt zijn vordering uit kennelijk onredelijk ontslag met name op de omstandigheid dat [eiser sub 2] hem geen vergoeding heeft aangeboden overeenkomstig artikel 11.3 van de – volgens [gedaagde] – meest recente arbeidsovereenkomst tussen hem en [eiser sub 2], gesloten op 8 juni 2004.

Ook indien de schriftelijke arbeidsovereenkomst waarop [gedaagde] zich beroept is ondertekend voordat de eerste tranche van de aandelen in [eiser sub 2] door hem was overgedragen, kan hem dat niet baten, omdat, zoals hierna zal blijken, het beroep van [eiser sub 2] op tegenstrijdig belang doel treft.

2.13 De statuten van [eiser sub 2] houden omtrent de vertegenwoordigingsbevoegdheid bij tegenstrijdig belang geen van de wettelijke bepalingen afwijkende regeling in. Ingevolge artikel 2:256 BW wordt in dat geval de vennootschap in alle gevallen waarin zij een tegenstrijdig belang heeft met een of meer bestuurders, vertegenwoordigd door commissarissen. De algemene vergadering is steeds bevoegd een of meer andere personen daartoe aan te wijzen.

De strekking van genoemd artikel is te voorkomen dat de bestuurder bij zijn handelen zich (met name) laat leiden door zijn persoonlijk belang in plaats van (uitsluitend) het belang van de vennootschap dat hij heeft te dienen. De bepaling strekt in de eerste plaats tot bescherming van het belang van de vennootschap door de bestuurder de bevoegdheid te ontzeggen de vennootschap te vertegenwoordigen als hij door de aanwezigheid van een persoonlijk belang of door zijn betrokkenheid bij een ander met dat van de rechtspersoon niet parallel lopend belang niet in staat moet worden geacht het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming te bewaken op een wijze die van een integer en onbevooroordeeld bestuurder mag worden verwacht. Niet vereist is dat zeker is dat de betreffende rechtshandeling tot benadeling van de vennootschap zal leiden, maar voldoende is dat de bestuurder te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend heeft laten leiden door het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming.

2.14 Nu [gedaagde] bij het sluiten van bedoelde arbeidsovereenkomst zowel als bestuurder namens [eiser sub 2] en voor zichzelf als directeur/werknemer van [eiser sub 2] is opgetreden en hij dus ook een zelfstandig eigen belang daarbij had, is er sprake van een tegenstrijdig belang als hierboven omschreven.

Voor zover [gedaagde] met zijn stelling, inhoudende dat hij in de hoedanigheid van zowel enig aandeelhouder als directeur bedoelde arbeidsovereenkomst is aangegaan, bedoeld heeft zich te beroepen op een (impliciet) besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders (verder: ava) tot aanwijzing van hem als bijzonder vertegenwoordiger, wordt dit beroep verworpen. De aan artikel 2:256 BW ten grondslag liggende beschermingsgedachte brengt met zich dat bij het bestaan van een tegenstrijdig belang een uitdrukkelijk besluit van de ava nodig is om een bijzonder vertegenwoordiger aan te wijzen; een impliciet besluit daartoe is onvoldoende. Deze eis geldt ook indien er sprake is van een vennootschap met slechts één aandeelhouder die tevens enig bestuurder van de vennootschap is.

Uit al het voorgaande volgt dat, nu [gedaagde] onbevoegd was de gestelde arbeidsovereenkomst te sluiten, [eiser sub 2] niet aan die arbeidsovereenkomst gebonden is en die overeenkomst ten opzichte van [eiser sub 2] als ongeldig, dus als nietig beschouwd moet worden. De vordering uit kennelijk onredelijk ontslag dient dan ook, voor zover deze is gebaseerd op die overeenkomst, te worden afgewezen.

2.15 Ter comparitie heeft [gedaagde] zijn stellingen nader toegelicht en meegedeeld dat hij (thans) niet aan zijn vordering ten grondslag heeft willen leggen dat het ontslag heeft plaatsgevonden onder opgave van een voorgewende of valse reden, maar dat hij zich wel het recht wil voorbehouden om zonodig en desgewenst hierop in een later stadium terug te komen.

Gelet hierop zal de rechtbank hetgeen partijen in dit verband hebben aangevoerd dan ook buiten beschouwing laten.

