Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BD6510

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-06-2008
Datum publicatie
08-07-2008
Zaaknummer
WW 07/4072 SCHV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Als gevolg van het vervallen van de Ziekenfondswet en de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet is, met betrekking tot de berekening van de beslagvrije voet een hiaat in de wetgeving ontstaan, als gevolg waarvan de ‘oude’ jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep met betrekking tot de verdiscontering van de normpremie in de bijstandsnorm niet langer van toepassing kan worden geacht. Met de wijziging van artikel 475d van het Rv heeft de wetgever beoogd dit hiaat te herstellen. Nu het blijkens de wetgever nimmer de bedoeling is geweest om de ziektekostenpremie meer dan één keer in aanmerking te nemen bij het vaststellen van de beslagvrije voet, heeft de rechtbank aanleiding gezien te anticiperen op de wetswijziging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: WW 07/4072 SCHV

Uitspraak in het geding tussen

Eiser, wonende te Rotterdam, eiser,

gemachtigde mr. C.C.M. Welten, advocaat te Rotterdam,

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, vestiging Rotterdam, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 10 mei 2007 heeft verweerder de aflossingscapaciteit van eiser in verband met een openstaande vordering op grond van de Werkloosheidswet (hierna: WW) vastgesteld op € 300,-.

Tegen dit besluit (hierna: het primaire besluit) heeft eiser bij brief van 20 juni 2007, aangevuld bij brief van 17 juli 2007, bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 5 oktober 2007 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en de aflossingscapaciteit vastgesteld op € 250,-.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 1 november 2007 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 10 maart 2008 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2008. Aanwezig waren eiser en zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. Poel.

2 Overwegingen

Artikel 1 van de Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen (hierna: de Regeling) - voor zover hier relevant - bepaalt dat in deze regeling wordt verstaan onder:

a. WW: Werkloosheidswet;

(…)

i. schuldenaar: degene aan wie een boete is opgelegd of van wie een bedrag wordt teruggevorderd;

(…)

k. vordering: het bedrag dat wordt teruggevorderd op grond van artikel 36 van de WW of het bedrag dat als boete is opgelegd.

(…)

m. aflossingscapaciteit: het deel van het inkomen van de schuldenaar dat met inachtneming van de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), kan worden aangewend voor betaling of verrekening van de vordering;

(…)

p. bijstandsnorm: de voor de schuldenaar op grond van de in Hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 en paragraaf 3.3, genoemde artikelen van de Wet werk en bijstand geldende bijstandsnorm;

(…).

Ingevolge artikel 475d, eerste lid, aanhef en onder b, ten 1°, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bedraagt de beslagvrije voet voor schuldenaren die kunnen worden aangemerkt als een alleenstaande en een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, onderdeel a en b, van de Wet werk en bijstand die 21 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar zijn indien het periodieke inkomen bij de beslaglegger bekend is:

90 procent van dat inkomen inclusief de vakantieaanspraak, doch ten minste 90 procent van de norm genoemd in artikel 21, onderdeel a en b, van de Wet werk en bijstand en ten hoogste 90 procent van die norm nadat deze eerst is verhoogd met het bedrag genoemd in artikel 25, tweede lid, van die wet.

Op grond van het vijfde lid van dit artikel - zoals dit van toepassing was tot 1 januari 2008 - wordt de beslagvrije voet verhoogd met:

a. de premie van een door de schuldenaar gesloten ziektekostenverzekering, telkens wanneer deze premie vervalt terwijl het beslag ligt;

b. de voor rekening van de schuldenaar komende woonkosten verminderd met ontvangen huurtoeslag of woonkostentoeslag, voor zover de woonkosten, na deze vermindering, meer bedragen dan het bedrag, genoemd in artikel 17, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag, met dien verstande dat de verhoging van de beslagvrije voet niet meer bedraagt dan het huurtoeslagbedrag waarop de schuldenaar, uitgaande van de laagste inkomenscategorie, krachtens artikel 21 van de Wet op de huurtoeslag ten hoogste aanspraak heeft.

Met ingang van 1 januari 2008 luidt het vijfde lid, aanhef en onder a, van artikel 475d van de Rv als volgt:

“De beslagvrije voet wordt verhoogd met de premie van een door de schuldenaar gesloten ziektekostenverzekering, verminderd met de normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, voor zover reeds begrepen in de bijstandsnorm zoals die voor de schuldenaar geldt ingevolge het eerste, tweede en vierde lid, en met de krachtens die wet ontvangen zorgtoeslag, telkens wanneer deze premie vervalt terwijl het beslag ligt.”

Bij besluit van 27 januari 2005 heeft verweerder de over de periode van 3 juni 2003 tot en met 19 september 2004 onverschuldigd betaalde uitkering krachtens de WW ad € 20.824,60 (bruto) van eiser teruggevorderd. Bij besluit van 11 april 2005 heeft verweerder het bedrag gecorrigeerd naar € 20.817,35 (bruto). Dit besluit is rechtens onaantastbaar geworden.

Over de jaren 2005 en 2006 bedroeg het aflossingsbedrag voor deze vordering € 50,- per maand.

Naar aanleiding van het op 7 mei 2007 door eiser desgevraagd ingevulde formulier ‘Opgave sociaalfinanciële omstandigheden’ heeft verweerder bij het primaire besluit het aflossingsbedrag voor de restantvordering van € 19.201,36 vastgesteld op € 300,- per maand.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gewijzigd in die zin dat de aflossingscapaciteit op € 250,- per maand vastgesteld. Hiertoe is - voor zover thans van belang - overwogen dat de tenuitvoerlegging van een besluit inzake de terugvordering zodanig geschiedt dat een belanghebbende over een inkomen blijft beschikken dat gelijk is aan de beslagvrije voet. De beslagvrije voet wordt verhoogd met de premie van een gesloten ziektekostenverzekering en met de woonkosten, verminderd met ontvangen huurtoeslag of woonkostentoeslag. Hangende de bezwaarschriftenprocedure heeft eiser een voorlopige aanslag 2006 overgelegd waaruit blijkt dat eiser € 664,- moet terugbetalen aan de belastingdienst. Gelet hierop is de aflossingstermijn onjuist vastgesteld. Verweerder heeft eisers netto-inkomen vastgesteld op € 1.228,99. Eiser heeft hiervan € 850,32 nodig voor eigen besteding. Het bedrag van de belastingdienst is opgeteld bij de overige schuldeisers. De rest van het bedrag dat eiser kan betalen bedraagt € 264,82. Op grond daarvan heeft verweerder de aflossingscapaciteit vastgesteld op € 250,-. Omdat de vordering is ontstaan als gevolg van overtreding van de inlichtingenplicht door eiser, gaat verweerder niet akkoord met het voorstel van eiser om per maand € 200,- af te lossen. Met betrekking tot de aflossing van overige schuldeisers meent verweerder dat daar bij de berekening van de aflossingscapaciteit rekening mee is gehouden.

Eiser stelt in beroep - samengevat - dat verweerder in het bestreden besluit is uitgegaan van het correcte inkomen en beslagvrije voet, maar dat de ziektekostenpremie en woonlasten niet correct zijn vastgesteld. Verweerder heeft alleen rekening gehouden met de aanvullende premie waar ingevolge de wet de beslagvrije voet met de hele ziektekostenpremie moet worden verhoogd. Met betrekking tot de woonlasten heeft verweerder geen rekening gehouden met de aanslag gemeentebelastingen en de aanslag van het waterschap. Ook is er geen rekening gehouden met de overige eigenaarslasten, waarbij aansluiting kan worden gezocht bij de alimentatieberekening. Bij de alimentatieberekening wordt rekening gehouden met een bedrag van € 95,- per maand. Eiser betaalt maandelijks € 206,70 aan de overige schuldeisers. Verweerder berekent de aflossingscapaciteit ten onrechte naar rato. Verweerder gaat er van uit dat hij recht heeft op een hoger aflossingsbedrag dan de overige schuldeisers. De overige schuldeisers houden daar echter geen rekening mee, zodat eiser dus een hoger bedrag aan verweerder en daarnaast een bedrag van € 206,70 aan de overige schuldeisers betaald, hetgeen meer is dan de aflossingscapaciteit.

De rechtbank overweegt het volgende.

Aan de orde is allereerst de vraag of verweerder de beslagvrije voet correct heeft vastgesteld door daarbij slechts de premie voor de aanvullende ziektekostenverzekering op te tellen en of het bijgetelde bedrag aan woonkosten correct is.

Ten aanzien van de verhoging van de beslagvrije voet met de woonkosten, zoals bedoeld in artikel 475d, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Rv heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht alleen de hypotheekrente, de verzekering en de bijdrage aan de vereniging van eigenaren betrokken bij de vaststelling van het bedrag van de woonlasten. Voor eisers grief dat ook andere eigenaarslasten betrokken dienen te worden bij de vaststelling van de woonlasten is geen steun te vinden in de wet of de jurisprudentie. Het gestelde dat voor de berekening van alimentatie wel rekening wordt gehouden met andere eigenaarslasten, leidt de rechtbank niet tot de conclusie dat met die lasten ook bij de vaststelling van de beslagvrije voet rekening gehouden dient te worden. Immers, het doel van beide berekeningen is verschillend, terwijl voorts met kosten als gemeentelijke belastingen en waterschapsbelasting, door de wetgever bij de bepaling van de hoogte van de beslagvrije voet reeds rekening is gehouden.

Met betrekking tot de premie van de door eiser afgesloten ziektekostenverzekering overweegt de rechtbank het volgende.

Per 1 januari 2006 is de Ziekenfondswet vervallen en is de Zorgverzekeringswet (hierna: ZVW) in werking getreden. Onder het regime van de Ziekenfondswet was de nominale premie in beginsel in de bijstandsnorm verdisconteerd als noodzakelijke kosten van het bestaan. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 juli 2001, LJN: AL3570, kon alleen de premie voor aanvullende ziektekostenverzekeringen leiden tot een verhoging van de beslagvrije voet.

Met de komst van de ZVW is de (financiële) verantwoordelijkheid voor het afsluiten van een ziektekostenverzekering bij de individuele burger gelegd. Hierbij geldt als uitgangspunt dat een ieder in staat wordt geacht een deel van de ziektekostenpremies zelf te kunnen voldoen uit het inkomen (de inkomensafhankelijke normpremie). Deze premie wordt ingehouden op het loon of de uitkering. Daarnaast betaalt men een nominale premie aan de zorgverzekeraar. In de Wet op de Zorgtoeslag is bepaald dat voor het verschil tussen de normpremie en het jaarlijks vastgestelde, gemiddelde nominale premiebedrag (de standaardpremie) compensatie kan worden verkregen in de vorm van een zorgtoeslag.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de invoering van de ZVW een nieuwe situatie gecreëerd. Dit heeft mede geleid tot de wijziging van artikel 475d, vijfde lid, aanhef en onder a, Rv met ingang van 1 januari 2008, zoals hiervoor is weergegeven. In deze nieuwe situatie ziet de rechtbank, anders dan verweerder, geen aanleiding om toepassing te blijven geven aan de jurisprudentie van de Raad, nu die ziet op de situatie zoals die was onder de Ziekenfondswet. Ook de wetgever lijkt dit standpunt te hebben ingenomen. De rechtbank wijst hiertoe op de toelichting bij de Nota van wijziging bij het wetsvoorstel (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005/06, 29 942, nr. 8). Hieruit blijkt dat de wetgever met deze wetswijziging heeft beoogd te voorkomen dat ziektekostenpremies meer dan één keer in aanmerking worden genomen bij vaststelling van de beslagvrije voet. Het voorstel corrigeert een onbedoeld gevolg van de nieuwe wetgeving (ZVW). Dit onbedoelde gevolg brengt mee dat na de invoering van het nieuwe zorgstelsel in beginsel tweemaal rekening wordt gehouden met de premie ziektekosten. In de eerste plaats doordat 90% van de bijstandsnorm niet vatbaar is voor beslag en dat in die bijstandsuitkering reeds de normafhankelijke premie verdisconteerd is. In de tweede plaats doordat op grond van de ten tijde hier in geding van kracht zijnde tekst van artikel 475d, vijfde lid aanhef en onder a, Rv de beslagvrije voet nog eens met de ziektekostenpremie zou moeten worden verhoogd. Dat zou volgens de toelichting neerkomen op een onbedoelde verhoging van de beslagvrije voet die ten koste gaat van de ruimte in het inkomen van de schuldenaar, beschikbaar voor aflossing, en die niet nodig is voor de premiebetaling. In de derde plaats zou toepassing van het huidige artikel 475d, vijfde lid, aanhef en onder a, Rv ertoe leiden dat schuldenaren tweemaal een bijdrage ontvangen voor betaling van de ziektekostenverzekering: eenmaal via de verhoging van de beslagvrije voet en eenmaal via de (beslagvrije) zorgtoeslag.

Nu de jurisprudentie van de Raad door de invoering van de ZVW niet langer van toepassing kan worden geacht, en de wetswijziging eerst in werking is getreden per 1 januari 2008, ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag hoe in de tussenliggende periode artikel 475d, vijfde lid, aanhef en onder a, Rv, dient te worden uitgelegd. Gelet op de hiervoor opgenomen overwegingen van de wetgever, waaruit volgt dat er sprake is van een onbedoeld gevolg van invoering van de ZVW, alsook de overwegingen die aan de jurisprudentie van de Raad onder de Ziekenfondswet ten grondslag lagen, is de rechtbank van oordeel dat in de tussenliggende periode geanticipeerd dient te worden op de tekst van artikel 475d, vijfde lid, aanhef en onder a, Rv, zoals dat luidt per 1 januari 2008. De rechtbank ziet zich hierin gesteund door het feit dat in de praktijk door de faillissementsrechter bij de berekening van het vrij te laten bedrag ook reeds geruime tijd de correctie wordt toegepast die in het nieuwe wetsartikel is vastgelegd (de methode van de werkgroep rechters-commissarissen in faillissementen van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak).

Reeds hierom is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding om te beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven of dat zij zelf in de zaak kan voorzien.

Ingevolge het per 1 januari 2008 in werking getreden artikel 475d, vijfde lid, aanhef en onder a, Rv moet in de onderhavige zaak van de totale door eiser te betalen premie per maand van € 102,20, het nominale deel van de ZVW-premie ad € 52,- (met ingang van 1 januari 2007) en de door eiser ontvangen zorgtoeslag van € 36,- in mindering worden gebracht. Het restant ad € 14,20 dient bij de beslagvrije voet te worden geteld. De beslagvrije voet ad € 779,22 plus de bijdrage in de ziektekosten ad € 14,20 en de woonlasten ad € 64,80 leveren dan een totaalbedrag op van € 858,22, hetgeen in mindering dient te worden gebracht op het inkomen van € 1.228,99. De aflossingscapaciteit bedraagt dan € 370,77, terwijl de aflossingscapaciteit naar rato van de overige schulden van eiser € 259,30 bedraagt. Dit bedrag is hoger dan het bedrag dat verweerder in het bestreden besluit heeft vastgesteld ter aflossing van de schuld. Dit geeft derhalve geen aanleiding tot verlaging van het door verweerder bij het bestreden besluit vastgestelde bedrag aan aflossingscapaciteit.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid het aflossingsbedrag naar rato van de overige schulden heeft kunnen vaststellen. Immers, hiermee wordt voorkomen dat eiser, door andere schulden te maken, minder van de schuld bij verweerder zou kunnen aflossen.

Gelet op het hiervoor overwogene heeft verweerder - weliswaar op onjuiste gronden - de aflossingscapaciteit van eiser terecht vastgesteld op € 250,- per maand. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten ma¬ken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op € 644,- aan kosten van door een derde be¬roeps¬matig verleende rechtsbijstand.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven,

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser het betaalde griffierecht van € 39,- vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 644,- en wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechts¬persoon die deze kosten aan eiser moet vergoeden.

Aldus gedaan door mr. M. Schoneveld, rechter, en door deze en J. van Mazijk, griffier, ondertekend.

De griffier: De rechter:

Uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2008.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: