Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BD6820

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
10-07-2008
Zaaknummer
251593 / HA ZA 05-3449
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Renvooiprocedure; patronaatsverklaring Amerikaanse moedermaatschappij tbv continuiteitsgrondslag van de jaarrekening van een Nederlandse kleindochter; toepasselijk recht; uitleg verklaring; vorderingen over en weer in faillissement van twee Nederlandse gr

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RI 2008, 86
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 251593 / HA ZA 05-3449

Uitspraak: 21 mei 2008

VONNIS van de meervoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PLAID ENTERPRISES B.V.

gevestigd te Amsterdam,

eiseres tot verificatie, procureur mr P.H.C.M. van Swaaij,

advocaten mr M.H.R.N.Y. Cordewener en mr drs H. Bais te Amsterdam,

- tegen -

[curator], kantoorhoudende te Rotterdam,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van PLAID BEHEER B.V., gevestigd te Rotterdam,

verweerder,

procureur mr O.E. Meijer.

Eiseres tot verificatie wordt hierna aangeduid als “Plaid Enterprises” en verweerder als “[curator]” en de gefailleerde vennootschap als “Plaid Beheer”.

De procedure

1.1 De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:

de conclusie van eis tot verificatie, met producties;

de conclusie van antwoord, met producties;

de conclusie van repliek;

de conclusie van dupliek, met een productie.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van hetgeen, mede aan de hand van daarbij gehanteerde pleitnotities, naar voren is gebracht bij het pleidooi in deze zaak, dat gecombineerd heeft plaatsgevonden met de pleidooien in de zaken die bij deze rechtbank aanhangig zijn onder de rolnummers 05-3439, 05-3445 en 05-3447.

2. De vaststaande feiten in conventie en in reconventie

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

Plaid Beheer maakt deel uit van een groep van vennootschappen die, voor zover thans van belang, is samengesteld als volgt: De vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging Plaid Enterprises Inc., hierna: Plaid Inc., gevestigd te Delaware, Verenigde Staten van Amerika, is via een tussenholding enig aandeelhoudster van Plaid Enterprises. Plaid Enterprises is houdster van het gehele geplaatste kapitaal van Plaid Beheer, die enig aandeelhoudster is van Plaid Nederland B.V., hierna: Plaid Nederland.

De jaarrekeningen van Plaid Beheer en onder andere Plaid Nederland werden geconsolideerd gepubliceerd. In verband daarmee heeft Plaid Beheer een verklaring afgelegd als bedoeld in artikel 2:403 lid 1 aanhef en onder f van het Burgerlijk Wetboek (BW), hierna: de 403-verklaring.

Bij het opstellen van de geconsolideerde jaarrekening van Plaid Beheer over het boekjaar eindigend op 31 januari 2001 is met toepassing van het bepaalde in artikel 2:384 lid 3 BW uitgegaan van de veronderstelling van continuïteit van de onderneming van Plaid Beheer. Omdat er gerede twijfel bestond aan de juistheid van die veronderstelling, heeft de accountant belast met de controle van die jaarrekening verlangd dat aandeelhouders een zodanige toezegging zouden doen omtrent voortzetting van de financiering, dat het verantwoord zou zijn een goedkeurende verklaring te verbinden aan de jaarrekening gebaseerd op een continuïteitsgrondslag.

Daarop heeft Plaid Inc. op 24 augustus 2001 een zogenoemde “Going-concern support letter” (hierna: de support letter) afgegeven aan het bestuur van Plaid Beheer. Deze support letter houdt, voor zover thans van belang, in als volgt:

“(…) Plaid Enterprises, Inc. is committed to provide the necessary level of financial support to Plaid Beheer B.V. to enable it to pay its debts as they become due for a period ending on December 31, 2002 and believes that Plaid Enterprises Inc. has the financial resources to fulfil that commitment.”

In de geconsolideerde jaarrekening 2000/2001van Plaid Beheer is de volgende “Going-concern-verklaring” opgenomen:

“The intermediate shareholder, Plaid Enterprises Inc, (…) has confirmed that it intends to continue its financial support to the company to enable it to operate as a going concern and to meet at least its financial obligations during the financial year 2001/2002.”

Bij vonnis van deze rechtbank van 14 mei 2002 is Plaid Nederland in staat van faillissement verklaard met benoeming van [curator2] (hierna: [curator2]) tot curator.

Bij vonnis van deze rechtbank van 20 april 2004 is Plaid Beheer in staat van faillissement verklaard, met benoeming van [curator] tot curator.

