Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BD5537

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
26-06-2008
Zaaknummer
245959/HA ZA 05-2620
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering vervoerder op zijn stuwadoor wegens het afgeven van containers aan onbevoegden; Belgisch recht; toepasselijkheid algemene voorwaarden met exoneratiebeding; causaal verband/overmacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2010, 46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 245959/HA ZA 05-2620

Uitspraak: 21 mei 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.G. FREIGHT LINE B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

procureur mr W.M. van Rossenberg,

advocaat mr A.D. Huisman,

- tegen -

de rechtspersoon naar het recht van de plaats van vestiging SEAPORT TERMINALS N.V.,

gevestigd te Antwerpen, België,

gedaagde,

procureur en advocaat mr R.W.J.M. te Pas.

Partijen worden hierna aangeduid als "B.G. Freight" respectievelijk "Seaport".

1. Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 12 augustus 2005;

- vonnis d.d. 30 augustus 2006 in het onbevoegdheidsincident en de daaraan ten grondslag

liggende stukken;

- vonnis d.d. 4 april 2007, waarbij het verzoek van Seaport tot het toestaan van tussentijds

hoger beroep is afgewezen;

- conclusie van antwoord, met producties;

- conclusie van repliek, met producties;

- conclusie van dupliek, met producties;

- akte tot rectificatie van Seaport.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1

Op of omstreeks 3 september 2004 heeft B.G. Freight opdracht ontvangen tot het vervoer van twee geladen containers (BGFU 960024/6 en BGFU 960038/0) eerst over zee van Grangemouth, Schotland, Verenigd Koninkrijk, naar Antwerpen, België en vervolgens over de weg naar Gennevilliers, Frankrijk.

2.2

B.G. Freight of haar agent heeft voor dit vervoer een cognossement afgegeven, gedateerd te Grangemouth op 11 september 2004. Daarop was Willliam Grant & Sons Distillers Limited (hierna: Grant Distillers) vermeld als shipper en William Grant & Sons International Limited (hierna: Grant International) c/o Bacardi Martini France S.A. (hierna: Bacardi) als met name genoemde consignee.

2.3

De containers zijn met het ms. Novitas H naar Antwerpen vervoerd, waar deze op of omstreeks 13 september 2004 zijn gelost op het terrein van Seaport. De containers zijn vervolgens door Seaport afgegeven aan personen die niet tot inontvangstneming bevoegd waren en die de inhoud van de containers hebben gestolen. Slechts een klein deel daarvan is teruggevonden.

2.4

Grant Distillers, Grant International, Bacardi en Royal & Sun Alliance Insurance Plc (de laatste hierna: Royal) hebben bij dagvaarding van 13 juni 2005 voor deze rechtbank een procedure aanhangig gemaakt tegen B.G. Freight alsmede tegen Seaport Terminals N.V., van welke vennootschap de naam nadien kennelijk is gewijzigd in N.V. Katoennatie Terminals en welke vennootschap kennelijk dezelfde is als gedaagde Seaport in de onderhavige zaak.

In deze procedure onder zaak-/rolnummer 245829/HA ZA 05-2595 (hierna: de hoofdzaak) hebben de eisers (hierna: Grant c.s.) gevorderd B.G. Freight en Seaport te veroordelen tot betaling van € 612.420,78 met rente en kosten. Aan deze vordering heeft Grant c.s. - kort samengevat - ten grondslag gelegd (1) dat de schade door het verlies van de lading in de containers, bestaande uit dozen met whisky, € 227.960,22 bedroeg wegens het verloren gaan van de lading en € 384.460,56 wegens accijnzen en invoerrechten, (2) dat B.G. Freight als vervoerder en/of uit onrechtmatige daad jegens Grant Distillers en Grant International aansprakelijk is voor de schade en dat Seaport uit onrechtmatige daad aansprakelijk is en

(3) dat Royal is gesubrogeerd in de rechten van Grant Distillers en Grant International, terwijl de vordering mede wordt ingesteld door Bacardi voor zover deze (mede) als vorderingsgerechtigde zou moeten worden aangemerkt.

