Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BD6978

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
11-07-2008
Zaaknummer
279384 / HA ZA 07-588
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of eiseres en de VOF een geldleningovereenkomst voor een bedrag van NLG 20.000,= (€ 9.075,=) hebben gesloten. Eiseres stelt zich daarbij op het standpunt dat gedaagde sub 2 bij het aangaan van die geldleningovereenkomst in hoedanigheid handelde, namelijk als vennoot van de VOF. De VOF heeft dit gemotiveerd betwist.

(...)

Een vennoot die tegenover een partij die met de vennootschap onder firma wil contracteren, in strijd met de waarheid de indruk wekt dat hij volledig bevoegd is om de vennootschap bij het aangaan van dit contract te vertegenwoordigen, kan zich tegenover de wederpartij die van de beperking van zijn - des vennoots - bevoegdheid om de vennootschap te verbinden niet op de hoogte is, niet erop beroepen dat deze die beperking uit het handelsregister te weten had kunnen komen. Ook als die vennoot zelf bij het aangaan van het contract zich niet van de beperking van zijn bevoegdheid bewust was, zal hij de gevolgen van de door hem gewekte schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid voor zijn rekening moeten nemen. Het staat niet aan hem om ter ontkoming aan eigen aansprakelijkheid zijn wederpartij voor te houden, dat deze uit het handelsregister had kunnen ontdekken dat de door hem - vennoot - gewekte schijn in strijd met de waarheid was (vergelijk Hoge Raad 26 juni 1981, NJ 1982, 1).

Dit betekent dat gedaagde sub 2 niet wordt beschermd door de inschrijving van de beperking van diens bevoegdheid in het handelsregister en dat hij, dientengevolge, aansprakelijk is voor de schade die Gartner als gevolg van de onbevoegd door hem verrichte rechtshandeling lijdt.

(...)

Nu in rechte vast is komen te staan, dat tussen eiseres en de VOF geen geldleningovereenkomst tot stand is gekomen, heeft eiseres zonder rechtsgrond, en dientengevolge onverschuldigd, NLG 20.000,= aan de VOF betaald. De VOF dient dit bedrag, althans het restant, daarom aan eiseres terug te betalen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 70
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 203
Burgerlijk Wetboek Boek 6 212
Wetboek van Koophandel
Wetboek van Koophandel 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2008/220
RO 2008, 38
JRV 2008, 419

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 279384 / HA ZA 07-588

Uitspraak: 12 maart 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiseres],

domicilie kiezende te Rotterdam,

eiseres,

procureur mr. P.C. Ouwendijk,

- tegen -

1. de vennootschap onder firma V.O.F. PLEXUS ORTHOPEDIE,

gevestigd te Rotterdam,

2. [gedaagde sub 2],

vennoot van gedaagde sub 1,

wonende te Gorinchem,

3. [gedaagde sub 3],

vennoot van gedaagde sub 1,

wonende te ‘s-Gravenhage,

gedaagden,

procureur mr. O.E. Meijer.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiseres]” respectievelijk “de VOF”, “[gedaagde sub 2]” en “[gedaagde sub 3]”.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaardingen d.d. 20, 21 en 23 februari 2007 en de door [eiseres] overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 22 augustus 2007, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- brief d.d. 5 september 2007 van mr. J. Mulder namens [eiseres], met producties;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 19 september 2007;

- akte wijziging eis aan de zijde van [eiseres], met producties;

- antwoordakte aan de zijde van de VOF, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3], met producties;

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 Met ingang van 1 januari 2000 zijn [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] door middel van de VOF een samenwerkingsverband aangegaan. Ten aanzien van vertegenwoordiging en bevoegdheid is de volgende, beperkte volmacht voor de vennoten van de VOF in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (“handelsregister”) ingeschreven:

“(…)

Ieder van de vennoten is bevoegd de vennootschap aan derden en derden aan de vennootschap te binden voor haar handelen en te tekenen en gelden voor haar te ontvangen of uit te geven met dien verstande, dat de medewerking van beide vennoten wordt vereist voor:

(…)

- het aangaan van verbintenissen – het tekenen van handelspapier daaronder begrepen – en het opnemen van gelden, één en ander de waarde van f 5.000,- (zegge: vijfduizend gulden) overtreffende;

(…)”

2.2 Op 12 juni 2001 heeft [eiseres] een bedrag van NLG 20.000,= betaald op rekeningnummer 69.48.47.542 ten name van de VOF onder vermelding van “VICTIVE PRIVE STORTING DHR. F.F. PEST”.