Plaid Inc. heeft in het faillissement van Plaid Nederland vorderingen ingediend tot een totaal van € 8.719.669,--.

Plaid Inc. heeft deze vorderingen, althans het resterende gedeelte daarvan, tevens met een beroep op de 403-verklaring ter verificatie ingediend in het faillissement van Plaid Beheer.

Plaid Enterprises heeft in het faillissement van Plaid Nederland een vordering van € 4.666.029,-- ter verificatie ingediend. Plaid Enterprises heeft deze vordering, althans het deel daarvan dat niet uit de baten in het faillissement van Plaid Nederland kan worden voldaan tevens, met een beroep op de 403-verklaring, ter verificatie ingediend in het faillissement van Plaid Beheer.

Plaid Enterprises heeft voorts in het faillissement van Plaid Beheer een vordering ad in totaal € 957.356,-- ter verificatie ingediend.

[curator2] heeft met een beroep op de 403-verklaring een vordering ter verificatie ingediend in het faillissement van Plaid Beheer voor het deel van de vorderingen van crediteuren van Plaid Nederland dat niet uit de boedel van Plaid Nederland voldaan kan worden. Deze vordering is in het faillissement van Plaid Beheer erkend.

[curator] heeft zich op het standpunt gesteld dat eerst de vorderingen van alle andere concurrente schuldeisers van Plaid Beheer dan Plaid Inc. en de met haar in een groep verbonden vennootschappen volledig uit de boedel dienen te worden voldaan, en dat daarna pas betalingen behoren plaats te vinden aan Plaid c.s., waarvoor nog een aanzienlijk bedrag zal resteren.

De rechter-commissaris in het faillissement van Plaid Beheer heeft daarop partijen ter verificatievergadering verwezen naar deze renvooiprocedure.

3. De vordering tot verificatie

De vordering luidt dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

voor recht zal verklaren dat geen reden aanwezig is de (restant)vordering van Plaid Enterprises op Plaid Beheer achter te stellen bij de overige in het faillissement van Plaid Beheer indiende concurrente vorderingen;

[curator] zal veroordelen de (restant)vordering van Plaid Enterprises op Plaid Beheer te schrappen van de lijst van betwiste vorderingen en deze vordering gelijktijdig te noteren op de lijst van erkende vorderingen en/of crediteuren en wel voor een bedrag van € 4.666.029,--, althans voor een zodanig bedrag als na ontvangst van de uitdeling in het faillissement van Plaid Nederland nog van deze vordering resteert, te vermeerderen met een bedrag van € 957.356,--;

[curator] zal gebieden het in het faillissement van Plaid Beheer voor uitkering aan concurrente crediteuren beschikbare boedelactief uit te keren naar rato van de vorderingen van de concurrente crediteuren, de vordering van Plaid Enterprises daaronder begrepen;

[curator] zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Plaid Enterprises aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

Op grond van hetgeen is overwogen en beslist in het arrest van de Hoge Raad van 16 september 2005, NJ 2006, 311 (De Bont/Bannenberg q.q.) zijn [curator2] en [curator] niet bevoegd slechts ten behoeve van een deel van de concurrente schuldeisers, te weten de anderen dan Plaid Inc. en de met haar in een groep verbonden vennootschappen, vorderingen in te stellen.

De hoogte van de vorderingen die door Plaid Enterprises ter verificatie zijn ingediend is niet betwist en in essentie geldt dat ook voor de vraag of deze vorderingen als concurrente vorderingen moeten worden aangemerkt. De renvooiprocedure leent zich er niet voor een uitspraak te verkrijgen over een vordering die de curator meent te hebben op een schuldeiser of een met haar in een groep verbonden rechtspersoon, terwijl de vorderingen die deze schuldeiser ter verificatie heeft ingediend in essentie onbetwist zijn gebleven.

De 403-verklaring biedt geen grond voor achterstelling van de vordering van Plaid Enterprises omdat deze verklaring door Plaid Beheer is afgegeven ten behoeve van alle crediteuren van Plaid Nederland, waaronder Plaid Enterprises, als een van de belangrijkste leveranciers van Plaid Nederland. De eerste vorderingen onder de 403-verklaring zijn bij Plaid Beheer ingediend toen de termijn waarvoor de support letter was afgegeven, was verstreken.

