Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BD5532

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
26-06-2008
Zaaknummer
283407 / HA ZA 07-1183
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zorgplicht bank. Bank heeft niet in strijd gehandeld met op haar rustende zorgplicht bij aanschap participaties in CV's door cliënt.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JE 2008, 403
JOR 2008/236
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 283407 / HA ZA 07-1183

Uitspraak: 21 mei 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. P.H.C.M. van Swaaij,

- tegen -

de naamloze vennootschap FORTIS BANK (NEDERLAND) N.V.,

tevens h.o.d.n. MEES PIERSON,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

procureur mr. J.W. Bitter.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiser]" respectievelijk "de bank".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

dagvaarding d.d. 21 april 2007 en de door [eiser] overgelegde producties;

conclusie van antwoord, met producties;

tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 29 augustus 2007, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 8 januari 2008;

de brief zijdens [eiser] van 21 december 2007 met bijlagen;

de brief zijdens de bank van 16 oktober 2007 met bijlagen.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:

2.1

[eiser] heeft in december 1998 een geldbedrag gewonnen in de Staatsloterij van circa NLG 10.000.000,-. In januari 1999 heeft [eiser] een Hoge Rente Rekening geopend bij de bank en daar een geldbedrag op gestort en werd hij relatie van de Private Banking divisie van de bank.

In februari 1999 heeft [eiser] contact opgenomen met een fiscalist van het kantoor van Loyens & Loeff. Sindsdien heeft hij een fiscaal adviseur.

2.2

Op 5 november 1999 heeft [eiser] geparticipeerd in Ocean Gas II CV (hierna: “Ocean Gas”) voor een totaal bedrag van USD 60.000,-. Op 22 mei 2000 heeft [eiser] geparticipeerd in MeesPierson Film CV (hierna: “MeesPierson Film”) voor een bedrag van NLG 50.000,-. Op beide beleggingen was [eiser] door middel van een algemene mailing van de bank geattendeerd. Ocean Gas en MeesPierson Film worden hierna gezamenlijk ook aangeduid als “de CV’s”.

2.3

Alvorens de participaties in de CV’s aan te gaan heeft [eiser] de prospectussen van deze CV’s ontvangen en begeleidende brieven.

In het prospectus betreffende Ocean Gas is onder meer opgenomen: “De Participanten dienen dan ook hun eigen belastingadviseur te consulteren om hun persoonlijke situatie in relatie tot een Participatie te bespreken.”, alsmede: “Bij het bepalen van de fiscale gevolgen van een eventuele participatie in Ocean Gas II CV dienen potentiële investeerders zich niet uitsluitend te baseren op de gegeven algemene omschrijving. Wij raden hen aan hun persoonlijk fiscale positie en de fiscale gevolgen van een eventuele Participatie door hun eigen adviseur te laten beoordelen.”

In het prospectus betreffende MeesPierson Film is onder meer opgenomen: “Tevens adviseren wij u de fiscale en juridische aspecten van het investeren aan de hand van uw individuele situatie af te stemmen met uw fiscaal en/of juridisch adviseur.”, alsmede: “De hierboven gegeven beschrijvingen van de fiscale aspecten van een participatie in de CV beogen slechts een algemeen kader te schetsen. Aangezien de persoonlijke fiscale situatie van de Participanten wordt bepaald door een complex van factoren, is het dan ook raadzaam dat de participanten hun eigen belastingadviseur consulteren om hun persoonlijke situatie in relatie tot een participatie te bespreken.”, alsmede: “Wij raden hen [potentiële investeerders] aan hun persoonlijke fiscale positie en de fiscale gevolgen van een eventuele deelname door hun eigen adviseur te laten beoordelen.”

2.4

Op 31 mei 2005 heeft [eiser] de bank aansprakelijk gesteld voor geleden en te lijden schade ter zake van niet behaald (fiscaal) rendement en gerealiseerd verlies bij zijn investeringen in de CV’s. De bank heeft bij brief d.d. 16 november 2005 iedere aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3 Het geschil

3.1

De vordering luidt om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

te verklaren voor recht dat de bank jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de op haar als professionele aanbieder van beleggingsproducten rustende bijzondere zorgplicht, nu tussen partijen sprake is van een vermogensbeheerovereenkomst, onderscheidenlijk te verklaren voor recht dat de bank jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld;

de bank te veroordelen tot betaling van de door [eiser] geleden en overig nog te lijden schade, als gevolg van voornoemde toerekenbare tekortkoming in de bijzondere zorgplicht onderscheidenlijk onrechtmatige daad zijdens de bank, welk bedrag nader dient te worden opgemaakt bij staat en te worden vereffend als volgens de wet, en welk bedrag vermeerderd dient te worden met de wettelijke rente sedert de onderscheidene data waarop [eiser] opdracht heeft gegeven voor de bewuste beleggingen, althans 31 mei 2005, althans 23 april 2007, tot aan de dag der algehele voldoening;

de bank te veroordelen tot betaling van een voorschot op de door [eiser] reeds geleden schade, welk voorschot € 50.000,-, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, bedraagt, binnen drie dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente sedert de onderscheidene data waarop [eiser] opdracht heeft gegeven voor de bewuste beleggingen, althans 31 mei 2005, althans 23 april 2007, tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede welk bedrag dient te worden vermeerderd met de buitengerechtelijke kosten overeenkomstig twee punten van het toepasselijke liquidatietarief van de Commissie Voorwerk II van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak;

subsidiair:

te verklaren voor recht dat de bank jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de op haar als professionele aanbieder van beleggingsproducten rustende zorgplicht, nu tussen partijen sprake is van een vermogensadviesovereenkomst, onderscheidenlijk te verklaren voor recht dat de bank jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld;

de bank te veroordelen tot betaling van een voorschot op de door [eiser] reeds geleden schade, welk voorschot € 50.000,-, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, bedraagt, binnen drie dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente sedert de onderscheidene data waarop [eiser] opdracht heeft gegeven voor de bewuste beleggingen, althans 31 mei 2005, althans 23 april 2007, tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede welk bedrag dient te worden vermeerderd met de buitengerechtelijke kosten overeenkomstig twee punten van het toepasselijke liquidatietarief van de Commissie Voorwerk II van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak;

in alle gevallen:

de bank te veroordelen in de kosten van deze procedure, inclusief het salaris, de verschotten en de eventuele nakosten van de procureur van [eiser].

3.2

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiser] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.2.1

Tussen partijen bestond primair een relatie van vermogensbeheer, subsidiair was er sprake van een adviesrelatie en meer subsidiair van een execution only relatie. De bank heeft niet de op haar rustende zorgplicht in de relatie met [eiser] in acht genomen door:

een belegging in de CV’s te adviseren terwijl deze beleggingsproducten gezien de persoonlijke omstandigheden van [eiser] niet geschikt voor hem waren;

te verzuimen [eiser] tijdig en pro-actief te adviseren en te verzuimen om hem deugdelijk te informeren over de financiële (fiscale) gevolgen verbonden aan zijn beleggingen;

in strijd met de artikelen 27 en 28 Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer 2002 (hierna: NR 2002), althans haar voorganger de Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer 1998 (hierna: NR 1998) te handelen en door geen klantenprofiel en doelbeleggingsprofiel van [eiser] op te stellen;

te verzuimen [eiser] te adviseren om niet een aanzienlijk vermogen in één soort beleggingsfonds zoals CV’s te beleggen.

3.2.2

De door [eiser] beoogde doelstellingen van de participatie in de CV’s is bij lange na niet gehaald, terwijl de bank dit wel had gegarandeerd. De bank heeft de CV’s sterk aangeprezen, op grond waarvan [eiser] heeft besloten in de CV’s te beleggen.