2.3 [gedaagde sub 2] heeft namens de VOF op 13 december 2006 aangifte gedaan bij de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond. Het proces-verbaal van aangifte bevat – voor zover hier van belang – de volgende passages:

“(…)

Monique heeft 30 juni 2006 mijn bedrijf Plexus Orthopedie 20.000 gulden geleend. (…) De lening van 20.000 euro is nooit aan Monique terugbetaald. De vaste lasten hebben mij en het bedrijf zoveel geld gekost dat ik die lening van 20.000 gulden. die in de zaak gestopt was heb weggeschreven van mijn kapitaalrekening die toen negatief stond. (…)”

2.4 Op 28 september 2007 heeft [gedaagde sub 3] een bedrag van € 2.500,= aan [eiseres] betaald ter finale kwijting. Dientengevolge heeft [eiseres] haar vordering ten aanzien van [gedaagde sub 3] verminderd tot nihil.

3 De vordering

De gewijzigde vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad primair de overeenkomst van geldlening te ontbinden en de VOF en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 6.575,= met rente (ook over het op 28 september 2007 betaalde bedrag) en kosten. Subsidiair, meer subsidiair en uiterst subsidiair vordert [eiseres] om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de VOF en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 6.575,= met rente (ook over het op 28 september 2007 betaalde bedrag) en kosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiseres] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 [eiseres] is met de VOF schriftelijk een overeenkomst van geldlening aangegaan op 30 juni 2001 voor een bedrag van NLG 20.000,=. [gedaagde sub 2] heeft daartoe de VOF vertegenwoordigd, althans de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid gewekt.

3.2 Op de geldlening is een rentepercentage van 3,8% van toepassing. De lening zou na één jaar, op 30 juni 2002, terugbetaald worden. Ondanks aanmaningen en sommaties, voor het eerst op 10 juni 2004, aan het adres van zowel de VOF als [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3], wordt de lening, met rente, niet terugbetaald. Aldus schiet de VOF tekort in de nakoming van haar verplichtingen jegens [eiseres] onder de geldleningovereenkomst. [eiseres] is dientengevolge gerechtigd de ontbinding van de overeenkomst te vorderen en terugbetaling van het geleende bedrag. [gedaagde sub 2] is hiervoor hoofdelijk aansprakelijk.

Indien de rechtbank van oordeel is dat de VOF niet aan de overeenkomst van geldlening gebonden is, dan geldt dat [gedaagde sub 2] op de voet van artikel 3:70 Burgerlijk Wetboek (BW) dan wel artikel 7A:1681 BW partij is bij die overeenkomst. In dat geval dient [gedaagde sub 2] het geleende bedrag terug te betalen.

3.3 Subsidiair vordert [eiseres] nakoming van de VOF van haar verplichtingen onder de geldleningovereenkomst, wat neerkomt op de terugbetaling van het geleende bedrag.

Indien de rechtbank van oordeel is dat de VOF niet aan de overeenkomst van geldlening gebonden is, dan geldt dat [gedaagde sub 2] op de voet van artikel 3:70 BW dan wel artikel 7A:1681 BW partij is bij die overeenkomst en zijn verplichting onder de geldleningovereenkomst jegens [eiseres] na dient te komen.

3.4 Meer subsidiair stelt [eiseres] zich op het standpunt dat de VOF of [gedaagde sub 2] ongerechtvaardigd is verrijkt door de ontvangst van het bedrag van NLG 20.000,= ten koste van [eiseres].

3.5 Uiterst subsidiair stelt [eiseres] zich op het standpunt dat zij het bedrag van NLG 20.000,= onverschuldigd heeft betaald aan de VOF of [gedaagde sub 2].

3.6 Contractuele althans wettelijke rente wordt gevorderd vanaf de dag der opeisbaarheid van de (restant) hoofdsom van de lening.

3.7 De gevorderde buitengerechtelijke kosten belopen € 904,=.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiseres] bij vonnis in de kosten van het geding, daaronder begrepen de nakosten.

