Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BD6989

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
11-07-2008
Zaaknummer
261993 / HA ZA 06-1519
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vorderingen in conventie en reconventie in verband met schade en beslag naar aanleiding van afgebroken onderhandelingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 261993 / HA ZA 06-1519

Uitspraak: 26 maart 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres],

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. J.G.M. Roijers,

advocaat mr. R. de Bok te Rotterdam,

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde],

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur en advocaat mr. J.P. Nonnekes.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiseres]" respectievelijk “[gedaagde]”.

1 Het verloop van het geding

1.1

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 1 mei 2006 en de door eiseres overgelegde producties;

- conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in

reconventie, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 2 augustus 2006, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 26 januari 2007;

- conclusie van repliek in conventie, tevens akte houdende wijziging van eis, tevens conclusie van antwoord in reconventie, met producties;

- conclusie van dupliek in conventie, tevens akte houdende wijziging van eis in reconventie en conclusie van repliek in reconventie, met producties;

- conclusie van dupliek in reconventie.

1.2

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van de stukken van het op 19 april 2006 door [eiseres] ten laste van [gedaagde] gelegde beslag tot levering van 40 % van de aandelen in OdeVi Watermanagement BV.

2 De vaststaande feiten in conventie en in reconventie

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang - het volgende vast:

2.1

[persoon1], de directeur-groot aandeelhouder van [gedaagde] (hierna: [persoon1]), exploiteert reeds enige tijd een onderneming die zich onder meer bezig houdt met in- en verkoop van sanitair en kranen.

Tot begin 2004 geschiedde dit in de vorm van een eenmanszaak onder de handelsnamen Odevi en BIZZ M & W.

2.2

In 2004 en 2005 heeft overleg plaatsgevonden tussen [persoon1] en [persoon2], de directeur-grootaandeelhouder van [eiseres], over de financiering van een besloten vennootschap waarin de onder 2.1 bedoelde activiteiten, in uitgebreide vorm, zouden kunnen worden ondergebracht.

2.3

Op 12 april 2005 heeft [eiseres] een bedrag van € 33.880,33 betaald aan een schuldeiser van [persoon1], Stern Engineering. Dit bedrag is in juli/augustus 2005 aan [eiseres] terugbetaald.

2.4

[eiseres] (of een gelieerde vennootschap) heeft aan [persoon1] een lening verstrekt van € 45.445,62. Deze lening is volgens een door [eiseres] voorgesteld afbetalingsschema terugbetaald.

2.5

[persoon1] heeft in juni/juli 2005 [gedaagde] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Odevi Watermanagement B.V. (hierna: Odevi) opgericht.

3 De vordering in conventie

De gewijzigde vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van € 72.800,= althans een door de rechtbank redelijk geachte vervangende schadevergoeding althans een bedrag nader op te maken bij staat, met rente, en [gedaagde] te veroordelen tot afgifte van de financiële cijfers over 2005 en 2006 van Odevi op straffe van een dwangsom, en in de kosten van het geding.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiseres] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1

Tussen [gedaagde] en [eiseres] is overeenstemming bereikt over het gezamenlijk oprichten van een vennootschap, te noemen Odevi Watermanagement BV. [eiseres] zou 40% van de aandelen krijgen en [gedaagde] 60%. [gedaagde] zou € 10.800,= inbrengen in de vorm van in te brengen activa (en passiva) van zijn eenmanszaak, [eiseres] zou € 7.200,= storten, de investeringen financieren tot een bedrag van € 50.000,= en haar netwerk inbrengen. [gedaagde] zou de directie voeren.

3.2

De onder 2.4 bedoelde lening, ter afbetaling van een schuld van [persoon1] aan de ING-bank, en de onder 2.3 bedoelde betaling aan een leverancier van Odevi in oprichting, zijn de investeringen die [eiseres] ingevolge de gemaakte afspraken reeds heeft gedaan. Als [eiseres] niet zou mogen participeren in de op te richten vennootschap zouden deze gelden niet ter beschikking zijn gesteld.

