Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BD6048

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
02-07-2008
Zaaknummer
247552 / HA ZA 05-2856
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

leidingschade; is eiser vorderingsgeechtigd; verjaring; onderzoeksplicht aannemer; informatieplicht leidingbeheerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 247552 / HA ZA 05-2856

Uitspraak: 28 mei 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de openbare rechtspersoon

DE GEMEENTE ROTTERDAM,

zetelend te Rotterdam,

eiseres,

procureur mr. R.W. van Harmelen,

advocaat mr. S.C. Borger te Rotterdam,

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RAVESTEYN KABEL & MONTAGEWERK B.V.,

gevestigd te Lopik,

gedaagde,

procureur mr. W.J. Hengeveld,

advocaat mr. L.M. Ebbekink te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als "de Gemeente" respectievelijk "Ravesteyn".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 26 september 2005, met producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 15 februari 2006, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- faxbericht van mr. Van Harmelen d.d. 23 oktober 2006, met bijlage;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 25 oktober 2006;

- conclusie van repliek, met producties;

- conclusie van dupliek, met productie.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 Ravesteyn heeft van Volker Wessels Netwerk Bouw opdracht gekregen om een zogenaamde telecomroute aan te leggen.

In het kader van deze opdracht dienden twee mantelbuizen met ieder een diameter van

200 mm aangelegd te worden onder het wegdek op de hoek van de Goereesestraat/Pleinweg te Rotterdam.

2.2 Op 17 augustus 1999 is bij het uitvoeren van boorwerkzaamheden een aan de Gemeente in eigendom toebehorende persleiding beschadigd.

2.3 Bij brief van 19 augustus 1999 is Ravesteyn door Gemeentewerken Rotterdam aansprakelijk gesteld voor de schade die op 17 augustus 1999 is ontstaan aan de persleiding als gevolg van de door Ravesteyn uitgevoerde boorwerkzaamheden. Bij brief van 2 augustus 2000 heeft Gemeentewerken Rotterdam aanspraak gemaakt op vergoeding van die schade.

2.4 Amev, de aansprakelijkheidsverzekeraar van Ravesteyn, heeft bij brief van 25 juni 2002 aansprakelijkheid van de hand gewezen. Bij brief van 14 augustus 2002 aan Amev heeft Gemeentewerken Rotterdam Amev bericht dat zij aansprakelijkstelling handhaaft. Op deze brief heeft Amev gereageerd bij brief van 18 februari 2003.

3 De vordering

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Ravesteyn te veroordelen tot het betalen van een bedrag van € 93.952,42, met rente en kosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft de Gemeente aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 Ravesteyn heeft jegens de Gemeente onrechtmatig gehandeld door bij het uitvoeren van de boorwerkzaamheden niet de noodzakelijke zorgvuldigheid in acht te nemen. Ravesteyn heeft geen onderzoek verricht naar de exacte (diepte)ligging van de persleiding en heeft bij het boren geen risicomarge met betrekking tot de diepte van de boring ingecalculeerd. Mitsdien is Ravesteyn aansprakelijk voor de schade die op 17 augustus 1999 is ontstaan aan de persleiding als gevolg van de door Ravesteyn uitgevoerde boorwerkzaamheden.

3.2 De schade ziet op – kort gezegd – herstelkosten, bedraagt in totaal een bedrag van

€ 93.952,42 en bestaat uit de navolgende posten:

- Engineering (voorbereiding + uitvoering) NLG 29.040,00

- Bouwsom:

* A. Hak NLG 127.000,00

* materiaalkosten Eternit/ophoogzand NLG 6.218,00

* Roteb NLG 5.274,00

* stortkosten grondbank NLG 931,50

* ongezuiverde lozing op Nieuwe Maas NLG 9.530,00

- 17,5% BTW over totale bouwsom (NLG 148.953,50) NLG 26.066,85

- Opname-/behandelingskosten NLG 5.339,82

-------------------- +

NLG 209.400,17 (€ 93.952,42)

3.3 De Gemeente maakt tevens aanspraak op de wettelijke rente vanaf 17 augustus 1999 en voorts op vergoeding van de door haar gemaakte buitengerechtelijke kosten, conform rapport Voorwerk II begroot op € 1.788,00.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de Gemeente in haar vordering, althans afwijzing daarvan, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van de Gemeente in de kosten van het geding.