De support letter biedt ook geen grond voor de verlangde achterstelling, reeds omdat Plaid Inc. alle schulden van Plaid Beheer die opeisbaar zijn geworden in de periode tot 31 december 2002 heeft betaald of gefinancierd. Vorderingen die na die datum opeisbaar zijn geworden vallen niet onder de dekking van de support letter. De support letter, die wordt geregeerd door Amerikaans recht – het recht van de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten – is op 31 december 2002 van rechtswege vervallen. De support letter geldt niet voor alle crediteuren binnen het concern en met die support letter is niet meer of anders vastgelegd dan dat Plaid Inc. de intentie had financiële ondersteuning aan Plaid Beheer voort te zetten. Een afdwingbare verplichting van Plaid Inc. is daarmee niet in het leven geroepen, hetgeen temeer klemt ten aanzien van Plaid Enterprises nu zij geen partij is bij die verklaring.

Het bepaalde in artikel 53 van de Faillissementswet (Fw) staat aan een beroep op verrekening in de weg.

Er is ook overigens geen grond om de vorderingen van Plaid Enterprises op Plaid Beheer niet ten volle te erkennen of achter te stellen bij de vorderingen van de overige concurrente crediteuren zodat deze als concurrente vorderingen behoren te worden erkend.

4 Het verweer

Het verweer strekt ertoe dat de vorderingen van Plaid Enterprises zullen worden erkend als bij de overige crediteuren achtergestelde vorderingen en subsidiair daartoe, dat de vorderingen, voor zover deze betrekking hebben op leveranties van handelsgoederen, zullen worden ontzegd, met veroordeling van Plaid Enterprises in de kosten van de procedure.

[curator] heeft daartoe het volgende aangevoerd:

De support letter moet naar Nederlands recht worden beoordeeld, gelet op de nauwe verbondenheid met Nederland, waarbij mede van belang is dat de support letter is afgegeven in verband met de eisen die het Nederlandse vennootschapsrecht stelt aan de jaarrekening. Op de met die support letter verband houdende vorderingen is daarom eveneens Nederlands recht van toepassing. Aan de Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe.

De tekst van de support letter laat geen andere uitleg toe, dan dat daarbij de verplichting in het leven is geroepen voldoende middelen te verstrekken om schulden die tot en met december 2002 opeisbaar worden te voldoen. Eventuele onduidelijkheden in de tekst van de support letter moeten in het nadeel van Plaid Inc. c.s. worden uitgelegd.

De (aard van de) support letter, waarbij externe crediteuren de waarborg kregen dat zij betaling zouden ontvangen, althans waardoor zij in die veronderstelling werden gebracht, strekt ertoe dat Plaid Inc. en de met haar in een groep verbonden vennootschappen geen aanspraak zouden maken op betaling van hun vorderingen zolang financiële steun nodig was om externe crediteuren te voldoen. Ten onrechte heeft Plaid Inc., als de topvennootschap van het concern, nagelaten te bevorderen dat Plaid Beheer en haar dochtermaatschappijen haar, Plaid Inc., zouden aanspreken tot betaling van de vorderingen die derden hadden op Plaid Beheer en Plaid Nederland.

Plaid Inc. heeft nog niet, en zeker niet ten volle, voldaan aan haar verplichtingen uit de support letter. De support letter heeft haar gelding behouden voor schulden aan externe crediteuren die uiterlijk op 31 december 2002 opeisbaar zijn geworden.

Omdat de support letter een Going-concern support letter is, en deze dus ziet op het gehele concern, moet de support letter, mede gelet op de toegepaste consolidatie, geacht worden mede door de overige (indirect) aandeelhouders waaronder Plaid Enterprises te zijn afgegeven aan Plaid Beheer en Plaid Nederland. Plaid Enterprises was zich daarvan ook bewust en heeft daarmee ook ingestemd.

Achterstelling van vorderingen van groepsmaatschappijen kan worden aangemerkt als een vorm van nakoming van de verplichtingen die uit de support letter voortvloeien. Een andere uitkomst zou in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid.

Mochten er geen aanspraken (meer) ontleend kunnen worden aan de support letter, dan geldt dat Plaid Inc. en met haar Plaid Enterprises onrechtmatig heeft gehandeld door het nalaten dat onder 4.3 is beschreven. Dusdoende heeft zij zich, samen met Plaid Enterprises, onvoldoende gelegen laten liggen aan de belangen van de schuldeisers van Plaid Nederland. In dat geval is achterstelling van de vorderingen van groepsmaatschappijen een passende vorm van schadevergoeding ter zake van de niet-nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de support letter.

Een en ander klemt temeer, nu een belangrijk deel van de groepsvorderingen is ontstaan door leveranties van incourante goederen door de Amerikaanse Plaid-vennootschappen. De vorderingen van Plaid Inc. en Plaid Enterprises vloeien daarom voort uit leveranties die onrechtmatig waren jegens de Nederlandse vennootschappen en deze worden daarom betwist.

Indien de verlangde achterstelling niet wordt verleend, beroept [curator] zich op verrekening. Indien Plaid Enterprises wordt toegelaten als concurrent schuldeiser, lijdt Plaid Beheer schade tot het bedrag dat de overige schuldeisers niet betaald krijgen op hun vordering.

5 De beoordeling

Plaid Enterprises heeft aan haar stelling dat [curator] onjuist dan wel oneigenlijk gebruik maakt van de renvooiprocedure geen gevolgtrekking verbonden. Niettemin wordt daaromtrent nog als volgt overwogen. Met recht heeft [curator] zich tegenover die stelling op het standpunt gesteld dat hij zich met alle middelen rechtens mag verweren tegen de (ongeclausuleerde) erkenning van de omstreden vorderingen. Welbeschouwd komt bedoelde stelling van Plaid Enterprises daarop neer, dat naar haar mening hetgeen [curator] ter betwisting van de betreffende vorderingen heeft aangevoerd niet in de weg kan staan aan onverkorte erkenning van de omstreden vorderingen als concurrente vorderingen.

De rechtbank zal hierna dan ook beoordelen of de betwisting door [curator] inderdaad aan erkenning van de aan de orde zijnde vorderingen als concurrente vorderingen in de weg staat.

Bij de beoordeling van de vorderingen zoals deze door Plaid Enterprises in deze renvooiprocedure zijn ingesteld, moet voorop worden gesteld dat de renvooiprocedure, voor zover thans van belang, ertoe strekt vast te stellen of de betreffende vordering al of niet met een daaraan verbonden een rangorde die de paritas creditorum doorbreekt dient te worden erkend in het faillissement van Plaid Beheer. Voor een verklaring voor recht, en voor veroordelingen op de wijze waarop deze in het petitum zijn geformuleerd, is daarom in deze renvooiprocedure geen plaats.

Bij de verdere beoordeling zal er echter vanuit worden gegaan dat het meerdere het mindere omvat, en zal worden bezien of de door Plaid Enterprises in het faillissement van Plaid Beheer ingediende vorderingen al of niet met een daaraan verbonden - of een daaraan te verbinden - achterstelling dienen te worden erkend. Het gaat daarbij om een ‘rechtstreeks’ ingediende vordering van € 957.356,-- en om dat deel van de vordering ad € 4.666.029,-- die Plaid Enterprises heeft ingediend in het faillissement van Plaid Nederland dat niet uit de baten in dat faillissement kan worden voldaan. Uit de wijze waarop het debat tussen partijen zich in deze zaak heeft ontwikkeld, blijkt dat ook [curator] ervan uitgegaan is dat dit in essentie de vraag is die in deze zaak ter beoordeling voorligt.

Het bestaan en de omvang van de vorderingen zoals deze in de onderscheiden faillissementen zijn ingediend is op zichzelf, afgezien van het hierna te bespreken beroep op verrekening en de stelling dat de vorderingen deels niet voor verificatie in aanmerking komen omdat zij voorvloeien uit leveringen die onrechtmatig zijn, niet in geschil. Partijen worden in essentie verdeeld gehouden over de vraag of deze vorderingen dienen te worden erkend met toekenning van een lagere rangorde dan die van de concurrente crediteuren.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan kan worden aangenomen dat er sprake is van een achterstelling die rechtstreeks voortvloeit uit de aan die vorderingen ten grondslag liggende rechtsverhouding, of uit het daarop toepasselijke recht.

De grond voor achterstelling is volgens [curator] gelegen in de support letter, althans in de niet-nakoming van de daaruit voortvloeiende of daarmee verband houdende verplichtingen.

Vast staat dat de support letter door Plaid Inc. is afgegeven met het oog op de gewenste afgifte van een goedkeurende accountantsverklaring op de met toepassing van de continuïteitsgrondslag opgemaakte geconsolideerde jaarrekening van Plaid Beheer.

Wat betreft de vraag welk recht van toepassing is op de support letter, wordt als volgt overwogen. De support letter houdt geen rechtskeuze in. Bij gebreke van een rechtskeuze neemt de rechtbank bij beantwoording van de vraag naar het toepasselijk recht het volgende als uitgangspunt. Naar Nederlands internationaal privaatrecht is krachtens het bepaalde in artikel 2 van de Wet conflictenrecht corporaties (Wcc) op Plaid Beheer, zijnde een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, opgericht naar Nederlands recht en met een statutaire zetel binnen Nederland, Nederlands recht van toepassing. Op grond van het bepaalde in artikel 3 onder b Wcc beheerst Nederlands recht in het verlengde daarvan ook het inwendig bestel van Plaid Beheer, en ook alle met dat inwendig bestel verband houdende onderwerpen. Uit de memorie van toelichting bij de Wcc volgt dat onder het ruim uit te leggen begrip 'onderwerpen die verband houden met dat inwendig bestel' mede de jaarrekening en het jaarverslag worden begrepen. Gelet op het ruime toepassingsbereik dat de wetgever heeft beoogd te geven aan het begrip 'het inwendig bestel c.a.' moet worden aangenomen dat daaronder ook dienen te worden begrepen de goedkeurende accountantsverklaring bij de jaarrekening alsmede de voorwaarden die de accountant in voorkomende gevallen kan verbinden aan zijn bereidheid om een dergelijke verklaring af te geven. Indien daarmee niet reeds is gegeven dat de support letter door Nederlands recht wordt geregeerd, als betreffend een onderwerp dat verband houdt met het inwendig bestel van Plaid Beheer, moet in ieder geval worden geoordeeld dat uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de support letter zozeer nauwer is verbonden met Nederland dan met de staat Delaware, dat de laatste geen reële aanknopingswaarde heeft. Immers, de support letter is verlangd en afgegeven met het doel om hantering van de continuïteitsgrondslag toelaatbaar te maken bij het opstellen van de door Nederlands recht geregeerde jaarrekening van de naar Nederlands recht opgerichte en in Nederland zetelende Plaid Beheer. Er moet dan ook naar Nederlands recht beoordeeld worden welke betekenis toekomt aan de support letter.

Uit de tekst van de support letter kan niet meer of anders worden afgeleid, dan dat Plaid Inc zich daarbij ertoe heeft verbonden de nodige financiële ondersteuning aan Plaid Beheer te verschaffen om haar in staat te stellen haar schulden te voldoen zoals deze opeisbaar worden in de periode die eindigt op 31 december 2002. Andere vennootschappen uit de Plaid-groep zijn geen partij bij deze support letter. Van verplichtingen die rusten op andere vennootschappen dan op Plaid Inc., zoals Plaid Enterprises, of van achterstelling van vorderingen van Plaid Inc. of de met haar in een groep verbonden vennootschappen rept de support letter niet. Uit de, minder ver strekkende, verklaring omtrent de intenties van Plaid Inc. als financier zoals deze in de geconsolideerde jaarrekening 2000/2001 van Plaid Beheer is opgenomen kan evenmin worden afgeleid dat de support letter achterstelling van vorderingen met zich brengt.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die de slotsom kunnen wettigen dat niettemin een ruimere uitleg aan de tekst van de support letter behoort te worden gegeven. Ook uit de aard of kennelijke strekking van de support letter, te weten te voorkomen dat activa in de geconsolideerde jaarrekening van Plaid Beheer tegen liquidatiewaarde zouden moeten worden gewaardeerd, kan niet worden afgeleid dat daaruit verplichtingen voor Plaid Enterprises voortvloeien. Uit het feit dat in de jaarrekening 2000/2001 bij wijze van definitie is vermeld dat ‘intermediate shareholders’ worden aangeduid als ‘shareholders’ kan, anders dan in het betoog van [curator] besloten ligt, evenmin worden afgeleid dat de support letter verplichtingen voor Plaid Enterprises, als een van de ‘shareholders’ met zich brengt, nu daaruit niet kan worden afgeleid dat Plaid Inc. en/of de met haar verbonden vennootschappen voor de reikwijdte van de support letter geen onderscheid maakt tussen de middellijk aandeelhouders en de directe aandeelhouder van Plaid Beheer. Dat klemt temeer, nu in die jaarrekening, in afwijking van de in de voorgaande zin bedoelde definitie, in de toelichting bij die jaarrekening onder 1.f expliciet wordt aangegeven dat het Plaid Inc. is die de intentie heeft uitgesproken dat zij Plaid Beheer in 2001/2002 in staat zal stellen going-concern te opereren.

[curator] heeft geen onderbouwing gegeven aan zijn stelling dat de ondernemingsleiding van Plaid Beheer, waarvan Plaid Enterprises geen deel uitmaakte, niet de balans op continuïteitsgrondslag had mogen opstellen indien niet mede Plaid Enterprises zou zijn gebonden aan de support letter. Kennelijk heeft de controlerend accountant genoegen genomen met een support letter afgegeven door een indirect aandeelhouder. Ook deze stelling kan derhalve niet de conclusie dragen dat Plaid Enterprises gebonden zou zijn aan de support letter.

Het ligt voorts niet in de rede dat de aanduiding van de support letter als ‘Going concern’ support letter tot een andere uitkomst zou kunnen leiden, nu uit die aanduiding, gelet op het doel waarmee de support letter is afgegeven, in redelijkheid niet anders kan worden afgeleid dan dat ook daarmee tot uitdrukking is gebracht dat met die support letter aan Plaid Beheer een zekere status van continuïteit, van ‘going concern’, werd verschaft.

[curator] verwijt Plaid Enterprises verder dat zij onrechtmatig heeft gehandeld doordat zij heeft nagelaten om hetzij te bewerkstelligen dat haar indirect aandeelhoudster Plaid Inc. haar verplichtingen uit de support letter zou nakomen, hetzij te bewerkstelligen dat haar 100% dochter Plaid Beheer van Plaid Inc. zou verlangen dat zij haar verplichtingen uit de support letter zou nakomen. Bij gebreke van een nadere toelichting, die niet is gegeven, valt evenwel niet in te zien op welke grond dergelijke verplichtingen op Plaid Enterprises rustten, en welke middelen in dat opzicht haar jegens haar aandeelhouder ten dienste zouden hebben gestaan, of voor haar in de positie van aandeelhouder van Plaid Beheer beschikbaar zouden zijn geweest om het bestuur van Plaid Beheer tot een dergelijk optreden te bewegen. Aan dat verwijt moet daarom worden voorbijgegaan.

Bij deze stand van zaken moet de slotsom luiden dat noch de support letter, noch de gestelde niet-nakoming van de daaruit voorvloeiende verplichtingen van Plaid Inc. grond biedt voor achterstelling van de vorderingen van Plaid Enterprises in het faillissement van Plaid Beheer, reeds omdat niet kan worden aangenomen dat Plaid Enterprises jegens Plaid Beheer in enig opzicht is tekortgeschoten in de nakoming van verplichtingen die voortvloeien uit, of verband houden met de support letter. Verrekening komt onder deze omstandigheden ook niet aan de orde.

De omstandigheid dat op Plaid Inc. mogelijk nog – niet in deze zaak te beoordelen – verplichtingen jegens Plaid Beheer rusten uit hoofde van de support letter, maakt de vaststelling dat Plaid Enterprises op haar beurt nog een vordering op Plaid Beheer heeft die in aanmerking komt voor erkenning als concurrente schuld, in haar faillissement niet tot een onredelijke of onbillijke uitkomst.

Dat de jaarrekening van Plaid Enterprises over 2001, zoals [curator] onlangs heeft vastgesteld, geen vorderingen op Plaid Beheer of Plaid Nederland inhoudt, staat er niet aan in de weg dat de vorderingen, waarvan het bestaan en de hoogte op zichzelf niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist is, voor erkenning in aanmerking komen. Ook biedt deze vaststelling onvoldoende grond voor een gerechtvaardigd vertrouwen dat dergelijke vorderingen niet ter verificatie zouden worden ingediend.

De vorderingen die Plaid Enterprises ter verificatie heeft ingediend in het faillissement van Plaid Beheer behoren, nu daaraan ook overigens niets in de weg staat, dan ook te worden erkend op de wijze zoals hierna is vermeld. [curator] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding.

6 De beslissing

De rechtbank,

erkent de vorderingen die Plaid Enterprises ter verificatie heeft ingediend in het faillissement van Plaid Beheer als concurrente vorderingen, en wel voor een bedrag van: - € 957.356,-- zonder nadere beperkingen en - € 4.666.029,-- voor zover die vordering niet kan worden voldaan uit de baten in het faillissement van Plaid Nederland;

veroordeelt [curator] in de kosten van het geding tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 244,-- aan vast recht en € 1.808,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, voor zover het de veroordeling in de proceskosten betreft;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mrs J.C.A.T. Frima, A.J.P. van Essen en C. Bouwman.

Uitgesproken in het openbaar.

196/1729/1659