Ook heeft [eiseres], in het kader van het afgesproken inzetten van haar netwerk, Odevi in contact gebracht met Wasco, die thans een van de grootste afnemers van Odevi is.

3.3

[gedaagde] heeft in strijd met de afspraken alleen Odevi opgericht.

3.4

[eiseres] heeft daardoor schade geleden, die [gedaagde] dient te vergoeden. Gelet op de stellingen van [gedaagde] zelf moet de waarde van de 40% aandelen waarop [eiseres] recht had worden geschat op € 80.000,=, zodat de schade € 72.800,= bedraagt (€80.000,= min de afgesproken koopprijs van € 7.200,=).

3.5

Subsidiair, voor het geval nog geen perfecte overeenkomst zou zijn gesloten, hadden de onderhandelingen de eindfase bereikt terwijl bij [eiseres] de gerechtvaardige verwachting was gewekt dat overeenstemming bereikt zou worden, zodat het [gedaagde] niet vrijstond die af te breken en Odevi zelf op te richten. [gedaagde] dient wegens deze onrechtmatige daad aan [eiseres] de daardoor veroorzaakte schade, te stellen op het positief contractsbelang te vergoeden; deze dient bepaald te worden op het moment dat [gedaagde] weigerde de aandelen te leveren voor € 7.200,= maar daarvoor € 80.000,= verlangde.

3.6

Voor het geval de schade vastgesteld moet worden op basis van de jaarstukken dient [gedaagde] veroordeeld te worden tot het afgeven daarvan.

4 Het verweer in conventie

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiseres] in de kosten van het geding.

[gedaagde] heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1

Tussen partijen is nooit een overeenkomst tot stand gekomen als door [eiseres] gesteld.

4.2

In februari 2005 heeft de Rabobank [gedaagde] een kredietfaciliteit in het vooruitzicht gesteld als er een aparte onderneming opgezet zou worden. [gedaagde] heeft dit aan [eiseres] meegedeeld, die niet gereageerd heeft, waarop [gedaagde] Odevi heeft opgericht. Partijen hebben in augustus en oktober 2005 nader overlegd omdat [gedaagde] een investering wenste en bereid was daarvoor een minderheidsbelang ter beschikking te stellen; over de reeds opgerichte BV is toen door [eiseres] niet geklaagd, en er is

-wederom- geen afspraak tot stand gekomen.

4.3

De onder 2.4 bedoelde lening is niet door [eiseres], maar door een gelieerde vennootschap, [eiseres] Projectontwikkeling BV, aan [persoon1] in privé verstrekt die daartegenover deugdelijk zekerheid gesteld heeft. De onder 2.3 bedoelde betaling was een lening aan Odevi. Dit was geen investering. Beide zijn terugbetaald.

4.4

Als al sprake zou zijn van het afbreken van onderhandelingen dan is het [eiseres] die deze heeft afgebroken door deze te laten verzanden en nimmer concreet te worden.

4.5

[gedaagde] is nooit in gebreke gesteld. De enkele oprichting van Odevi leidt er niet toe, dat [gedaagde] in verzuim verkeert.

4.6

De schade kan in elk geval niet naar positief contractsbelang worden begroot, nu volgens [eiseres] zelf was afgesproken dat geen goodwill zou worden betaald.

4.7

De vordering tot afgifte van stukken mist deugdelijke grondslag, [eiseres] heeft daarbij geen belang en de vordering is voorts te vaag.

5 De vordering in reconventie

De gewijzigde vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [eiseres] te veroordelen tot opheffing van het conservatoire verhaalsbeslag op straffe van een dwangsom, tot vergoeding van de schade als gevolg van de beslagleggingen, nader op te maken bij staat en in de kosten van het geding, met rente en nakosten.

Aan deze vordering heeft [gedaagde] naast hetgeen in conventie als verweer is aangevoerd, de stelling ten grondslag gelegd dat het (na opheffing van het onrechtmatige leveringsbeslag gelegde) conservatoire verhaalsbeslag onrechtmatig is, nu [eiseres] geen vordering op [gedaagde] heeft.

6 Het verweer in reconventie

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [gedaagde] in de kosten van het geding.

Naast hetgeen [eiseres] in conventie heeft betoogd, heeft zij daartoe het volgende aangevoerd:

6.1

Aanvankelijk was leveringsbeslag gelegd, doch dit is na de wijziging van de eis, omdat de vordering toen niet meer strelkte tot levering, door [eiseres] zelf opgeheven waarna verhaalsbeslag is gelegd. Dat beslag is niet onrechtmatig, want er is een vordering.

6.2

Gesteld noch gebleken is dat -laat staan welke- schade [gedaagde] heeft geleden als gevolg van het beslag.

7 De beoordeling

in conventie

7.1

Ter comparitie is met partijen besproken dat [gedaagde] uit proceseconomische overwegingen haar aanvankelijke beroep op niet ontvankelijkheid -de verkeerde persoon is gedaagd, omdat de contacten tussen [eiseres] en [persoon1] en niet met [gedaagde], die pas later is opgericht, hebben plaatsgehad- niet handhaaft. Daarop zal dus niet nader worden ingegaan.

7.2

Voor de thans ingestelde primaire vordering, die ziet op vervangende schadevergoeding wegens het niet nakomen van een overeenkomst, is niet voldoende dat tussen partijen in principe overeenstemming bestond over een samenwerking. Daartoe is vereist, dat sprake was van een perfecte overeenkomst, waarbij over alle wezenlijke punten volledige overeenstemming was bereikt, en waarvan [eiseres] nakoming kon verlangen.

7.2.1

[eiseres] heeft aanvankelijk gesteld dat tussen partijen begin 2005 volledige overeenstemming was bereikt over het oprichten van een nieuwe BV, Odevi, waarin [gedaagde] voor 60% en zijzelf voor 40 % zou participeren en zij, [eiseres], voor haar minderheidsaandeel € 7.200,= zou inbrengen. Bij conclusie van dupliek in reconventie, een stuk dat [eiseres] heeft benut om haar stellingen in conventie nader uit te werken, heeft zij (onder 13 en 14) echter het standpunt ingenomen dat op 25 mei 2005 is gesproken over een gewijzigde situatie in verband met de keuze voor een andere fiscale constructie, namelijk het inbrengen van een stamrecht. Volgens [eiseres] is op die dag duidelijk geworden dat “door een eventuele financiering van de Rabobank [eiseres] geen deel meer kon nemen in OdeVi. [eiseres] heeft daarop te kennen gegeven akkoord te kunnen gaan met een aanpassing in de eerder gemaakte afspraken, mits haar belangen in OdeVi ongewijzigd bleven”. Vervolgens zouden, aldus nog steeds [eiseres], partijen op 7 september 2005 en op 19 oktober 2005 wederom gesproken hebben, en [gedaagde] zou toen nieuwe eisen hebben gepresenteerd (betaling van € 80.000,= voor 40% van de aandelen) waarmee [eiseres] niet heeft ingestemd.

Hoewel vorenbedoelde stelling is ingenomen bij een stuk in reconventie houdt de rechtbank [eiseres] daar ook in conventie aan, nu [eiseres] zelf de keuze heeft gemaakt om dit stuk te benutten voor nadere uitwerking van haar stellingen in conventie. [gedaagde] heeft daarop niet meer kunnen reageren, doch nu deze laatste stelling van [eiseres] op het onderhavige punt conform haar eigen stellingen is en zij niet in enig belang wordt geschaad bestaat er geen noodzaak haar daartoe alsnog in de gelegenheid te stellen.

7.2.2

De bij genoemde conclusie betrokken stelling van [eiseres] -die in lijn is met de stellingen van [gedaagde]- is niet te rijmen met haar eerdere stelling, dat [gedaagde] wanprestatie heeft gepleegd door Odevi zonder haar, [eiseres], op te richten zoals in februari 2005 was afgesproken. Uit deze stelling van [eiseres] zelf blijkt immers, dat in het najaar van 2005 nog nader is overlegd en dat toen ofwel geen sprake was van een, al maanden daarvoor, tot stand gekomen perfecte overeenkomst strekkend tot gezamenlijke oprichting van een BV, ofwel [eiseres] tenminste heeft ingestemd met wijziging daarvan voordat deze was uitgevoerd, zodat die afspraak door haar kennelijk niet als definitief werd beschouwd. In die situatie kan zij zich niet op die oorspronkelijke afspraak beroepen en daarvan dus evenmin nakoming verlangen.

Dat [eiseres] inmiddels kennelijk aan [persoon1] privé gelden had geleend, al dan niet met het oog op de tot stand te brengen samenwerking, betaling van een leverancier had gedaan (al dan niet bij wijze van voorschot) en [gedaagde] in contact had gebracht met Wasco, doet in dit verband niet ter zake. Als een professionele partij zoals [eiseres] voordat een definitieve overeenkomst tot stand is gekomen reeds uitvoering geeft aan de besproken samenwerking is dat voor eigen risico. Het accepteren van deze gelden en het gebruiken van het gelegde contact kan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet worden uitgelegd als een bevestiging of erkenning door [gedaagde] van het bestaan van een overeenkomst.

De conclusie moet dus zijn dat er geen sprake is van een perfecte overeenkomst van partijen waarvan [eiseres] nakoming kan verlangen. De primaire grondslag kan de vordering dus niet dragen.

7.3

Voor wat betreft de subsidiaire grondslag, onrechtmatig afbreken van de onderhandelingen door [gedaagde], moet vooropgesteld worden, dat het uitgangspunt is dat het een partij vrij staat onderhandelingen af te breken. Slechts is uitzonderlijke gevallen is het afbreken onrechtmatig.

Zelfs als wordt aangenomen dat het [gedaagde] is geweest die de onderhandelingen heeft afgebroken -vast staat dat allerminst- is van een dergelijke situatie geen sprake.

Uit de stellingen over en weer kan worden opgemaakt, dat partijen op zeker moment beide van oordeel waren dat zij het eens zouden moeten kunnen worden over een samenwerking in de vorm van een werkmaatschappij waarbij [eiseres] geld zou inbrengen en [gedaagde] zijn eenmanszaak. Een dergelijke intentie is echter nog zeer ver verwijderd van daadwerkelijke overeenstemming over alle wezenlijke elementen van zo’n samenwerking. Tussen partijen staat vast, dat de onderhandelingen veel tijd hebben gevergd en moeizaam liepen. Zoals ter comparitie door beide partijen is bevestigd was de financieringsbehoefte van [gedaagde] groter dan het bedrag, dat [eiseres] beschikbaar wilde stellen. Later is daarover weliswaar nader onderhandeld, doch niet gebleken is, en [eiseres] heeft, in het licht van de betwisting, onvoldoende gemotiveerd gesteld, dat partijen daarover definitief overeenstemming bereikt hadden. Over het al dan niet beschikbaar stellen van bedrijfsruimte door [eiseres] aan [gedaagde] is kennelijk overlegd doch -om volgens elk van partijen verschillende redenen- geen overeenstemming bereikt. Over de inhoud van de statuten -met name een controlemechanisme voor de minderheidsaandeelhouder- blijken partijen thans ingrijpend van mening te verschillen, terwijl niet blijkt dat dit in de onderhandelingen ooit expliciet ter sprake is geweest. Er waren dus nog meerdere belangrijke hindernissen te nemen.

Daar staat tegenover dat [eiseres] met de hiervoor reeds genoemde lening aan [persoon1] privé, de betaling aan een leverancier en het leggen van een contact reeds vooruitliep op de tot stand te brengen samenwerking; dit zijn elementen, die in beginsel aangeven dat [eiseres] vertrouwde op het tot standkomen van een overeenkomst en die voor [gedaagde], gelet op hun verhouding, een verzwaarde verplichting meebrachten om serieus te trachten tot definitieve overeenstemming te komen. Nu de lening en de betaling (volgens [gedaagde] een voorschot) beide vrij snel zijn terugbetaald en de commerciële waarde van de aangebrachte klant voor Odevi wordt betwist moet het belang daarvan echter niet worden overdreven, met name niet nu [eiseres] een professionele partij is.

Het beeld van de situatie is dus, dat enerzijds de onderhandelingen nog niet in de eindfase verkeerden terwijl anderzijds de redelijkheid en billijkheid wel meebrachten, gelet op de reeds door [eiseres] gezette stappen en de verhouding tussen partijen, dat [gedaagde] zich moest inspannen om tot definitieve afspraken te komen. In die situatie kwam echter verandering toen vervolgens kennelijk medio/ eind 2005 werd gekozen voor een fiscaal andere constructie met financiering van de Rabobank, waarmee [eiseres] desgevraagd ook heeft ingestemd. Daarna hebben partijen nog dooronderhandeld, doch geen overeenstemming kunnen bereiken. Thans blijkt, dat de belangrijkste geschilpunten de hiervoor reeds genoemde zeggenschap van de minderheidsaandeelhouder en de financiële inbreng van [eiseres] waren.

Dit zijn beide reële en zwaarwegende punten. In de hiervoor geschetste omstandigheden, mede gelet op het tijdsverloop en de gewijzigde fiscale constructie, stond het elk van partijen, en dus ook [gedaagde], vrij om alsnog af te zien van de beoogde samenwerking.

Zelfs als het van Leeuwen was die de onderhandelingen heeft afgebroken levert dat dus geen onrechtmatige gedraging jegens [eiseres] op.

Dat betekent dat ook de subsidiaire grondslag de vordering niet kan dragen.

7.4

De vordering zal dus worden afgewezen.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de schade hoe dan ook niet berekend zou zijn op de door [eiseres] voorgestane wijze. Als [eiseres] had geparticipeerd in Odevi had zij immers, ook in haar eigen visie, naast de € 7.200,= voor de aandelen daadwerkelijk

€ 50.000,= moeten investeren, hetgeen zij thans niet heeft gedaan (de geleende/ voorgeschoten bedragen zijn immers terugbetaald) en had zij bovendien risico gelopen.

7.5

[eiseres] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten worden veroordeeld.

in reconventie

7.6

Uit hetgeen in conventie is overwogen vloeit voort, dat zowel het aanvankelijke leveringsbeslag als het latere verhaalsbeslag als onrechtmatig gelegd moeten worden beschouwd. Het leveringsbeslag is al opgeheven, het conservatoire beslag moet thans worden opgeheven. [eiseres] zal daartoe verplicht worden, op straffe van een dwangsom, die zal worden gematigd en gemaximeerd.

7.7

Nu de beslagen onrechtmatig zijn is [eiseres] in beginsel gehouden de daaruit voor [gedaagde] voortgevloeide schade te vergoeden.

Als, zoals in dit geval, vergoeding van schade, nader op te maken bij staat wordt gevorderd is weliswaar niet vereist dat de schade in detail wordt opgegeven en onderbouwd, maar wel dat in elk geval wordt gesteld en voldoende aannemelijk gemaakt dat er werkelijk schade is geleden. Bij een beslag als het onderhavige spreekt dat niet vanzelf en [gedaagde] heeft zelfs niet summier aangeduid waarin de schade zou zijn gelegen. Dat deel van de vordering zal dus worden afgewezen.

7.8

Gelet op het vorenstaande zijn partijen elk ten dele in het ongelijk gesteld en zullen de kosten in reconventie worden gecompenseerd.

8 De beslissing

De rechtbank,

in conventie

wijst af de vordering van [eiseres] in al haar onderdelen;

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] bepaald op € 1.600,= aan vast recht en op € 2.682,= aan salaris voor de procureur;

in reconventie

veroordeelt [eiseres] om, uiterlijk tien dagen na de betekening van dit vonnis, het ten laste van [gedaagde] gelegde beslag op te heffen, op straffe van een dwangsom van € 500,= voor elke dag dat zij dat nalaat, met een maximum van € 100.000,=;

wijst af het meer of anders gevorderde;

compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

in conventie en in reconventie voorts

verklaart dit vonnis voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Hofmeijer-Rutten

Uitgesproken in het openbaar.

106