Ravesteyn heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 Gemeentewerken Rotterdam heeft Ravesteyn aansprakelijk gesteld en heeft de diverse facturen verband houdende met het herstel van de persleiding betaald. Gemeentewerken Rotterdam is een naamloze vennootschap waarvan de Gemeente enig aandeelhouder is. De Gemeente en Gemeentewerken Rotterdam zijn aparte juridische entiteiten. De Gemeente is dan ook niet vorderingsgerechtigd en moet mitsdien niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

4.2 De vordering is verjaard, nu sinds de schadedatum (17 augustus 1999) meer dan vijf jaren zijn verstreken.

4.3 Betwist wordt dat van enig onrechtmatig handelen van de zijde van Ravesteyn sprake is. Het Leidingenbureau heeft toestemming verleend voor het aanleggen van de mantelbuizen door middel van een gestuurde boring. Zowel voorafgaand aan als ten tijde van de boorwerkzaamheden is Ravesteyn zorgvuldig te werk gegaan. Mitsdien is Ravesteyn niet aansprakelijk voor de schade die op 17 augustus 1999 is ontstaan aan de persleiding als gevolg van de door Ravesteyn uitgevoerde boorwerkzaamheden.

4.4 Betwist wordt voorts de omvang van de schade en de verschuldigdheid van BTW.

4.5 Ten slotte wordt betwist dat de Gemeente vanaf 17 augustus 1999 aanspraak kan maken op wettelijke rente en dat zij buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt, althans dat deze redelijk zijn.

5 De beoordeling

5.1 De vordering van de Gemeente heeft betrekking op – kort gezegd – de aansprakelijkheid van een aannemer op grond van onrechtmatige daad voor schade aan in de grond aanwezige kabels en/of leidingen als gevolg van door die aannemer uitgevoerde werkzaamheden.

5.2 Ravesteyn heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de Gemeente niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, omdat zij niet vorderingsgerechtigd is. Daartoe heeft Ravesteyn aangevoerd dat de Gemeente en Gemeentewerken Rotterdam aparte juridische entiteiten zijn. De Gemeente heeft daar tegenover aangevoerd dat de Gemeente wel degelijk vorderingsgerechtigd is. Gemeentewerken Rotterdam is slechts een ambtelijke dienst die deel uitmaakt van de Gemeente, aldus de Gemeente.

5.3 Vast staat dat de persleiding in eigendom toebehoort aan de Gemeente. Reeds uit dien hoofde is de Gemeente gerechtigd vergoeding van de schade te vorderen die op 17 augustus 1999 is ontstaan aan de persleiding als gevolg van de door Ravesteyn uitgevoerde boorwerkzaamheden.

Uit het als productie 7 bij conclusie van repliek in het geding gebrachte organogram van de Gemeente – dat op zichzelf niet door Ravesteyn is weersproken – blijkt dat Gemeentewerken Rotterdam een ambtelijke dienst van de Gemeente is. Ook als tevens sprake is van een naamloze vennootschap Gemeentewerken Rotterdam, als aparte rechtspersoon, doet dat feit, ook in combinatie met de omstandigheid dat Gemeentewerken Rotterdam Ravesteyn aansprakelijk heeft gesteld en de diverse facturen verband houdende met het herstel van de persleiding heeft betaald – en mitsdien de schade (vooralsnog) heeft gedragen –, niet af aan het vorderingsrecht van de Gemeente. Zulks is hooguit relevant in het kader van de niet in dit geding aan de orde zijnde vraag of Gemeentewerken Rotterdam een recht van regres heeft op de Gemeente. De Gemeente is dan ook ontvankelijk in haar vordering.

5.4 Subsidiair heeft Ravesteyn zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de Gemeente is verjaard, nu tussen de schadedatum (17 augustus 1999) en het moment van dagvaarden meer dan vijf jaren zijn verstreken. De Gemeente heeft daar tegenover aangevoerd dat zij de verjaring van de vordering op Ravesteyn heeft gestuit door middel van de brief d.d. 9 juni 2004 van Gemeentewerken Rotterdam aan Amev (bijlage bij het faxbericht van mr. Van Harmelen d.d. 23 oktober 2006).

5.5 De vordering van de Gemeente betreft een vordering tot schadevergoeding. Op grond van artikel 3:310 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Op grond van artikel 3:317 lid 1 BW wordt de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis – waaronder ook de vordering tot vergoeding van schade moet worden begrepen – gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Tussen partijen is niet in geschil dat de brief d.d. 9 juni 2004 van Gemeentewerken Rotterdam aan Amev voor wat betreft de inhoud als een zodanige aanmaning c.q. mededeling kan worden aangemerkt. In geschil is of deze aanmaning c.q. mededeling stuiting van de verjaring tot gevolg heeft gehad, nu deze is verzonden door Gemeentewerken Rotterdam en niet is gericht aan Ravesteyn zelf, maar aan haar verzekeraar, Amev.