3. De vordering

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en gelijktijdig met het in de hoofdzaak gewezen vonnis, Seaport te veroordelen om aan B.G. Freight te betalen al datgene waartoe B.G. Freight in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, althans tot schadevergoeding nader op te maken bij staat, met veroordeling van Seaport in de kosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft B.G. Freight aan de vordering - kort en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd:

3.1

Indien de stelling van Grant c.s. in de hoofdzaak, dat Seaport de containers heeft afgegeven zonder de identiteit van de onbevoegden die de containers meenamen vast te stellen en zonder de afgifte behoorlijk te registreren, juist wordt bevonden, is Seaport toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens B.G. Freight. Voorts heeft Grant c.s. gesteld dat Seaport bij de uitvoering van de met B.G. Freight gesloten overeenkomst ten aanzien van de beveiliging zodanig is tekort geschoten dat haar handelen als onrechtmatig dient te worden aangemerkt.

3.2

Indien zou komen vast te staan dat B.G. Freight jegens Grant c.s. voor de schade aansprakelijk is, is Seaport op grond van de contractuele relatie en/of op grond van onrechtmatige daad gehouden B.G. Freight te vrijwaren en haar te vergoeden al hetgeen B.G. Freight verschuldigd mocht blijken te zijn.

4. Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, althans tot afwijzing voor zover deze de contractueel overeengekomen beperkingen overschrijden, met veroordeling van B.G. Freight in de kosten van het geding.

Seaport heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1

Op de tussen partijen gesloten overeenkomst zijn de KVBG/ABAS-condities van toepassing. Ingevolge art. 7 daarvan is Seaport van alle aansprakelijkheid ontheven in geval van diefstal of overmacht. In ieder geval is ingevolge art. 3 de aansprakelijkheid van Seaport beperkt tot € 2.500.

4.2

Seaport kan zich beroepen op overmacht. Seaport heeft zich aan de instructies gehouden en hoefde geen rekening te houden met de werkwijze van de professioneel opererende criminele organisatie. Zij heeft de diefstal redelijkerwijs niet kunnen vermijden en heeft de gevolgen daarvan niet kunnen voorzien.

5. De beoordeling

5.1

De onderhavige vordering in vrijwaring is alleen van belang indien B.G. Freight in de hoofdzaak wordt veroordeeld tot het aan Grant c.s. betalen van schadevergoeding wegens het verdwijnen van de lading uit de twee containers.

Bij vonnis van heden in de hoofdzaak wordt B.G. Freight veroordeeld om aan Royal te betalen SDR 99.074,- met rente en kosten. Derhalve is voldaan aan juistbedoelde voorwaarde voor de vordering tot vrijwaring.

5.2

De rechtsverhouding van partijen wordt beheerst door Belgisch recht. De vordering van B.G. Freight is primair gebaseerd op de contractuele verplichtingen van Seaport tegenover B.G. Freight. Afgezien van een rechtskeuze in de ABAS/KVBG (vgl. art. 15), volgt toepasselijkheid van Belgisch op de contractuele verhouding uit art. 4 EVO, nu Seaport degene was die de karakteristieke prestatie diende te verrichten. Een eventuele onrechtmatige daad vond plaats in België, zodat ook daarop Belgisch recht moet worden toegepast.

5.3

Seaport beroept zich op de toepasselijkheid van de ABAS/KVBG op grond van een overgelegd "Stevedoring and Terminal Contract" dat op 27 juni 2000 tussen partijen was gesloten. Niet omstreden is dat in dit contract was bepaald dat de ABAS/KVBG op iedere opdracht aan Seaport van toepassing zouden zijn.

5.4

In de aanhef van dit contract staat:"This contract is binding for both parties from 01.06.2000 till 31.08.2000. Thereafter the contract is extended automatically for a period of 12 consecutive months, unless registered written notice of cancellation is given by either party one month before expiry date. Thereafter the contract will be automatically renewed for a further period of 12 consecutive months unless written notice of cancellation is given by either party 6 months before expiry date."

5.5

Deze bepaling houdt in dat het contract eerst een looptijd zou hebben van 3 maanden, daarna - behoudens opzegging - van de volgende 12 maanden en daarna - behoudens opzegging - van nog eens 12 maanden. Afgezien van opzegging zou het contract derhalve een looptijd hebben van 27 maanden, tot 31 augustus 2002.

5.6

Seaport stelt dat partijen ook na deze periode op dezelfde voet zijn verder gegaan, waarbij dit contract als basis heeft gediend voor de werkzaamheden, zodat dient te worden aangenomen dat het de bedoeling van de partijen is geweest om ook na deze periode het contract steeds met 12 maanden stilzwijgend te verlengen, temeer daar slechts de tarieven steeds jaarlijks werden aangepast.

Kennelijk wordt een en ander door B.G. Freight betwist. De bewijslast dat de ABAS/KVBG in september 2004 krachtens deze gemeenschappelijke bedoeling van de partijen van toepassing waren rust op Seaport.

Andere gronden voor toepasselijkheid van deze algemene voorwaarden zijn niet gesteld. In het bijzonder zijn geen andere contracten overgelegd dan het contract van 27 juni 2000, noch is daaromtrent - en omtrent een verwijzing daarin naar die voorwaarden - iets concreet gesteld.

5.7

In art. 2.1 van het "Stevedoring and Terminal Contract" staat dat de ABAS/KVBG "are hereby attached and form part of this contract". Weliswaar voert B.G. Freight aan dat niet is gesteld of gebleken dat deze condities aan dit contract waren gehecht en dat op Seaport het bewijs daarvan rust, doch de rechtbank gaat hieraan voorbij, nu in het door partijen ondertekende contract zelf staat dat de condities zijn aangehecht en nu B.G. Freight niet stelt dat dit niet het geval was, dat zij deze condities niet kent en dat zij daarvan geen kennis heeft genomen, noch de mogelijkheid heeft gehad er redelijkerwijs kennis van te nemen.

5.8

Indien mocht blijken dat de ABAS/KVBG in september 2004 tussen partijen van toepassing waren, geldt dat in art. 7 daarvan is bepaald dat de opdrachtnemer (Seaport) is ontheven van elke aansprakelijkheid in geval van overmacht of diefstal.

B.G. Freight bestrijdt kennelijk niet dat hier sprake is geweest van diefstal zoals bedoeld in deze bepaling (vgl. repliek onder 4 en 9). B.G. Freight voert wel aan dat, gelet op het ernstig tekortschieten van Seaport, aan haar geen beroep toekomt op de voorwaarden die haar aansprakelijkheid beperken of uitsluiten. Blijkbaar wil B.G. Freight een beroep doen op de tegenhanger in het Belgische recht van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.

5.9

De rechtbank behoeft nadere informatie van partijen over de vereisten die naar Belgisch recht worden gesteld aan de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (goede trouw). Daarbij lijkt van belang dat het door Seaport niet naleven van de instructie om bij afgifte van containers de pincode te controleren op zichzelf niet betekent dat bij Seaport of haar ondergeschikten sprake was van opzet tot of grove schuld aan de diefstal. Dat daarvan sprake was is door B.G. Freight ook niet gesteld, noch is dit gebleken.

5.10

Indien de ABAS/KVBG niet toepasselijk zijn, moet eerst worden onderzocht of sprake is geweest van een tekortkoming van Seaport waarvan de schade het gevolg is geweest en - indien dit het geval was - vervolgens of Seaport niet aansprakelijk is wegens overmacht.

Van het eerste rust de bewijslast op B.G. Freight, van het tweede rust deze op Seaport.

5.11

Bij de beoordeling van de hiervoor bedoelde stellingen zijn de navolgende feiten en omstandigheden van belang, zoals deze kunnen worden afgeleid uit de stellingen van partijen, de overgelegde conclusie van repliek van Grant c.s. jegens Seaport in de hoofdzaak, het expertiserapport van Clark Woodward Hungate & Co en de overgelegde stukken uit een strafrechtelijke procedure in België.

(1) B.G. Freight had zich verbonden tot het vervoer van de twee containers over zee naar Antwerpen en vervolgens over de weg naar Gennevilliers. B.G. Freight heeft Seaport aangesteld om de containers in Antwerpen te lossen uit het zeeschip en deze op te slaan in afwachting van het wegtransport.

(2) B.G. Freight had in verband met dit wegtransport BVBA ACB Agencies ingeschakeld, die het wegvervoer heeft uitbesteed aan Graanhandel Natie N.V., die vervolgens voor het vervoer opdracht heeft gegeven aan BVBA DAG-Trans.

(3) Om te voorkomen dat in Antwerpen door onbevoegden containers in ontvangst zouden kunnen worden genomen, werden aan containers die in Schotland werden ingeladen zogenaamde job-numbers (pincodes) toegekend. B.G. Freight instrueerde Seaport om een container slechts dan aan een wegvervoerder vrij te geven, indien deze zich meldde met zowel het containernummer als de betreffende pincode. In dat systeem werden door

B.G. Freight zowel aan Seaport als (via ACB Agencies) aan de vervoerder aan wie de opdracht tot het wegvervoer was verstrekt het containernummer en de bijbehorende pincode doorgegeven.

