Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BD6921

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
11-07-2008
Zaaknummer
258047 / HA ZA 06-885
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzekering, verzwijging, verzwaarde stelplicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 258047 / HA ZA 06-885

Uitspraak: 28 mei 2008

VONNIS van de meervoudige kamer in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. J.B. Kloosterman,

- tegen -

de naamloze vennootschap ABN AMRO SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Zwolle,

gedaagde,

procureur mr. C. Bitter.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiser]" respectievelijk "ABN AMRO".

1 Het verdere verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 22 augustus 2007 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

- akte aan de zijde van ABN AMRO, met producties;

- akte aan de zijde van [eiser];

de bij gelegenheid van de pleidooien zijdens ABN AMRO overgelegde pleitnotities.

2 De verdere beoordeling

2.1 In het kader van de beoordeling van het beroep van ABN AMRO op artikel 251 van het Wetboek van Koophandel (WvK), heeft de rechtbank haar bij voornoemd tussenvonnis in de gelegenheid gesteld haar verdenkingen jegens [eiser], ontleend aan tips van derden, nader te onderbouwen. Voorts is zij in de gelegenheid gesteld te specificeren welke informatie [eiser] naar haar mening in het geding dient te brengen.

2.2 ABN AMRO heeft bij akte in het geding gebracht een schriftelijke weergave van een interview van 30 mei 2005, afgenomen door [persoon1], tactisch onderzoeker bij Delta Lloyd Schadeverzekering N.V. Het document is, door middel van het zwartmaken van de personalia van de geïnterviewde persoon, alsmede van overige gegevens die volgens ABN AMRO kennelijk de identiteit van de geïnterviewde of diens bron(nen) zouden kunnen onthullen, geanonimiseerd. De tip betreft het verstrekken van valse getuigenverklaringen door [eiser] bij een schadegeval en betrokkenheid van [eiser] bij de brand in zijn bedrijf, alsmede bij een eerdere brand in zijn woning. Voorts is overgelegd een proces-verbaal van verhoor van [persoon1] van 14 juni 2005, opgemaakt door een functionaris van de politie Zaanstreek-Waterland, betreffende de door middel van genoemd interview verkregen informatie. Ook het proces-verbaal is, onder meer wat betreft de personalia van de geïnterviewde, geanonimiseerd. [eiser] heeft bij antwoordakte gesteld dat de door ABN AMRO overgelegde tip inhoudelijk onjuist, niet onderbouwd en onbetrouwbaar is.

2.3 Ten aanzien van de informatie waarvan zij meent dat die door [eiser] in het geding dient te worden gebracht, heeft ABN AMRO verwezen naar de vragen die zij bij brief van 9 augustus 2005 heeft gesteld aan de advocaat van [eiser]. Voorts meent zij dat de rechtbank (eventueel na machtiging daartoe door [eiser]) inzage zou moeten krijgen in de justitiële documentatie van [eiser] en dat [eiser] dient aan te geven bij welke verzekeringsmaatschappijen hij verzekerd is en in het verleden verzekerd is geweest.

2.4 Naar het oordeel van de rechtbank had ABN AMRO na ontvangst van de onderhavige tip een gerechtvaardigd belang bij het stellen van nadere vragen aan [eiser] ten aanzien van de juistheid van de door hem bij het afsluiten van de verzekering verstrekte gegevens, zoals zij heeft gedaan bij haar brief van 9 augustus 2005. De (rechts)verhouding tussen partijen, waarbinnen ABN AMRO niet, en [eiser] wel kan beschikken over bepaalde voor ABN AMRO bij het afsluiten van de verzekering relevante gegevens, brengt mee dat [eiser] - indien daartoe aanleiding bestaat - dient mee te werken aan nader onderzoek naar de juistheid van de door hem verstrekte gegevens. Genoemde tip vormt naar het oordeel van de rechtbank zo’n aanleiding. Daaraan doet niet af dat de tip geanonimiseerd is, nu uit het door ABN AMRO overgelegde document blijkt dat de betreffende persoon aan degene die het interview heeft afgenomen haar personalia bekend heeft gemaakt en die gegevens in het (originele) proces-verbaal van de politie zijn opgenomen. De enkele omstandigheid dat de tipgever mogelijk redenen had om [eiser] in een kwaad daglicht te stellen, is onvoldoende voor zodanige twijfel aan de betrouwbaarheid van de tip, dat die in de weg stond aan de gerechtigdheid van ABN AMRO tot het stellen van nadere vragen aan [eiser].