5.6 In de brief van 9 juni 2004 van Gemeentewerken Rotterdam aan Amev wordt verwezen naar de schade waarvan thans door de Gemeente vergoeding wordt gevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank moet Gemeentewerken Rotterdam – mede gelet op hetgeen onder 5.3 is overwogen – , als zij al een zelfstandige entiteit is, in elk geval worden beschouwd als vertegenwoordiger van de Gemeente. Gesteld noch gebleken is dat Gemeentewerken Rotterdam tot een dergelijke vertegenwoordiging niet bevoegd was. De brief van 9 juni 2004 van Gemeentewerken Rotterdam heeft dan ook te gelden als het verrichten van een op rechtsgevolg gerichte handeling in naam van de Gemeente als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW.

5.7 Uit de onder 2.4 bedoelde brief d.d. 25 juni 2002 begrijpt de rechtbank dat Ravesteyn de aansprakelijkstelling van Gemeentewerken Rotterdam aan haar verzekeraar heeft doorgestuurd ter verdere behandeling. Weliswaar is gesteld noch gebleken dat Ravesteyn zulks uitdrukkelijk aan Gemeentewerken Rotterdam heeft meegedeeld, maar het enkele doorsturen van een aansprakelijkstelling kan in een geval als dit reeds worden aangemerkt als een gedraging op grond waarvan Gemeentewerken Rotterdam redelijkerwijze heeft mogen aannemen dat Ravesteyn haar verzekeraar had gemachtigd om de zaak verder te behandelen. Dat geldt te meer omdat Ravesteyn zelf jegens Gemeentewerken Rotterdam niet meer op de zaak is teruggekomen en omdat uit de verdere correspondentie blijkt, dat Gemeentewerken Rotterdam (als vertegenwoordiger van de Gemeente) dat zo ook heeft opgevat. Bij dit oordeel speelt voorts een rol dat de gang van zaken waarbij aansprakelijkheidsverzekeraars schadeclaims afhandelen zonder dat de verzekerde zelf daarbij nog betrokken is, alleszins gebruikelijk is.

5.8 Het bovenstaande brengt mee dat de verjaring van de vordering op Ravesteyn kon worden gestuit door middel van de brief d.d. 9 juni 2004 van Gemeentewerken Rotterdam aan Amev en dat deze brief de lopende verjaring (ingaand op 17 augustus 1999 en voltooid op 17 augustus 2004) heeft gestuit, in die zin dat een nieuwe termijn van vijf jaren is gaan lopen die op 21 juni 2009 zou zijn voltooid. Binnen die lopende verjaringstermijn is op 26 september 2005 gedagvaard, waardoor stuiting als bedoeld in artikel 3:316 lid 1 BW heeft plaatsgevonden en artikel 3:324 BW van toepassing is. Het beroep op verjaring faalt derhalve.

5.9 Dit brengt de rechtbank bij de inhoudelijke beoordeling van de vordering. Beoordeeld dient te worden of Ravesteyn aansprakelijk is voor de schade die op 17 augustus 1999 is ontstaan aan de persleiding als gevolg van de door Ravesteyn uitgevoerde boorwerkzaamheden.

5.10 Tussen partijen is niet in geschil dat Ravesteyn in dit geval in redelijkheid bedacht diende te zijn op de aanwezigheid van kabels of leidingen in de bodem ter plaatse van de voorgenomen boorwerkzaamheden, zodat op haar een onderzoeksplicht rustte met betrekking tot de ligging van die kabels of leidingen. Op de kabel- en leidingbeheerders (tot wie in dit geval de Gemeente behoort) rust een informatieplicht. Zij dienen de aannemer te voorzien van relevante informatie omtrent eventueel ter plaatse aanwezige kabels of leidingen. Hieruit volgt dat de aansprakelijkheid van Ravesteyn wordt bepaald door de omvang van haar onderzoeksplicht in het licht van de aan haar verstrekte informatie.

