Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BD6864

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
10-07-2008
Zaaknummer
241717 / HA ZA 05-1931
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

forum arresti; immuniteit van jurisdictie; Zwitsers internationaal privaatrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 241717 / HA ZA 05-1931

Uitspraak: 28 mei 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de rechtspersoon naar het recht van de plaats van vestiging SIERRA OIL ENTERPRISES A.G.,

gevestigd te Zug, Zwitserland,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident tot opheffing van het beslag,

verweerster in het bevoegdheidsincident,

procureur mr. O.E. Meijer,

advocaat mr. T.C. Wiersma te Amsterdam,

- tegen -

de STAAT GEORGIË (ook wel genaamd THE GOVERNMENT OF THE REPUBLIC OF GEORGIA), vertegenwoordigd door haar Ministry of Fuel and Energy,

met zetel te Tbilisi, Georgië,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident tot opheffing van het beslag,

eiseres in het bevoegdheidsincident,

procureur mr. W.J. Hengeveld,

advocaten mr. M.E. Koppenol-Laforce en mr. A.J. Beljaars-Vink te Rotterdam.

Partijen blijven hierna aangeduid als "Sierra Oil" respectievelijk "de Staat Georgië".

1 Het verdere verloop van het geding

1.1

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- tussenvonnis d.d. 1 november 2006 (hierna: het tussenvonnis), alsmede de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

- akte aan de zijde van de Staat Georgië d.d. 13 december 2006;

- antwoordakte (tevens houdende expliciet akteverzoek onder 17.) aan de zijde van Sierra Oil d.d. 17 januari 2007;

- akte aan de zijde van de Staat Georgië d.d. 31 januari 2007, met één productie;

- nadere antwoordakte aan de zijde van Sierra Oil d.d. 28 februari 2007.

1.2

Partijen hebben hun standpunten op de zitting van 4 juni 2007 doen bepleiten door hun raadslieden, die daarbij gebruik maakten van pleitnotities. Deze pleitnotities behoren eveneens tot de processtukken.

2 De verdere beoordeling in beide incidenten

in beide incidenten

2.1

In voormeld vonnis van 1 november 2006 (hierna: het tussenvonnis) is de zaak naar de rol verwezen voor uitlating bij akte door de Staat Georgië omtrent hetgeen Sierra Oil had gesteld onder 20 en 21 van haar conclusie van dupliek in de incidenten.

voorts in het incident tot opheffing van het beslag

2.2

Het door Sierra Oil gestelde onder 20 en 21 van haar conclusie van dupliek in de incidenten heeft betrekking op de door de Staat Georgië aan de orde gestelde eis van overbetekening van het beslag.

Volgens Sierra Oil heeft zij aan genoemde eis voldaan. Aangezien de Staat Georgië dit uiteindelijk niet langer heeft betwist, is zulks komen vast te staan.

2.3

In haar akte d.d. 13 december 2006 heeft de Staat Georgië zich voorts beroepen op het bepaalde in artikel 3a Gerechtsdeurwaarderswet, dat volgens de Staat Georgië zou moeten leiden tot nietigheid van het beslag. Sierra Oil heeft dit in haar antwoordakte d.d. 17 januari 2007 vervolgens betwist. De Staat Georgië moet geacht worden uiteindelijk niet langer het standpunt in te nemen dat het bepaalde in artikel 3a Gerechtsdeurwaarderswet moet leiden tot nietigheid van het beslag.

2.4

Het bovenstaande betekent dat van nietigheid van het beslag geen sprake is.

2.5

Daarmee ligt de incidentele vordering tot opheffing van het beslag voor afwijzing gereed.

voorts in het bevoegdheidsincident

2.6

Aan partijen is de gelegenheid gegeven zich uit te laten over de vraag of de Zwitserse rechter zich naar zijn eigen commune internationale bevoegdheidsrecht bevoegd zal achten van de onderhavige vordering kennis te nemen, als nader aangeduid in ro. 3.17 van het tussenvonnis.

2.7

Sierra spreekt de Staat Georgië aan tot betaling op grond van de protocollen die op 23 februari 2001 en 12 maart 2003 tussen partijen zijn tot stand gekomen (met de achterliggende overeenkomst van 27 oktober 1997). Deze betalingsverplichting vloeit voort uit tussen partijen tot stand gekomen overeenkomsten.

2.8

Ingevolge artikel 113 van het Zwitserse Bundesgesetz über das Internationale Privatrecht

(IPRG) kan een dergelijke vordering worden aangebracht bij de Zwitserse rechter, indien weliswaar de gedaagde niet in Zwitserland is gevestigd, noch daar een filiaal heeft, maar wel de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt in Zwitserland moet worden uitgevoerd. Bevoegd is dan de rechter van het 'Erfüllungsort'.

De plaats waar deze verbintenis moet worden uitgevoerd wordt naar Zwitsers ipr bepaald door de lex fori, derhalve door Zwitsers recht.

2.9

De gestelde betalingsverplichting van de Staat Georgië vloeit voort uit een koopovereenkomst van een hoeveelheid fuel oil.

Ingevolge artikel 57 van het Weens Koopverdrag (CISG) - bij welk verdrag Zwitserland en Georgië beide partij zijn - dient, indien partijen daarover niets zijn overeengekomen, de koper de verkoper te betalen ter plaatse van diens vestiging. Volgens artikel 74 OR (het Zwitserse Obligationenrecht) geldt hetzelfde voor verbintenissen uit overeenkomst.

Nu is gesteld noch gebleken dat partijen een bepaalde plaats van betaling zijn overeengekomen, dient de Staat Georgië derhalve te betalen in Zug, Zwitserland. (In een overgelegde brief d.d. 13 maart 2003 van Sierra aan het Ministry of Fuel and Energy van Georgië (prod. 29 van Sierra) geeft Sierra ook de instructie dat dient te worden betaald bij haar bank USB AG in Zug).

Dit leidt tot de conclusie dat de Zwitserse rechter zich bevoegd zal achten.

2.10

Aan de bevoegdheid van de Zwitserse rechter staat een eventueel beroep op staatsimmuniteit door de Staat Georgië niet in de weg. Een staat kan zich niet beroepen op immuniteit van jurisdictie voor handelingen die in het rechtsverkeer zijn verricht op voet van gelijkheid met private personen: acta iure gestionis. Aangenomen kan worden dat naar Zwitserse opvattingen in dit geval sprake is van acta iure gestionis en niet van acta iure imperii.

2.11

Nu een toewijzende uitspraak van de Zwitserse rechter op grond van het EVEX in Nederland van een exequatur kan worden voorzien, is niet voldaan aan de voorwaarden voor toepasselijkheid van artikel 767 Rv, zodat de rechtbank daaraan geen bevoegdheid kan ontlenen. Ook een andere grond voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter ontbreekt.

Ten slotte in beide incidenten

2.12

Als in het ongelijk gestelde partij in het incident tot het opheffen van het beslag is de Staat Georgië proceskosten verschuldigd en als in het ongelijk gestelde partij in het bevoegdheidsincident is dat het geval met Sierra. Er is derhalve aanleiding voor het compenseren van proceskosten, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

3 De beslissing

De rechtbank,

in het incident tot het opheffen van het beslag

wijst de incidentele vordering van de Staat Georgië af,

in het bevoegdheidsincident

verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vordering van Sierra in de hoofdzaak kennis te nemen,

in beide incidenten

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.N. van Zelm van Eldik.

Uitgesproken in het openbaar.

901/10