2.5 [eiser] heeft tot op heden genoemde vragen niet beantwoord, noch (andere) gegevens verstrekt ter weerlegging van de verdenking van ABN AMRO ter zake van artikel 251 WvK. ABN AMRO ziet zich in deze procedure dan ook gesteld voor een gebrek aan cruciale gegevens ter voldoening aan de op haar in het kader van haar beroep op genoemd artikel rustende stelplicht en bewijslast. De gegevens die zij ter staving van haar - inmiddels nader onderbouwde - verdenking dient aan te dragen, bevinden zich immers (uitsluitend) in het domein van [eiser]. Gelet op deze omstandigheden kan [eiser] in deze procedure niet volstaan met een blote ontkenning van de stellingen van ABN AMRO. Op [eiser] rust een verzwaarde stelplicht ter onderbouwing van zijn betwisting van de stelling dat hij in het aanvraagformulier van 21 juli 2004 onjuiste gegevens heeft verstrekt ten aanzien van eerdere verzekeringen en zijn strafrechtelijk verleden. Het enkele betwisten van de betrouwbaarheid van de tip(gever), zoals [eiser] bij antwoordakte heeft gedaan, is in dat verband onvoldoende. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de in het onderhavige geval op [eiser] rustende verzwaarde stelplicht mee, dat hij de in de brief van 9 augustus 2005 gestelde vragen alsnog dient te beantwoorden, evenwel uitsluitend indien en voor zover deze van belang zijn in het kader van de beoordeling van het beroep van ABN AMRO op artikel 251 WvK. Ten aanzien van de in de brief opgenomen vragen 1, 2 en 3 geldt dat deze uitsluitend relevant zijn voor zover het betreft de periode van acht jaar voorafgaand aan het opmaken van het aanvraagformulier van 21 juli 2004, te weten 21 juli 1996 tot en met 21 juli 2004. Vraag 4 ziet niet op enige in het formulier gevraagde dan wel gegeven informatie. Het voorgaande brengt met zich dat de volgende vragen dienen te worden beantwoord:

1. bij welke verzekeringsmaatschappij(en), anders dan ABN AMRO, is [eiser] in de periode 21 juli 1996 tot en met 21 juli 2004 verzekerd geweest?;

2. heeft [eiser] in de periode 21 juli 1996 tot en met 21 juli 2004 schadeclaims ingediend bij verzekeringsmaatschappijen en zo ja, bij welke?;

3. is [eiser] in de periode 21 juli 1996 tot en met 21 juli 2004 in aanraking geweest met politie en/of justitie ter zake van door hem gepleegde misdrijven of overtredingen, en zo ja, welk strafbaar feit betrof dat, heeft vervolging plaatsgevonden en wat is daarvan het resultaat geweest?

2.6 [eiser] dient voorgaande vragen bij akte te beantwoorden. De daartoe te verstrekken informatie dient zoveel mogelijk onderbouwd te zijn door middel van schriftelijke bescheiden. Ten aanzien van vraag 3 dient [eiser] een uittreksel van zijn justitiële documentatie betreffende genoemde periode over te leggen dan wel, indien hij daarover niet beschikt, een zo accuraat mogelijke weergave van wat hem bij inzage in die documentatie op grond van artikel 18 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens is gebleken. De rechtbank ziet, nu [eiser] de hiervoor bedoelde informatie tot op heden niet in het geding heeft gebracht, aanleiding hem op grond van artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te bevelen die informatie in het geding te brengen. De rechtbank merkt in dat verband op dat zij uit een weigering, zonder gewichtige reden, van [eiser] om aan genoemd bevel te voldoen de gevolgtrekking kan maken die zij geraden acht.

3 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

beveelt [eiser], zoveel mogelijk onderbouwd door middel van (de onder 3.6 bedoelde) schriftelijke bescheiden, de onder 3.5 opgenomen vragen te beantwoorden;

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 25 juni 2008 voor het nemen van een akte door - eerst - [eiser].

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. C. Bouwman en mr. M.J.J. Visser.

Uitgesproken in het openbaar.

1884/106/1729