2.16 Resteert de vraag of de gevolgen van de opzeggingvoor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van [eiser sub 2] daarbij.

Het belang van [eiser sub 2] bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst is evident, nu een vruchtbare samenwerking met haar voormalig directeur/grootaandeelhouder, gelet op de geschillen die met de nieuwe aandeelhouder en directie zijn ontstaan omtrent de gevolgen van de verkoop van de aandelen in [eiser sub 2], niet meer is te verwachten.

De enkele omstandigheid dat [gedaagde] ten tijde van de beëindiging van zijn dienstverband, ook nu dit vele jaren heeft voortgeduurd, geen vergoeding is toegekend, maakt het ontslag nog niet kennelijk onredelijk.

Voorts is in dit verband van belang dat [gedaagde] de koopprijs voor de aandelen [eiser sub 2] toekomt en dat [gedaagde] aanvankelijk zijn werkzaamheden reeds ter gelegenheid van de verkoop van de aandelen in [eiser sub 2] aan [eiser sub 1] zou beëindigen.

In dat geval zou hij eerder dan nu het geval is, zijn dienstverband hebben beëindigd en in een vergelijkbare positie zijn te komen verkeren, als die waarin hij zich thans bevindt.

Anderzijds geldt thans dat de arbeidsovereenkomst van [gedaagde] eerder tot een einde komt dan uiteindelijk was voorzien.

Die eerdere beëindiging wordt, tegen de achtergrond van hetgeen hiervóór is overwogen, van onvoldoende gewicht geacht om het ontslag als kennelijk, onmiskenbaar, onredelijk aan te merken.

Dat zou nog weer anders kunnen zijn indien de hoogte van de koopprijs van de aandelen in enig opzicht verband zou houden met de voorziene voortzetting van de arbeidsovereenkomst gedurende enkele jaren. Daaromtrent is evenwel niets gesteld of gebleken.

Ook overigens heeft [gedaagde] geen feiten of omstandigheden gesteld die het ontslag een kennelijk onredelijk karakter geven.

2.17 Uit al het voorgaande volgt dat de vordering van [gedaagde] uit hoofde van kennelijk onredelijk ontslag zal worden afgewezen.

Geldlening

2.18 Zoals de rechtbank in (7.46 van) het tussenvonnis heeft overwogen, zal de vordering van [gedaagde] uit hoofde van door hem aan [eiser sub 2] geleende bedragen, tot een bedrag van (uiteindelijk) € 62.120,51, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 4% vanaf 1 juli 2005, worden toegewezen.

Proceskosten

2.19 [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij respectievelijk de meest in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde].

3 De beslissing

De rechtbank,

in conventie

wijst af de vorderingen van [eiser sub 1];

wijst af de vorderingen van [eiser sub 2];

veroordeelt [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in de proceskosten van [gedaagde], tot aan deze uitspraak bepaald op € 1.100,= aan vast recht en op € 6.000,= aan salaris voor de procureur;

in reconventie

veroordeelt [eiser sub 1] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde] te betalen het bedrag van € 93.750,= (zegge: drieënnegentigduizend zevenhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW vanaf de respectieve in de overeenkomst van 25 mei 2004 overeengekomen data van levering van de aandelen tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [eiser sub 1] om op 31 juli 2008 tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde] te betalen het bedrag van € 25.000,= (zegge: vijfentwintigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW vanaf veertien dagen na voornoemde datum tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [eiser sub 2] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde] te betalen het bedrag van € 6.435,30 (zegge: zesduizend vierhonderdvijfendertig euro en dertig eurocent) bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging van tien procent en vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW vanaf 1 augustus 2005 tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [eiser sub 2] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde] te betalen het bedrag van € 17.716,08 (zegge: zeventienduizend zevenhonderdzestien euro en acht eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW vanaf 1 augustus 2005 tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [eiser sub 2] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde] te betalen het bedrag van € 62.120,51 (zegge: tweeënzestigduizend honderdtwintig euro en eenenvijftig eurocent), vermeerderd met de overeengekomen rente ad 4% over dit bedrag vanaf 1 juli 2005 tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in de proceskosten van [gedaagde], tot aan deze uitspraak bepaald op nihil aan vast recht en op € 4.000,= aan salaris voor de procureur;

in conventie en in reconventie

verklaart dit vonnis voorzover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. van Essen.

Uitgesproken in het openbaar.

1194/196