De VOF, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 De VOF heeft geen geldleningovereenkomst met [eiseres] gesloten. De geldleningovereenkomst is niet door [gedaagde sub 2] ondertekend. Wel heeft de VOF een bedrag van NLG 20.000,= van [eiseres] ontvangen met betalingskenmerk “victive privé storting”. Het bedrag is door de VOF geboekt in de rekening-courant van [gedaagde sub 2] met de VOF.

4.2 [gedaagde sub 2] was niet bevoegd de VOF te vertegenwoordigen voor het aangaan van een geldleningovereenkomst; de omvang van diens (beperkte) volmacht was geregistreerd in het handelsregister. Bovendien behoort het aangaan van een geldlening als onderhavige niet tot de normale activiteiten van de VOF. Indien en voor zover [gedaagde sub 2] de schijn heeft gewekt de VOF te vertegenwoordigen, kan dit slechts leiden tot een verplichting van [gedaagde sub 2] de door [eiseres] geleden schade te vergoeden.

4.3 De VOF betwist ongerechtvaardigd verrijkt te zijn. De betaling van NLG 20.000,= met kenmerk “privé storting” heeft de VOF opgevat als een betaling om het negatieve saldo in rekening-courant van [gedaagde sub 2] bij de VOF aan te zuiveren.

5 De beoordeling

5.1 Tussen partijen is in geschil of [eiseres] en de VOF een geldleningovereenkomst voor een bedrag van NLG 20.000,= (€ 9.075,=) hebben gesloten. [eiseres] stelt zich daarbij op het standpunt dat [gedaagde sub 2] bij het aangaan van die geldleningovereenkomst in hoedanigheid handelde, namelijk als vennoot van de VOF. De VOF heeft dit gemotiveerd betwist. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

[eiseres] heeft op 12 juni 2001 een bedrag van NLG 20.000,= overgemaakt op de rekening ten name van de VOF. Als onweersproken staat vast dat [eiseres] dit bedrag op verzoek van [gedaagde sub 2] heeft betaald. In het proces-verbaal van aangifte verklaart [gedaagde sub 2] dat [eiseres] het bedrag van NLG 20.000,= aan de VOF heeft geleend. Deze feiten en omstandigheden, in verband met het feit dat niet gesteld of gebleken is dat bij het aangaan van de geldleningovereenkomst enig voorbehoud van de zijde van [gedaagde sub 2] jegens [eiseres] is gemaakt, rechtvaardigen de conclusie dat [gedaagde sub 2] door te handelen zoals hij heeft gedaan, heeft gehandeld als ware hij volledig bevoegd om namens de VOF op te treden.

5.2 Artikel 3:70 BW bepaalt dat hij die als gevolmachtigde handelt, ten opzichte van de wederpartij instaat voor het bestaan en de omvang van de volmacht, tenzij de wederpartij weet of behoort te begrijpen dat een toereikende volmacht ontbreekt of de gevolmachtigde de inhoud van de volmacht volledig aan de wederpartij heeft medegedeeld. Artikel 17 Wetboek van Koophandel (WvK) regelt de externe vertegenwoordigingsbevoegdheid van de vennoten van een vennootschap onder firma. Het artikel bepaalt dat elk der vennoten, die daarvan niet is uitgesloten, bevoegd is ten name van de vennootschap te handelen, gelden uit te geven en te ontvangen, en de vennootschap aan derden, en derden aan de vennootschap te verbinden. Handelingen die geen betrekking hebben op de vennootschap of tot welke de vennoten volgens de overeenkomst onbevoegd zijn, worden hier niet onder begrepen. Een beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid werkt, mits zij is gepubliceerd in het handelsregister, ook tegen derden, zij het slechts ter bescherming van de vennootschap.

In het handelsregister is de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de vennoten van de VOF beperkt in die zin, dat medewerking van beide vennoten wordt vereist voor het aangaan van verbintenissen die het bedrag van NLG 5.000,= te boven gaan. Als onbetwist staat vast dat deze beperking ten tijde van het tot stand komen van de geldleningovereenkomst reeds was ingeschreven. De inschrijving in het handelsregister waaruit de onbevoegdheid van [gedaagde sub 2] kenbaar was, heeft derhalve wel tot gevolg dat de VOF niet is gebonden aan de geldleningovereenkomst, maar niet dat [gedaagde sub 2] zich tegenover [eiseres] op de ingeschreven beperking kan beroepen.