5.11 Partijen twisten over de vraag of Ravesteyn heeft voldaan aan de op haar rustende onderzoeks- c.q. zorgplicht. Met betrekking tot de vraag of Ravesteyn heeft voldaan aan de op haar rustende onderzoeksplicht is beslissend of Ravesteyn – met het oog op de belangen van derden (in dit geval de Gemeente) – al hetgeen redelijkerwijs van haar gevergd kon worden en mogelijk was heeft gedaan om alle ter plekke aanwezige kabels of leidingen gelokaliseerd te hebben op het moment waarop zij met de boorwerkzaamheden zou gaan beginnen.

5.12 Tussen partijen is niet in geschil dat Ravesteyn beschikte over een tekening (de zogenoemde leidingenverzamelkaart) van het Leidingenbureau van Gemeentewerken Rotterdam waarop de ligging van de persleiding in het geplande werktracé was aangegeven.

Vast staat ook, dat op die kaart niet te zien is hoe diep de persleiding lag.

De Gemeente heeft betoogd dat Ravesteyn heeft nagelaten de exacte (diepte)ligging van de persleiding te onderzoeken en dat met name daarin een niet-voldoen aan de op Ravesteyn rustende zorgplicht is gelegen. De Gemeente heeft voorts betoogd dat Ravesteyn bij de uitvoering van de boorwerkzaamheden geen, althans onvoldoende risicomarge met betrekking tot de diepte van de boring heeft ingecalculeerd. Ravesteyn betwist niet dat zij gehouden was te proberen vast te stellen hoe diep de persleiding lag, maar heeft aangevoerd dat er voor haar – naast het openbreken van de weg, waarvoor (naar als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken vast staat) de Gemeente geen toestemming gaf – geen mogelijkheid bestond om de exacte (diepte)ligging van de persleiding te onderzoeken en dat zij – gelet op de gebruikelijke diepteligging van een persleiding – bij het boren een meer dan voldoende veilige marge met betrekking tot de diepte van de boring heeft aangehouden. Als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken staat vast dat bij de boring een diepte is aangehouden van 2.50 à 3.00 meter.

5.13 De rechtbank overweegt dat zij behoefte heeft aan voorlichting door een deskundige op voormelde punten. Het komt de rechtbank geraden voor aan de deskundige vragen in de volgende lijn voor te leggen:

• Zijn/is er – naast het openbreken van de weg – (een) mogelijkhe(i)d(en) om de exacte (diepte)ligging van de onderhavige persleiding vast te stellen, en zo ja, welke? Hoe gebruikelijk is/zijn deze? Zijn daaraan bezwaren verbonden, en zo ja, welke?

• Wat is de gebruikelijke diepteligging van een persleiding?

• Welke marge met betrekking tot de diepte van de boring is, afgezet tegen de diepteligging van een persleiding, bij een gestuurde boring veilig?

5.14 Indien na deskundigenonderzoek komt vast te staan dat er voor Ravesteyn – naast het openbreken van de weg – een reële mogelijkheid bestond om de exacte (diepte)ligging van de persleiding te onderzoeken, dan wel (subsidiair) dat Ravesteyn bij het boren onvoldoende risicomarge met betrekking tot de diepte van de boring heeft aangehouden, heeft Ravesteyn – voordat zij overging tot de boorwerkzaamheden respectievelijk bij de uitvoering van de boorwerkzaamheden – niet al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was en van haar verwacht kon worden gedaan teneinde beschadiging van de persleiding te voorkomen. In dat geval is Ravesteyn tekortgeschoten in de op haar rustende onderzoeks- c.q. zorgplicht en mitsdien aansprakelijk voor de schade die op 17 augustus 1999 is ontstaan aan de persleiding als gevolg van de door haar uitgevoerde boorwerkzaamheden.

Dat is anders indien, zoals Ravesteyn heeft gesteld, het Leidingenbureau van Gemeentewerken Rotterdam (als vertegenwoordiger van de Gemeente) uitdrukkelijk heeft ingestemd met de (wijze van) uitvoering van de boorwerkzaamheden zoals deze thans is geschied. Als dat komt vast te staan, kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat Ravesteyn nog zelfstandig onderzoek had behoren te verrichten om aan de op haar onderzoeksplicht te voldoen dan wel dat Ravesteyn de boorwerkzaamheden anders had behoren uit te voeren om aan de op haar rustende zorgplicht te voldoen.