(4) Dit systeem is ook in dit geval gevolgd: de containernummers en de bijbehorende pincodes alsmede de inhoud van de containers (kisten whisky) zijn doorgegeven aan Graanhandel Natie. Op 13 september 2004 gaf ACB Agencies namens B.G. Freight de containernummers en bijbehorende pincodes door aan het checkpoint van Seaport, teneinde deze vrij te stellen onder die containernummers en pincodes.

(5) Een chauffeur van een wegvervoerder die zich bij het checkpoint Gate 3 van Seaport meldde voor het ophalen van een container moest een 'scheurbriefje' invullen met het containernummer, het kenteken van de trekker (of het containerchassis) en de naam van het vervoerbedrijf.

(6) Op de avond van 14 september 2004 zijn de twee containers achtereenvolgens bij Seaport opgehaald door een chauffeur die opgaf te werken voor CJ Trans (er zouden zich bij de poort tweemaal dezelfde twee personen hebben gemeld); beide keren werd hetzelfde kenteken van het voertuig opgegeven; dat kenteken behoorde bij een voertuig van CJ Trans, dat op dat moment op het afgesloten bedrijfsterrein van CJ Trans geparkeerd stond;

CJ Trans werd veelvuldig door Graanhandel Natie ingeschakeld voor het ophalen van containers bij Seaport en het vervoer naar een eindbestemming.

(7) De door de chauffeur opgegeven gegevens zijn bij de poort ingevoerd in het computersysteem van Seaport en doorgegeven aan een voertuig ('stradler') op de terminal waarmee de betreffende containers uit de stack werden opgehaald en op de containerchassis werden geplaatst; na de belading reed de chauffeur weer naar de poort waar hij een interchange-formulier ontving, alsmede douanedocumenten; daarna kon de chauffeur met de containers wegrijden.

(8) Op 15 september 2004 heeft Graanhandel Natie aan DAG Trans opdracht gegeven tot het afhalen van de twee containers, met opgave van containernummers en pincodes; toen chauffeurs van DAG Trans zich (op de avond van 15 september 2004) bij Seaport meldden, bleken de containers al voordien te zijn afgehaald.

(9) De betreffende diefstallen zijn gepleegd door verschillende personen in vereniging, onder wie een ondergeschikte van Graanhandel Natie, die uit hoofde van zijn functie als logistiek planner/'dispatcher' toegang kon verkrijgen tot de informatie die B.G. Freight aan Graanhandel Natie had verstrekt voor het afhalen van de containers; de Belgische strafrechter heeft geoordeeld dat sprake was van een criminele organisatie.

5.12

Het voornaamste verwijt dat B.G. Freight aan Seaport maakt is dat bij het afhalen van de containers niet is gevraagd om de pincodes, waardoor de diefstal heeft kunnen plaatsvinden en de schade is ontstaan.

Seaport erkent dat zij verplicht was bij het afgeven van de twee containers de pincodes te controleren, maar voert aan dat zij wel degelijk heeft gecontroleerd of de door de chauffeur opgegeven pincodes klopten met de pincodes die aan haar voor de betreffende containers waren meegedeeld. Dit wordt door B.G. Freight betwist.

5.13

Voor de juistheid van deze stellingname van Seaport is in de overgelegde stukken geen bevestiging te vinden. Volgens de overgelegde bevindingen van de politie, die bij haar onderzoek onder meer heeft gesproken met de medewerker van Seaport bij het checkpoint (Verdonck) en de 'risk manager' van Seaport (Brands), was voor de afgifte van een container niet vereist dat de bijbehorende pincode door de chauffeur werd opgegeven en hoefde ook geen transportopdracht of een ander op de container betrekking hebbend document te worden getoond. In de als bijlage overgelegde 'scheurbriefjes' en 'interchange' blijkt niet dat de pincode moest worden opgegeven. Ook in de print-out van het computer-systeem van Seaport staat de pincode bij de betreffende containers niet vermeld.

Voorts blijkt niet dat enige controle van de door de chauffeur verstrekte gegevens plaatsvond (alleen is mogelijk bij het opladen van de containers gekeken naar het - valse - kenteken op de trekker). Niet blijkt dat de chauffeur zich moest identificeren of legitimeren.

5.14

De rechtbank acht voorshands aangetoond dat Seaport de instructie tot het controleren van de pincodes niet heeft nageleefd. Seaport zal in de gelegenheid worden gesteld tot het leveren van tegenbewijs.

5.15

Indien mocht blijken dat Seaport deze instructie wél heeft nageleefd, kan niet worden gezegd dat zij is tekortgeschoten in haar contractuele verplichtingen jegens B.G. Freight, zodat zij dan niet aansprakelijk is. B.G. Freight heeft geen andere contractuele verplichtingen van Seaport gesteld waarvan schending tot aansprakelijkheid moet leiden. Niet kan worden aangenomen dat Seaport, zonder daartoe door B.G. Freight te zijn geïnstrueerd, had moeten controleren of de door de chauffeur opgegeven informatie (kenteken, vervoerbedrijf) juist was, dan wel om bepaalde documenten had moeten vragen.

5.16

Indien Seaport de pincodes niet heeft gecontroleerd, heeft zij gehandeld in strijd met de instructie die haar namens B.G. Freight door ACB Agencies waren gegeven. Het moest Seaport duidelijk zijn dat controle van de pincodes van groot belang was ter voorkoming van diefstallen als de onderhavige.

5.17

Seaport voert aan dat de chauffeur die de containers heeft afgehaald via een medewerker van Graanhandel Natie, die ook lid was van de criminele organisatie, de beschikking had over de bij de containers behorende pincodes en deze bij het afhalen - desgevraagd - had kunnen opgeven. De rechtbank vat dit op als een beroep op het ontbreken van causaal verband, dan wel als een beroep op overmacht.

Vooralsnog is de juistheid van dit, door B.G. Freight betwiste standpunt niet gebleken of voorshands aannemelijk geworden. Seaport zal het bewijs daarvan kunnen leveren.

5.18

Indien dat bewijs niet wordt geleverd terwijl de controleplicht niet is nageleefd, is Seaport aansprakelijk en dient zij B.G. Freight te vrijwaren. Van overmacht is dan geen sprake. Daaraan doet dan niet af dat de dieven behoorden tot een professioneel opererende criminele organisatie, noch dat de pincodes waren doorgegeven aan Graanhandel Natie die voor het wegvervoer zou zorgdragen. Het controlesysteem bracht immers noodzakelijkerwijs mee dat de wegvervoerder over de pincodes van de af te halen containers beschikte. Graanhandel Natie heeft de pincodes pas doorgegeven aan DAG Trans nadat de diefstal reeds had plaatsgevonden.

5.19

B.G. Freight heeft geen feiten gesteld op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat Seaport ook los van een schending van haar contractuele controleverplichting onrechtmatig heeft gehandeld jegens B.G. Freight.

5.20

De rechtbank zal eerst bewijs opdragen aan Seaport. Vervolgens kunnen partijen nadere informatie verschaffen over het onder 5.9 bedoelde punt van Belgisch recht.

6. De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen:

draagt Seaport op te bewijzen,

(a) dat de ABAS/KVBG in september 2004 krachtens de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen tot het voorzetten van hun contractuele relatie uit het contract van 27 juni 2000 tussen hen van toepassing waren;

(b) dat zij heeft gecontroleerd of de door de chauffeur opgegeven pincodes klopten met de pincodes die aan haar voor de betreffende containers waren meegedeeld;

(c) dat de chauffeur die de containers heeft afgehaald daarbij de beschikking had over de bij de betreffende containers behorende pincodes;

bepaalt dat, indien partijen daartoe getuigen willen doen horen, het getuigenverhoor zal plaatsvinden in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr A.N. van Zelm van Eldik op een door deze in overleg met de procureurs nader vast te stellen tijdstip;

verzoekt de procureur van Seaport om binnen zes weken na de uitspraak van dit vonnis aan de rechter en de procureur van B.G. Freight mee te delen of hij getuigen wil voorbrengen en om, in dat geval, het aantal getuigen en de verhinderdata van hemzelf en zo mogelijk van de getuigen op te geven in de periode van september tot en met december 2008,

en verzoekt de procureur van B.G. Freight om, in dat geval, binnen twee weken na die opgave zijn eigen verhinderdata in dezelfde periode op te geven.

Dit vonnis is gewezen door mr Van Zelm van Eldik.

Uitgesproken in het openbaar.

10.