5.3 Een vennoot die tegenover een partij die met de vennootschap onder firma wil contracteren, in strijd met de waarheid de indruk wekt dat hij volledig bevoegd is om de vennootschap bij het aangaan van dit contract te vertegenwoordigen, kan zich tegenover de wederpartij die van de beperking van zijn – des vennoots – bevoegdheid om de vennootschap te verbinden niet op de hoogte is, niet erop beroepen dat deze die beperking uit het handelsregister te weten had kunnen komen. Ook als die vennoot zelf bij het aangaan van het contract zich niet van de beperking van zijn bevoegdheid bewust was, zal hij de gevolgen van de door hem gewekte schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid voor zijn rekening moeten nemen. Het staat niet aan hem om ter ontkoming aan eigen aansprakelijkheid zijn wederpartij voor te houden, dat deze uit het handelsregister had kunnen ontdekken dat de door hem - vennoot - gewekte schijn in strijd met de waarheid was (vergelijk Hoge Raad 26 juni 1981, NJ 1982, 1).

Dit betekent dat [gedaagde sub 2] niet wordt beschermd door de inschrijving van de beperking van diens bevoegdheid in het handelsregister en dat hij, dientengevolge, aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] als gevolg van de onbevoegd door hem verrichte rechtshandeling lijdt.

5.4 Bovenstaande heeft tot gevolg dat de vordering van [eiseres] op haar primaire en subsidiaire grondslag jegens de VOF zal worden afgewezen. Er is immers geen geldleningovereenkomst tot stand gekomen.

5.5 Ten aanzien van [gedaagde sub 2] geldt dat bij afwezigheid van een geldleningovereenkomst de vordering van [eiseres] op haar primaire grondslag niet kan worden toegewezen.

De rechtbank begrijpt de stellingen van [eiseres] aldus dat de schade die zij als gevolg van de onbevoegd door [gedaagde sub 2] verrichte rechtshandeling lijdt, gelijk is aan het bedrag dat [eiseres] bij juiste nakoming van de geldleningovereenkomst, indien deze tussen haar en de VOF tot stand was gekomen, (terug) zou hebben ontvangen in de vorm van (restant) hoofdsom en rente (als subsidiair in het petitum van de dagvaarding opgenomen). Nu de inhoud van de geldleningovereenkomst overigens niet door [gedaagde sub 2] is betwist, zal de (subsidiaire) vordering worden toegewezen.

5.6 [eiseres] stoelt haar vordering op de VOF voorts op ongerechtvaardigde verrijking.

Voor een geslaagd beroep op ongerechtvaardigde verrijking moet sprake zijn van verrijking van de één (de VOF) en verarming van de ander ([eiseres]). Daarnaast moet tussen deze verrijking en verarming causaal verband bestaan en moet de verrijking ongerechtvaardigd zijn, dat wil zeggen dat voor het behouden ervan een redelijke oorzaak of rechtvaardigingsgrond aanwezig is. Dit is het geval, indien de vermogensverschuiving noch op een rechtshandeling tussen de verrijkte en de verarmde berust noch krachtens de wet door de verkrijger mag worden behouden. Tenslotte gaat de schadevergoedingsplicht niet verder dan redelijk is. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

Tegenover de verrijking van de VOF met NLG 20.000,= staat de verarming van [eiseres] met NLG 20.000,=. De verrijking van de VOF en verarming van [eiseres] vinden beide hun oorzaak in de betaling van NLG 20.000,= door [eiseres] op de rekening van de VOF. Het causale verband tussen te verrijking en verarming is daarmee gegeven. Dan rest de vraag of de verrijking ongerechtvaardigd is. Nu de oorzaak van de verrijking is gelegen in een door [eiseres] jegens de VOF verrichte rechtshandeling (de betaling), kan, in beginsel, niet worden vastgesteld dat de verrijking ongerechtvaardigd is. Dat is evenwel anders, indien (achteraf blijkt dat) het met die rechtshandeling beoogde rechtsgevolg niet is ingetreden. Nu, zoals hiervoor overwogen, in rechte vaststaat dat tussen [eiseres] en de VOF geen overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen, heeft [eiseres] zonder rechtsgrond NLG 20.000,= aan de VOF betaald. De verrijking van de VOF is daardoor ongerechtvaardigd. Gelet op de omstandigheden van dit concrete geval acht de rechtbank een vergoeding van de schade (tot het bedrag van de verrijking) echter niet zonder meer redelijk. Die omstandigheden zijn gelegen in het feit dat de verrijking buiten toedoen van de VOF plaatsvond en (daardoor) als het ware aan de VOF is opgedrongen. Immers, het was [gedaagde sub 2] (destijds de huisgenoot en partner van [eiseres]) die [eiseres] bewoog tot betaling van NLG 20.000,= aan de VOF onder vermelding van “VICTIVE PRIVE STORTING DHR. F.F. PEST”. De VOF heeft uit die omschrijving afgeleid dat met de betaling van NLG 20.000,= (slechts) beoogd werd de schuld van [gedaagde sub 2] aan de VOF in rekening-courant te verminderen. Dit leidt ertoe dat de rechtbank van oordeel is dat de vordering van [eiseres] op de VOF op de grondslag van de ongerechtvaardigde verrijking niet zonder meer toewijsbaar is, zodat de rechtbank ook de grondslag van de onverschuldigde betaling zal behandelen.

5.7 Degene die een hoofdsom zonder rechtsgrond heeft betaald, is gerechtigd dit van de ontvanger als onverschuldigd betaald terug te vorderen. Aan de orde is derhalve de vraag of op het moment van betalen door [eiseres] geen rechtsverhouding bestond die het verrichten van die prestatie rechtvaardigde.

Nu in rechte vast is komen te staan, dat tussen [eiseres] en de VOF geen geldleningovereenkomst tot stand is gekomen, heeft [eiseres] zonder rechtsgrond, en dientengevolge onverschuldigd, NLG 20.000,= aan de VOF betaald. De VOF dient dit bedrag, althans het restant, daarom aan [eiseres] terug te betalen. Nu [eiseres] onweersproken heeft gesteld dat de misgelopen rente over het onverschuldigd betaalde bedrag gelijk is aan de rente als opgenomen in de geldleningovereenkomst (akte wijziging eis onder 7), zal de rechtbank die rentevoet over de restant hoofdsom toewijzen.

De verbintenis uit onverschuldigde betaling ontstaat op het moment waarop de onverschuldigde betaling is verricht. [eiseres] vordert echter vergoeding van rente vanaf 30 juni 2002, zodat de rechtbank de rente vanaf die datum zal toewijzen.

5.8 De (onbetwist) gevorderde buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek zullen overeenkomstig de aanbevelingen van het rapport Voorwerk II worden begroot op € 768,= (twee punten van het toepasselijke liquidatietarief), omdat de daarin gehanteerde tarieven in zijn algemeenheid redelijk worden geacht en [eiseres] onvoldoende heeft gesteld waaruit blijkt dat meer werkzaamheden zijn verricht dan in het forfaitaire tarief besloten.

5.9 Op grond van het bovenstaande zal de rechtbank de vordering van [eiseres], zoals hierna te bepalen, toewijzen. [gedaagde sub 2] en de VOF zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de aan de zijde van [eiseres] gevallen proceskosten, zij het dat de kosten ten aanzien van [gedaagde sub 3] conform partijafspraak gecompenseerd zullen worden.

6 De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt [gedaagde sub 2] en de VOF, hoofdelijk, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen het bedrag van € 6.575,= (zegge: zesduizend vijfhonderd vijfenzeventig euro en nul eurocent), vermeerderd met de overeengekomen rente ad 3,8 % over dit bedrag vanaf 30 juni 2002 tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [gedaagde sub 2] en de VOF, hoofdelijk, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen de overeengekomen rente ad 3,8 % over het bedrag van € 2.500,= vanaf 30 juni 2002 tot 28 september 2007;

veroordeelt [gedaagde sub 2] en de VOF, hoofdelijk, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen het bedrag van € 768,= ter zake buitengerechtelijke kosten;

veroordeelt [gedaagde sub 2] en de VOF, hoofdelijk, in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] bepaald op € 1.618,62, waarvan te voldoen:

a aan de griffier van deze rechtbank (rekeningnummer 19 23 25 892, ten name

van MvJ Arrondissement Rotterdam [545]), onder vermelding van zaak- en rolnummer:

€ 240,= aan in debet gesteld vast recht;

€ 168,62 aan overige verschotten;

€ 1.130,= aan salaris voor de procureur;

------------- +

€ 1.538,62

b aan de procureur van [eiseres]:

€ 80,= voor het niet in debet gestelde deel van het vast recht;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W. Vogels.

Uitgesproken in het openbaar.

1954/1729