3.2.3

De bank is tekort geschoten in haar overeenkomst met [eiser], dan wel heeft onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld door in strijd met de op haar rustende zorgplicht te handelen. [eiser] heeft hierdoor schade geleden, welke schade de bank dient te vergoeden.

3.3

De bank heeft de vorderingen van [eiser] gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser], althans tot ontzegging van zijn vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

4 De beoordeling

4.1 Aard relatie

4.1.1

Tussen partijen is niet in geschil dat tussen partijen een overeenkomst bestond. De aard van de relatie tussen partijen in de periode waarin de participaties in de CV’s zijn aangegaan is evenwel in geschil.

4.1.2

Van een vermogensbeheerrelatie tussen partijen was geen sprake. In het kader van een vermogensbeheerrelatie heeft de bank het recht (en soms de plicht) tot het op eigen naam voor rekening en risico van de belegger, al dan niet na overleg met de belegger, zelfstandig verrichten van effectentransacties op basis van een onderliggende vermogensbeheerovereenkomst. Uit hetgeen [eiser] bij de comparitie van partijen heeft verklaard, volgt dat tussen partijen weliswaar in januari 2000 een vermogensbeheerovereenkomst is gesloten, maar dat de beleggingen in de CV’s buiten deze overeenkomst vielen. [eiser] heeft zelf besloten tot het beleggen in de CV’s. De bank heeft niet zelfstandig belegd in de CV’s; [eiser] heeft dit zelf gedaan.

Op grond hiervan wordt de primaire vordering van [eiser], die immers is gebaseerd op de stelling dat tussen partijen sprake was van een vermogensbeheerrelatie, afgewezen.

4.1.3

[eiser] heeft subsidiair gesteld dat er sprake was van een vermogensadviesovereenkomst. Van een vermogensadviesovereenkomst is sprake wanneer de bank op eigen naam en voor rekening en risico van de cliënt afzonderlijke effectenopdrachten uitvoert of doet uitvoeren op de beurs die door of namens de cliënt zijn verstrekt aan de effecteninstelling, waarbij de belegger recht heeft op advies ten aanzien van zijn beleggingen. Uitgangspunt in een adviesrelatie is dat de verantwoordelijkheid met betrekking tot de beleggingsportefeuille blijft rusten op de belegger.

Veronderstellenderwijs er van uitgaande dat er tussen partijen sprake was van een vermogensadviesovereenkomst, overweegt de rechtbank als volgt.

Tussen partijen is in geschil of de bank in de op haar rustende zorgplicht tekort is geschoten. [eiser] heeft in dit kader een aantal verwijten geformuleerd.

4.2 (a.) De bank heeft een belegging in de CV’s geadviseerd terwijl deze beleggingsproducten gezien de persoonlijke omstandigheden van [eiser] niet geschikt voor hem waren

4.2.1

Tussen partijen is niet in geschil dat de eerste informatie met betrekking tot de beleggingen in de CV’s niet is verzonden door de vaste adviseur van [eiser] bij de bank, [persoon1] (hierna: “[persoon1]”), maar door de afdeling marketing van de bank. Uit de in de procedure overgelegde documenten volgt dat de bank [eiser] heeft geattendeerd op de mogelijkheid te participeren in de CV’s, zonder het advies te geven deze te kopen.

4.2.2

Voor de belegging in de Ocean Gas heeft [persoon1], nadat de eerste informatie door de afdeling marketing van de bank was verstuurd, op verzoek van [eiser] het officiële prospectus van Ocean Gas en het inschrijfformulier op 3 november 1999 aan [eiser] gestuurd. Uit hetgeen [eiser] tijdens de comparitie van partijen heeft verklaard, volgt dat hij met [persoon1] heeft gesproken over de vraag of hij vijf of drie participaties in Ocean Gas zou nemen. De bank heeft tijdens de comparitie van partijen deze gang van zaken bevestigd.

Het prospectus betreffende de belegging in MeesPierson Film heeft [eiser] niet ontvangen van [persoon1], maar van de afdeling Private Wealth Management. Tijdens de comparitie van partijen heeft [eiser] verklaard dat hij de investering in MeesPierson Film heeft besproken met zijn vermogensbeheerder, naar hij aanneemt voordat hij het [de participatie] instuurde. De bank heeft dit betwist. [eiser] heeft voorts verklaard dat hij het formulier ook naar zijn vermogensbeheerder moest opsturen. Uit productie 7 bij dagvaarding volgt evenwel dat het formulier moest worden opgestuurd naar [persoon2] bij de bank. Gesteld noch gebleken is dat [persoon2] de vermogensbeheerder van [eiser] was bij de bank.

4.2.3

Het enkele toezenden van een mailing met informatie over de CV’s als beleggingsmogelijkheid betekent niet dat de bank [eiser] een beleggingsadvies heeft gegeven. Het feit dat [persoon1] met [eiser] heeft besproken of hij drie of vijf participaties in Ocean Gas moest nemen, kan evenmin als een advies omtrent het aangaan van een belegging worden beschouwd. Tijdens de comparitie van partijen heeft de bank onweersproken aangevoerd dat de beleggingsadviseur niet kan adviseren over het fiscale product, maar alleen kan kijken naar hoeveel geld je in een bepaald product stopt. De bank heeft naar zij aangeeft [eiser] bij de investering in Ocean Gas uitsluitend geadviseerd in het kader van de verdeling van zijn beleggingen (drie of vijf participaties),

Na de gemotiveerde betwisting door de bank dat zij [eiser] zou hebben geadviseerd om te beleggen in de CV’s, heeft [eiser] onvoldoende concrete en specifieke feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot de conclusie zouden kunnen leiden dat de bank [eiser] heeft geadviseerd te beleggen in de CV’s, zodat deze stelling van [eiser] wordt afgewezen.

4.3 (b.) De bank heeft verzuimd [eiser] tijdig en pro-actief te adviseren en heeft verzuimd om hem deugdelijk te informeren over de financiële (fiscale) gevolgen verbonden aan zijn beleggingen

4.3.1

[eiser] heeft gesteld dat de bank pro-actief had dienen op te treden in haar advisering omtrent de beleggingen in de CV’s en actief zijn belangen had dienen te behartigen. Door dit na te laten heeft de bank tekortgeschoten in de op haar als professionele beleggingsinstelling rustende zorgplicht. De bank heeft betwist dat een zodanig optreden in een vermogensadviesrelatie van de bank mag worden geëist omdat de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt als belegger voorop staat.

4.3.2

Van een beleggingsadviseur die louter in een adviesrelatie staat tot zijn cliënt kan in het algemeen niet worden verwacht dat hij zijn cliënt eigener beweging afzonderlijk adviseert tot het verrichten van bepaalde transacties of het nalaten daarvan. Een beleggingsadviseur die tot zijn cliënt in een adviesrelatie staat zal, zo hem dit wordt gevraagd, advies dienen te geven met betrekking tot concrete door zijn cliënt te verrichten effectentransacties. Het is de cliënt zelf die het beleggingsbeleid bepaalt en bij wie ook het risico berust voor de op grond van het advies gemaakte keuze.

In beginsel is het [eiser] zelf die het beleggingsbeleid bepaalt en bij hem rust ook het risico voor de op grond van het advies gemaakte keuze. Uitgangspunt is dat de adviseur desgevraagd advies dient te geven omtrent concrete door [eiser] al dan niet te verrichten effectentransacties.

Gesteld noch gebleken is dat [eiser] de bank om advies betreffende het aangaan van de beleggingen in de CV’s heeft gevraagd, anders dan de vraag of hij drie of vijf participaties in Ocean Gas zou nemen. Gesteld noch gebleken is dat er sprake is geweest van uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan van de bank ongevraagd advies had dienen te geven omtrent het al dan niet aangaan van de beleggingen in de CV’s. De bank kan niet worden verweten dat zij in deze niet tijdig of pro-actief is opgetreden, zodat de rechtbank deze stelling passeert.

4.3.3

Hetzelfde geldt voor het verwijt dat de bank verzuimd zou hebben [eiser] deugdelijk te informeren over de financiële (fiscale) gevolgen verbonden aan de beleggingen in de CV's. In een vermogensadviesrelatie dient de bank slechts desgevraagd advies te geven, welk advies bovendien slechts behoeft te zien op beleggingsaspecten, en niet op de fiscale aspecten van de belegging omdat de bank, naar zij terecht heeft aangegeven, geen fiscaal adviseur is. [eiser] werd bovendien bijgestaan door een fiscaal adviseur en in de prospectussen betreffende de CV's is uitdrukkelijk geadviseerd aan de potentiële beleggers om de eigen fiscaal adviseur te consulteren alvorens in de CV's te investeren. Het feit dat [eiser] dit mogelijk heeft nagelaten, kan niet aan de bank worden verweten. Op de bank rust onder de gegeven omstandigheden geen zelfstandige verplichting om [eiser] te informeren over de financiële (fiscale) gevolgen van zijn beleggingen, zodat de rechtbank deze stelling van [eiser] passeert.

4.4 (c.) De bank heeft gehandeld in strijd met de artikelen 27 en 28 NR 2002, althans haar voorganger de NR 1998 door geen klantenprofiel en doelbeleggingsprofiel van [eiser] op te stellen

4.4.1

[eiser] heeft gesteld dat de bank heeft gehandeld in strijd met de NR 2002, althans de NR 1998 omdat zij geen onderzoek heeft verricht naar de persoonlijke situatie van [eiser]. Als de bank had geweten dat [eiser] geen inkomsten meer uit arbeid genoot, had zij geweten dat het fiscale voordeel dat door middel van de beleggingen in de CV's gehaald zou kunnen worden, door [eiser] niet gehaald zou kunnen worden. Ook heeft de bank de overeenkomst niet schriftelijk vastgelegd, hetgeen op grond van artikel 27 NR 2002 dient te gebeuren.

De rechtbank gaat ervan uit dat daar waar [eiser] wijst op de NR 1998 bedoeld wordt de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999).

4.4.2

De bank heeft tegen deze stelling van [eiser] ingebracht dat in de betreffende periode de bank gehouden was aan de gedragsregels neergelegd in het Besluit toezicht Effectenverkeer 1995 en de NR 1999. De bank heeft betwist dat er geanticipeerd zou kunnen worden op de Wet financieel toezicht 2007 (hierna: Wft 2007) en de NR 2002. De bank heeft betwist in strijd met voornoemd besluit en voornoemde regeling te hebben gehandeld.

4.4.3

Het geschil tussen partijen betreft investeringen in CV's die in 1999 en 2000 hebben plaatsgevonden. De NR 2002 en Wft 2007 waren toen nog niet van toepassing. Van de bank kan en mag niet verlangd worden dat zij in 1999 en 2000 handelde in overeenstemming met wet- en regelgeving die op dat moment nog niet gold en zelfs nog niet in concept gereed was of was voorgesteld. Van anticipatie van genoemde wet- en regelgeving kan dan ook geen sprake zijn.

4.4.4

Artikel 27 NR 1999 schrijft voor dat de bank met haar cliënt een overeenkomst sluit. Artikel 27 NR 2002 heeft een soortgelijke regeling. [eiser] geeft niet aan welke overeenkomst niet schriftelijk zou zijn vastgelegd (3.2.12 bij dagvaarding). De vraag welke overeenkomst het betreft kan evenwel buiten beschouwing blijven nu het enkele feit dat een overeenkomst mogelijk ten onrechte niet schriftelijk is vastgelegd nog geen recht op schadevergoeding geeft. Dit is pas het geval wanneer blijkt dat er causaal verband bestaat tussen het niet-schriftelijk opgesteld zijn van de overeenkomst en de door [eiser] gestelde schade. Dit is echter gesteld noch gebleken, zodat deze stelling niet kan slagen.

4.4.5

Voorts heeft [eiser] gesteld dat de bank ten onrechte geen klantenprofiel en doelbeleggingsprofiel van [eiser] heeft opgesteld. De bank had dienen te weten dat door de persoonlijke situatie van [eiser] het aanzienlijke voordeel dat door middel van de CV's gehaald kon worden, teniet zou worden gedaan. De bank had er zorg voor dienen te dragen dat in ieder geval gedeeltelijk sprake was van neutrale beleggingen met een defensieve strategie.

De bank heeft betwist dat zij in strijd met de NR 1999 heeft gehandeld.

4.4.6

Artikel 28 lid 1 NR 1999 geeft aan:

“Een effecteninstelling wint in het belang van haar cliënten informatie in betreffende hun financiële positie, hun ervaring met beleggingen in financiële instrumenten en hun beleggingsdoelstellingen, voor zover dit redelijkerwijs relevant is bij de uitvoering van de door de effecteninstelling te verwachten diensten.”

In de toelichting op dit artikel is omtrent de mate waarin een bank zich dient te verdiepen in de cliënt opgemerkt (Stcrt 1999, nr.12, pag. 8):

“De mate waarin een effecteninstelling zich moet verdiepen in de achtergronden van haar cliënt hangt samen met de diensten die zij verleent. Wanneer een effecteninstelling zich bij haar dienstverlening bijvoorbeeld beperkt tot het uitgeven of uitvoeren van door de cliënt op eigen initiatief gegeven effectenorders, kan de effecteninstelling met betrekking tot de financiële positie zich beperken tot het zich ervan te vergewissen dat de cliënt over voldoende middelen beschikt om de verplichtingen na te komen die uit de transactie voortvloeien en is de beleggingsdoelstelling niet dan wel minder relevant.”

4.4.7

Uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt dat de bank slechts een beperkte rol heeft gespeeld bij de investeringen in de CV's. In het licht van artikel 28 NR 1999 en de toelichting daarop behoefde de bank zich maar beperkt te verdiepen in de achtergronden van [eiser]. Er is niet gebleken dat zij deze beperkte verdieping in de achtergronden van [eiser] niet heeft uitgevoerd. De bank had er, mede in het licht van hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4.3 heeft overwogen, niet voor hoeven zorgdragen dat er in ieder geval gedeeltelijk sprake was van neutrale beleggingen met een defensieve strategie.

Hierbij neemt de rechtbank mede in overweging dat, naar de bank onweersproken heeft aangevoerd, gedurende tenminste vier maanden in 1999 het liquide vermogen van [eiser] circa NLG 10.000.000,- bedroeg, en tenminste acht maanden in 1999 circa NLG 3.000.000,- bedroeg (na overboeking van een bedrag van NLG 7.000.000,- naar een rekening van [eiser] bij Nationale Nederlanden eind april 1999). De bank heeft voorts onweersproken aangevoerd dat [eiser] in elk geval in 1999 een belastbaar inkomen had op grond waarvan de participaties in de CV als aftrekmogelijkheid konden gelden. [eiser] heeft dit fiscale voordeel ook daadwerkelijk genoten.

Op grond hiervan zal de rechtbank deze stelling van [eiser] passeren.

4.5 (d.) De bank heeft ten onrechte verzuimd te adviseren om niet een aanzienlijk vermogen in één soort beleggingsfonds zoals de CV's te beleggen

4.5.1

[eiser] verwijt de bank dat zij ten onrechte heeft verzuimd [eiser] te adviseren om niet een aanzienlijk vermogen in één soort beleggingsfonds zoals de CV's te beleggen.

4.5.2

De rechtbank heeft hiervoor onder 4.2 overwogen dat de bank [eiser] niet heeft geadviseerd en de rechtbank heeft onder 4.3 overwogen dat de bank niet heeft verzuimd om [eiser] te adviseren of deugdelijk te informeren. [eiser] heeft geen concrete en specifieke feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot de conclusie zouden kunnen leiden dat hij de bank om advies ter zake heeft gevraagd of dat de bank hem juist op dit onderdeel wel ongevraagd advies had dienen te geven, zodat de rechtbank deze stelling passeert.

4.6 Garantie van de bank dat de beoogde doelstellingen zouden worden gehaald

4.6.1

[eiser] heeft gesteld dat de bank heeft gegarandeerd dat de beoogde doelstellingen van de participaties in de CV's behaald zouden worden.

Na betwisting door de bank heeft [eiser] deze stelling niet met nadere concrete en specifieke feiten en omstandigheden onderbouwd die, indien bewezen, tot de conclusie zouden kunnen leiden dat de bank een garantie heeft gegeven, zodat de rechtbank deze stelling passeert.

4.6.2

[eiser] heeft voorts gesteld dat de bank de belegging in de CV's sterk aanprees en dat dat een belangrijke reden, zo niet de reden, voor [eiser] is geweest om in te stemmen met de door de bank sterk aangeprezen beleggingsproducten.

4.6.3

Hiervoor onder 4.2 en 4.3 heeft de rechtbank overwogen op welke wijze [eiser] heeft geïnvesteerd in de CV's. Van een sterk aanprijzen door de bank is geen sprake geweest, zodat deze stelling van [eiser] reeds op deze grond wordt gepasseerd.

4.7 Execution only relatie

4.7.1

Meer subsidiair heeft [eiser] aangegeven dat er tussen partijen sprake zou zijn van een execution only relatie en dat de bank in strijd met haar op grond van die relatie rustende zorgplicht zou hebben gehandeld. De bank heeft erkend dat er sprake is van een execution- only relatie, maar heeft betwist dat zij in strijd met de op haar rustende zorgplicht heeft gehandeld.

4.7.2

Bij een execution only relatie voert de bank op eigen naam en voor rekening en risico van de cliënt afzonderlijke effectenopdrachten uit (nauwkeurig omschreven rechtshandelingen) die door of namens de cliënt zijn verstrekt aan de effecteninstelling. De rol van de bank is daarbij beperkt tot het doorgeven of uitvoeren van de door de cliënt uitdrukkelijk op eigen initiatief gegeven orders.

De rol van de bank is bij een exection only relatie minder groot dan bij een vermogensadviesrelatie. De omvang van de zorgplicht die de bank in acht dient te nemen in het geval tussen partijen sprake is van een vermogensadviesrelatie is omvangrijker dan de zorgplicht die de bank in acht dient te nemen in het geval sprake is van een execution only relatie.

4.7.3

[eiser] heeft geen concrete en specifieke feiten en omstandigheden gesteld die, in het licht van hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.6 is overwogen, indien bewezen, tot de conclusie zouden kunnen leiden dat de bank de op haar rustende zorgplicht in het kader van een execution only relatie zou hebben geschonden, zodat de vordering van [eiser] voor zover deze vordering op een execution only relatie is gebaseerd, zal worden afgewezen.

4.8 Onrechtmatige daad

[eiser] heeft zijn vordering tevens gebaseerd op onrechtmatige daad. [eiser] heeft evenwel geen andere concrete en specifieke feiten en omstandigheden gesteld dan de feiten en omstandigheden die de rechtbank hiervoor onder 4.1 tot en met 4.7 heeft besproken en op grond waarvan zij heeft geconcludeerd dat de bank haar zorgplicht niet heeft geschonden. Op grond hiervan wordt de vordering, voor zover deze is gebaseerd op onrechtmatig handelen door de bank, eveneens afgewezen.

4.9 Voorts

Op grond van het voorgaande zullen de vorderingen van [eiser] (zowel primair als subsidiair) worden afgewezen. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

5 De beslissing

De rechtbank,

wijst af de vorderingen van [eiser];

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de bank bepaald op € 1.100,- aan vast recht en op € 1.788,- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.T. Frima.

Uitgesproken in het openbaar.

1659