Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BD6922

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-06-2008
Datum publicatie
11-07-2008
Zaaknummer
07/ 2065
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om ontheffing van de verplichting tot identificatie op grond van de Wid door een individuele klant van een bankinstelling is geen aanvraag door een belanghebbende als bedoeld in 1:2 en 1:3, derde lid, van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: BC 07/2065-NIFT

Uitspraak in het geding tussen

Eiser, wonende te Rotterdam, eiser,

gemachtigde mr. C.A. Lucardie, advocaat te ‘s-Gravenhage,

en

de minister van Financiën, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Op 23 oktober 2006 heeft de gemachtigde van eiser namens eiser een verzoek tot ontheffing van de verplichting tot identificatie op grond van artikel 2, zesde lid, van de Wet identificatie bij dienstverlening (hierna: Wid) bij verweerder ingediend.

Bij brief van 15 december 2006 heeft verweerder eisers verzoek afgewezen.

Hiertegen heeft de gemachtigde van eiser bij brief van 9 januari 2007 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 10 april 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft de gemachtigde van eiser bij brief van 16 mei 2007, aangevuld bij brief van 6 juli 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 1 november 2007 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2008. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. van Bruggen en

mr. M.E.M. Suijkerbuijk.

2 Overwegingen

2.1. Feiten en omstandigheden

Eiser is een staatloze vreemdeling die niet beschikt over identiteitspapieren als bedoeld in artikel 27 van het Verdrag betreffende de status van staatlozen van 28 september 1954 (Trb. 1955, 42).

Een door eiser bij de minister voor Vreemdelingzaken en Integratie ingediend verzoek tot het vaststellen van zijn identiteit is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 25 oktober 2006 niet-ontvankelijk verklaard.

Vervolgens heeft eiser bij de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een verzoek tot het verstrekken van identiteitspapieren als bedoeld in artikel 27 van het vorenvermelde Verdrag ingediend. Op dit verzoek was ten tijde van het geschil nog niet beslist.

Eiser is houder van een rekening bij de Postbank.

Bij brieven van 1 september 2006 en 21 mei 2007 heeft de Postbank eiser bericht dat zij gehouden is de identiteit van haar klanten op grond van de Wid op juiste wijze vast te stellen en vast te leggen en dat in verband hiermee eiser voor identificatie langs dient te komen op het postkantoor. De Postbank heeft eiser hierbij aangegeven dat hij voor identificatie een geldig en niet-verlopen identiteitsbewijs, bijvoorbeeld een Nederlands paspoort, rijbewijs, of vreemdelingendocument of een Nederlandse identiteitskaart, en de brief of zijn giropas, dient te overleggen.

2.2. Standpunten van partijen

In beroep heeft eiser het standpunt ingenomen dat verweerder hem ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat hij rechtstreeks belang heeft bij een besluit op zijn aanvraag. Eiser heeft aangevoerd dat hij door zijn statenloosheid niet kan voldoen aan de verplichting tot identificatie, zoals aangegeven in de brieven van de Postbank van 1 september 2006 en 21 mei 2007, zodat hij verweerder op 23 oktober 2006 heeft verzocht hem ontheffing te verlenen van de verplichting tot identificatie op grond van de Wid.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat zowel eisers aanvraag als het bezwaar niet-ontvankelijk is. Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het verzoek van eiser tot ontheffing, bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wid niet-ontvankelijk is omdat eiser niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan worden aangemerkt. Subsidiair heeft verweerder gesteld dat een ontheffingsverzoek (van instellingen) alleen gericht kan zijn op die gevallen waarvan de identiteit van een cliënt voor de eerste keer vastgesteld moet worden en dat deze situatie in het onderhavige geval niet aan de orde is omdat eiser al eerder is geïdentificeerd door de Postbank, te weten ten tijde van de opening van een rekening door eiser bij de Postbank.

2.3. Wettelijk kader

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wid is de instelling verplicht de identiteit van een cliënt vast te stellen voordat zij aan die cliënt een dienst verleent. Ingevolge het vierde lid van dit artikel is aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid, voldaan, indien de instelling voor de vaststelling van de identiteit van een cliënt gebruik maakt van de gegevens die zij bij een eerder aan die cliënt verleende dienst, overeenkomstig de bepalingen van deze wet of ingevolge de Wet identiteitsvaststelling bij financiële dienstverlening heeft vastgesteld.