5.15 Gelet op het belang, dat een eventueel uitdrukkelijk namens de Gemeente gegeven instemming met de (wijze van) uitvoering van de boorwerkzaamheden zoals deze thans is geschied voor het disculpatieverweer van Ravesteyn heeft, en tevens gelet op de omstandigheid, dat de Gemeente gemotiveerd heeft betwist, dat van een dergelijke instemming sprake is geweest, zal de rechtbank Ravesteyn, conform haar bewijsaanbod, eerst toelaten tot het bewijs van haar desbetreffende stelling, in voege als na te melden.

5.16 Partijen zullen zich bij conclusie na enquête kunnen uitlaten over de persoon van de deskundige en over de aan deze te stellen vragen. Het verdient de voorkeur indien partijen over de persoon van de deskundige overeenstemming kunnen bereiken.

5.17 Indien na bewijslevering en deskundigenonderzoek komt vast te staan dat Ravesteyn tekortgeschoten is in de op haar rustende onderzoeks- c.q. zorgplicht, moet worden vastgesteld of er causaal verband bestaat tussen het achterwege laten van (zelfstandig) onderzoek c.q. het op onzorgvuldige wijze uitvoeren van de boorwerkzaamheden en de door de Gemeente geleden schade.

5.18 Ravesteyn heeft gesteld dat de persleiding beschadigd is geraakt op de plaats waar deze een neerwaartse knik van 45 graden maakte, dat deze knik niet op de tekening was ingetekend en dat de Gemeente Ravesteyn daarop ook niet op andere wijze heeft geattendeerd. De rechtbank begrijpt deze stellingen van Ravesteyn aldus, dat zij daarmee bedoeld heeft zich te verweren tegen de aanspraak van de Gemeente door er op te wijzen dat de Gemeente is tekort geschoten in de op haar als leidingbeheerder rustende informatieplicht en dat de schade – geheel of gedeeltelijk – daardoor is veroorzaakt.

5.19 De Gemeente heeft niet weersproken dat de persleiding beschadigd is geraakt op de plaats waar deze een neerwaartse knik van 45 graden maakte, dat deze knik niet op de tekening was ingetekend en dat zij Ravesteyn daarop ook niet op andere wijze heeft geattendeerd. Volgens de Gemeente betekent dit echter niet dat Ravesteyn van haar aansprakelijkheid is ontheven, aangezien op Ravesteyn de (zelfstandige) verplichting rustte om de exacte (diepte)ligging van de persleiding te onderzoeken. Hieromtrent geldt het volgende.

5.20 In het kader van de op haar rustende informatieplicht diende de Gemeente adequate informatie over de persleiding aan Ravesteyn te verstrekken. In die verplichting is de Gemeente tekortgeschoten. Immers, ondanks dat de Gemeente wist dat de leggingsdiepte van de persleiding op een bepaald punt in het tracé afweek, heeft zij daarover geen informatie verschaft aan Ravesteyn. Het enkele feit dat op Ravesteyn een (zelfstandige) onderzoeksplicht rust, ontslaat de Gemeente niet van haar plicht om adequate informatie over de persleiding aan Ravesteyn te verstrekken. Zoals uit r.o. 5.10 reeds blijkt, staat de informatieplicht van de Gemeente voorop. Ravesteyn mocht uitgaan van de juistheid en volledigheid van de haar verstrekte informatie, behalve als, zoals ten aanzien van de diepteligging, uit die informatie zelf blijkt dat zij niet volledig is dan wel het een aspect betreft waarmee de Gemeente haar bekend mocht veronderstellen.

Als zou blijken dat de schade (deels) toch zou zijn opgetreden, ook als er een onderzoeksmogelijkheid als hiervoor bedoeld door Ravesteyn onbenut gelaten zou zijn, vanwege de hier bedoelde knik zal de vordering op die grond (deels) worden afgewezen. Het ligt in de rede dat ook hierover een vraag aan de deskundige wordt voorgelegd. Partijen wordt dan ook verzocht dit aspect te belichten in hun uitlatingen als onder 5.16 bedoeld.

5.21 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

draagt Ravesteyn op het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat het Leidingenbureau van Gemeentewerken Rotterdam heeft ingestemd met de (wijze van) uitvoering van de boorwerkzaamheden zoals deze thans is geschied;

bepaalt dat indien Ravesteyn dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter

mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten;

bepaalt dat de procureur van Ravesteyn binnen twee weken na vonnisdatum aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan haar zijde in de maanden juni, juli, augustus en september 2008 en dat de procureur van de Gemeente binnen dezelfde periode opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan haar zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten.

Uitgesproken in het openbaar.

801/106