Ingevolge artikel 2, zesde lid van de Wid kan de minister ontheffing verlenen van het eerste lid.

Onder belanghebbende ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Onder een aanvraag ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

2.4. Beoordeling

Met ingang van 18 januari 2004 is de Wid in werking getreden. De Wet strekt onder meer tot vervanging van de Wet identiteitsvaststelling bij financiële dienstverlening (Stb. 1988, 278) en tot (gedeeltelijke) implementatie van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 juni 1991 tot voorkoming van het gebruik van het financieel stelsel voor het witwassen van geld (91/308/EG) (PbEG L 166) (hierna: de richtlijn). Voorts is met de Wid (gedeeltelijk) uivoering gegeven aan de aanbevelingen van de Financial Action Task Force on Money Laundering die door de ministers van Financiën van de deelnemende landen zijn aanvaard op 30 mei 1990. Het doel van de Wid is het zowel voorkomen van witwassen als het financieren van terrorisme. Dit wordt bereikt door (financiële) instellingen te verplichtingen de identiteit van hun cliënten vast te stellen en vast te leggen.

In artikel 1 van de Wid is bepaald welke instellingen onder de reikwijdte van de wet vallen Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wid is aan instellingen de verplichting opgelegd de identiteit van hun cliënt vast te stellen alvorens aan die cliënt een dienst te verlenen. Op grond van het zesde lid kan de minister gebruik maken van zijn bevoegdheid tot ontheffing van het eerste lid.

Uit de Memorie van Toelichting (TK 1992-1993, 23 008, nr. 3, blz. 6) volgt dat het vierde, vijfde en zesde lid van artikel 2 uitvoering geven aan artikel 3, zevende lid van de richtlijn en ertoe strekken de interprofessionele handel niet onnodig te belasten met de identificatieplicht.

Gelet op de tekst van artikel 2 van de Wid, alsmede de Memorie van Toelichting van deze wet, dient geoordeeld te worden dat de in het zesde lid neergelegde bevoegdheid van de minister uitsluitend ziet op ontheffing van de verplichting tot het vaststellen van de identiteit van een cliënt als bedoeld in het eerste lid van voornoemd artikel en dat die verplichting moet worden opgevat als strikt en zonder uitzondering beperkt tot (financiële) instellingen. Naar het oordeel van de rechtbank biedt de Wid en de parlementaire behandeling geen aanknopingspunten om tot een ruimere kring van belanghebbenden te komen bij een verzoek om ontheffing op grond van artikel 2, zesde lid, van de Wid.

Geoordeeld dient dan ook te worden dat het wettelijk stelsel van de Wid zich ertegen verzet dat eiser als individuele klant van een instelling, in casu de Postbank, een rechtstreeks belang zou hebben bij het verzoek om ontheffing ingevolge artikel 2, zesde lid, van de Wid, en door het indienen van een aanvraag een besluit inzake ontheffing kan uitlokken.

Het verzoek van eiser om ontheffing te verlenen op de voet van artikel 2, zesde lid, van de Wid is derhalve geen aanvraag door een belanghebbende als bedoeld in de artikelen 1:2 en 1:3, derde lid, van de Awb. De brief van 15 december 2006 kan derhalve niet worden aangemerkt als een besluit is in de zin van de Awb. Hieruit volgt dat verweerder bij het bestreden besluit eisers bezwaar tegen de brief van 15 december 2006 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

Voor kosten waarop een veroordeling in de proceskosten kan hebben, is de rechtbank niet gebleken.

Met betrekking tot de vraag welk college als hoger beroepinstantie dient te worden vermeld overweegt de rechtbank het volgende.

In de bijlage bij de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie komt de Wid niet voor. Naar het oordeel van de rechtbank is hier sprake van een omissie van de wetgever.

Gelet op de wetsgeschiedenis, de Memorie van Toelichting en de verwantschap en samenhang van de Wid met de in de bijlage bij de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie opgenomen wetten, ziet de rechtbank aanleiding in de clausule voor hoger beroep te verwijzen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven .

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond,

Aldus gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, rechter, en door deze en mr. A.J.J. van der Vlist, griffier, ondertekend.

De griffier: De rechter:

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2008.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: