Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BD5312

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-06-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
BC 07/1227-NIFT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet tijdige aanvraag om uitkering uit hoofde van de Collectieve Garantieregeling van Kredietinstellingen voor Terugbetaalbare Gelden en Beleggingen (CGR) wegens faillissement van Van der Hoop Bankiers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2008, 87
JE 2008, 405
JOR 2008/238
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: BC 07/1227-NIFT

Uitspraak in het geding tussen

[Eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde mr. J.J. Vetter, advocaat te Amsterdam,

en

De Nederlandsche Bank N.V. , verweerster (hierna: DNB),

gemachtigde mr. S.M.C. Nuyten, advocaat te Amsterdam.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 28 februari 2007 heeft DNB het bezwaar van eiser tegen haar besluit van 31 oktober 2006 tot het niet in behandeling nemen van de aanvraag om uitkering uit hoofde van de Collectieve Garantieregeling van Kredietinstellingen voor Terugbetaalbare Gelden en Beleggingen (hierna: CGR) ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 4 april 2007, aangevuld bij brief van 8 mei 2007, beroep ingesteld.

DNB heeft bij brief van 2 juni 2008 een verweerschrift ingediend.

Nadat de rechtbank reeds tweemaal op verzoek van partijen een eerder geplande zitting had verdaagd, heeft de rechtbank het verzoek van partijen afgewezen om ook de geplande zitting van 13 juni 2008 aan te houden met het oog op de afwikkeling van een meerpartijenafspraak die ertoe kan leiden dat eiser zijn ingelegde gelden vergoed krijgt. De rechtbank laat haar proceseconomische belang de zaak af te doen prevaleren boven de wens van partijen eerst de nog niet zekere uitkomsten van een meerpartijenregeling af te wachten.

Het onderzoek ter zitting heeft derhalve plaatsgevonden op 13 juni 2008. Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. DNB heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

2 Overwegingen

2.1 Grondslag van het geschil

Artikel 3, eerste lid van richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels luidt:

“1. Iedere lidstaat ziet erop toe dat op zijn grondgebied een of meer depositogarantiestelsels worden ingevoerd en officieel worden erkend. (…).

(…)

- het stelsel zorgt ervoor dat de deposanten op de wijze en onder de voorwaarden van artikel 9 worden voorgelicht.

(…)”

Artikel 9, eerste lid, van richtlijn 94/19/EG luidt:

“1. De lidstaten dragen er zorg voor dat de kredietinstellingen aan feitelijke en potentiële deposanten de nodige gegevens ter beschikking stellen om te kunnen nagaan aan welk depositogarantiestelsel in de gemeenschap de kredietinstelling en haar bijkantoren deelnemen, of welke alternatieve regeling krachtens artikel 3, lid 1, tweede alinea, of lid 4, is getroffen. De deposanten worden ingelicht over de bepalingen van het depositogarantiestelsel, of de van toepassing zijnde alternatieve regelingen, met begrip van het bedrag van de dekking en de reikwijdte van het garantiestelsel. Deze inlichtingen worden in een bevattelijke vorm ter beschikking gesteld.

Desgevraagd moeten tevens inlichtingen worden verstrekt over de voorwaarden voor terugbetaling en de met het oog daarop te vervullen formaliteiten.”.

Artikel 10 van richtlijn 94/19/EG luidt:

“1. Het depositogarantiestelsel moet in staat zijn terdege getoetste aanspraken van deposanten op uitkeringen in verband met niet-beschikbare deposito's te honoreren binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de bevoegde autoriteiten tot de in artikel 1, punt 3, onder i), bedoelde vaststelling overgaan of de rechterlijke instantie de uitspraak als bedoeld in artikel 2, punt 3, onder ii), doet.

2. In zeer uitzonderlijke omstandigheden kan het depositogarantiestelsel de bevoegde autoriteiten verzoeken deze termijn voor speciale gevallen te verlengen. Deze verlenging geldt voor maximaal drie maanden. De bevoegde autoriteiten kunnen op verzoek van het garantiestelsel ten hoogste twee verdere verlengingen voor telkens maximaal drie maanden toestaan.

3. Het depositogarantiestelsel mag zich niet op de in lid 1 en lid 2 bedoelde termijn beroepen om het recht op de garantie te ontzeggen aan een deposant die zijn aanspraak op uitkering uit hoofde van de garantie niet tijdig heeft kunnen doen gelden.

(…)”

Artikel 9 van richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels luidt als volgt:

“1. Het compensatiestelsel neemt de passende maatregelen om de beleggers in kennis te stellen van de in artikel 2, lid 2, bedoelde vaststelling of beslissing en, indien uitgekeerd dient te worden, om hun zo spoedig mogelijk uit te keren. Het kan een termijn vaststellen voor de indiening van de verzoeken van de beleggers. Deze termijn mag niet korter zijn dan vijf maanden na de datum van de hiervoor bedoelde vaststelling of beslissing of de datum waarop deze vaststelling of beslissing bekend wordt gemaakt.

Het stelsel mag zich niet op het verstrijken van de genoemde termijn beroepen om het recht op dekking te ontzeggen aan een belegger die zijn aanspraak op een uitkering niet tijdig heeft kunnen doen gelden.

2. Het stelsel moet in staat zijn de aanspraken van beleggers op uitkeringen zo spoedig mogelijk en uiterlijk drie maanden nadat de geldigheid en het bedrag van de vordering zijn vastgesteld, te honoreren.

In zeer uitzonderlijke omstandigheden kan het beleggerscompensatiestelsel de bevoegde autoriteiten verzoeken deze termijn voor speciale gevallen te verlengen. Deze verlenging geldt voor maximaal drie maanden.

(…)”.

DNB heeft krachtens artikel 28a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 respectievelijk

artikel 84 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 (hierna: Wtk 1992) de Beleggerscompensatieregeling 2003 (hierna: BCR 2003) en de CGR vastgesteld, welke regelingen vervolgens door de Minister van Financiën (hierna: de Minister) krachtens voornoemde wetsartikelen algemeen verbindend zijn verklaard (Stb. 2004, 77). De twee garantieregelingen en hun algemeen verbindend verklaring strekken tot implementatie van respectievelijk richtlijn 97/9/EG en richtlijn 94/19/EG.

Artikel 3, van zowel het BCR 2003 als de CGR – waarin DNB is aangeduid als de Bank – luidt:

“1. Een deelnemende instelling […] wordt een betalingsonmachtige instelling op het moment dat de Bank heeft vastgesteld dat, naar haar oordeel, de deelnemende instelling, om redenen die rechtstreeks verband houden met haar financiële positie, op dat moment niet in staat lijkt te zijn de deposito’s terug te betalen of om aan haar verplichtingen te voldoen

die voortvloeien uit vorderingen van beleggers, en daartoe ook op afzienbare termijn niet in staat lijkt te zullen zijn.

2. De in het eerste lid bedoelde vaststelling geschiedt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 21 dagen nadat de Bank voor het eerst heeft geconstateerd dat […] zich een situatie

voordoet waarin het faillissement aangevraagd moet worden zoals bedoeld in artikel 1 Faillissementswet, tenzij de desbetreffende omstandigheid zich inmiddels niet meer voordoet.

3. De in het eerste lid bedoelde vaststelling geschiedt onmiddellijk indien een rechterlijke instantie in een lidstaat, om redenen die rechtstreeks verband houden met de financiële positie van de deelnemende instelling, een beslissing heeft gegeven die leidt tot schorsing van de mogelijkheid voor crediteuren of beleggers om hun vordering op de betreffende instelling te verhalen.

4. De Bank zal door middel van advertenties in door haar te bepalen nieuwsbladen bekendmaken dat verzoeken om een uitkering krachtens deze regeling binnen vijf maanden na de datum van publicatie van de eerste advertentie bij haar kunnen worden ingediend. De bewindvoerders of curatoren van de betalingsonmachtige instelling zullen door de Bank

worden verzocht om in hun correspondentie met de beleggers bij de deelnemende instelling te wijzen op het bestaan van de regeling en de termijn voor indiening.

5. Verzoeken om uitkeringen die na het verstrijken van de termijn als bedoeld in het vierde lid zijn ingediend, worden niet meer in behandeling genomen, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de belegger in verzuim is geweest.”.

De algemeen verbindend verklaarde CGR bevat geen toelichting. De artikelsgewijze toelichting bij het algemeen verbindend verklaarde BCR 2003 bevat onder meer de volgende tekst:

“Uit de richtlijn inzake beleggerscompensatiestelsels blijkt voorts dat een termijn mag worden gesteld voor de indiening van de vorderingen van beleggers. Conform de minimumtermijn genoemd in artikel 9, eerste lid van de richtlijn inzake beleggerscompensatiestelsels, is deze vastgesteld op vijf maanden na de datum van publicatie van de eerste advertentie van de Bank dat verzoeken om een uitkering kunnen worden gedaan. De advertentie zal zo spoedig mogelijk na de vaststelling van de betalingsonmacht worden gepubliceerd. De meeste verzoeken om uitkering zullen

vermoedelijk vrij snel daarna worden ontvangen. Bij de bepaling over de verschoonbare termijnoverschrijding (vijfde lid) is aansluiting gezocht bij artikel 6:11 AWB. Een ieder die zich aanmeldt, zal in de praktijk een in te vullen formulier krijgen, waarin de formele kanten (cessie, acceptatie van de subrogatie) en de materiële kanten (welke vordering, uit hoofde

waarvan) stapsgewijs worden behandeld. Indien deze gegevens en verklaringen niet tijdig worden verstrekt, zal de Bank in beginsel niet tot uitkering overgaan. De in dit artikel neergelegde termijn van vijf maanden ziet overigens slechts op de indiening van de vorderingen van beleggers en niet op de gegevens die zij krachtens artikel 9 van deze regeling aan de Bank moeten doen toekomen teneinde voor een uitkering in aanmerking

te kunnen komen. Voor dat laatste is in artikel 9, eerste lid voorzien in een termijn van drie maanden vanaf het moment dat de belegger zijn vordering heeft ingediend.”.

Op 1 januari 2007 zijn de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) en de Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht (hierna: de Invoerings- en aanpassingswet Wft) in werking getreden en is de Wtk 1992 ingetrokken.

Artikel 20 van de Invoerings- en aanpassingswet Wft luidt:

“Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht de betalingsonmacht van een financiële onderneming is vastgesteld ingevolge het op grond van het op 21 september 1998 en 23 mei 2003 door de Nederlandsche Bank en een aantal representatieve organisaties overeengekomen beleggerscompensatiestelsel, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 29 januari 2004, of op grond van de Collectieve Garantieregeling van kredietinstellingen voor Terugbetaalbare Gelden en Beleggingen van 17 september 1998, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 29 januari 2004, blijft op de afwikkeling van vorderingen op die financiële onderneming dat stelsel, onderscheidenlijk die regeling, van toepassing.”.

Naar aanleiding van de deconfiture van Van der Hoop Bankiers N.V. (hierna: Van der Hoop) in december 2005 heeft eiser in februari 2006 een vordering ingediend bij de curator. Zijn totale vordering op Van der Hoop – bestaande uit een bedrag ter hoogte van het rekeningsaldo – bedroeg € 253.587,92. De curator heeft de vordering van eiser in maart 2006 erkend. In afwachting van uitkering door de curator wil eiser aanspraak maken op een uitkering uit hoofde van de CGR.

Eiser stelt op 28 februari 2006 zijn op 27 februari 2006 ingevulde vragenformulier voor een uitkering op grond van de CGR naar DNB te hebben verzonden. Toen eiser op 15 augustus 2006 bij DNB telefonisch informeerde omtrent de afhandeling van zijn aanvraag werd hem meegedeeld dat DNB geen formulier van eiser had ontvangen. Op 17 augustus 2006 heeft eiser het formulier (nomaals) per fax en aangetekende post aan DNB gezonden. Daar de aanvraag in het kader van de CGR naar het oordeel van DNB niet binnen de geboden termijn van vijf maanden was ingediend heeft DNB bij besluit van 31 oktober 2006 de aanvraag op grond van artikel 3, vijfde lid, van de CGR buiten behandeling gelaten.

2.2 Standpunten van partijen

Het bestreden besluit heeft DNB steunt onder meer op de volgende overwegingen:

“DNB heeft op 22 december 2005 door middel van een advertentie in verschillende nieuwsbladen bekendgemaakt dat verzoeken om een CGR-uitkering in het kader Van der Hoop bij DNB kunnen worden ingediend. De uiterste datum om een verzoek in te dienen is dus 22 mei 2006.

[Eiser] heeft gesteld dat hij binnen deze termijn, op 27 februri 2006, een aanvraagformulier naar DNB heeft verzonden. Vast staat dat deze aanvraag niet aangetekend is verzonden. DNB heeft een kopie van een aanvraagformulier d.d. 27 februari 2006 eerst bij brief van 17 augustus 2006 ontvangen.

De verantwoordelijkheid voor de correcte indiening van een aanvraag berust bij de indiener. Nu de aanvraag niet aangetekend is verzonden, ligt het op de weg van [eiser] de door hem gestelde tijdige indiening van de aanvraag d.d. 27 februari 2006 aannemelijk te maken. In dat kader hebben [eiser] en zijn medewerker, [werknemer], tijdens de hoorzitting verklaard dat zij gezamenlijk de brief op 27 februari 2006 op de post hebben gedaan en dat daarna op de kopie een stempel is gezet ‘verzonden op 27 februari 2006’. Tijdens diezelfde hoorzitting heeft [eiser] verklaard dat de aanvraag op 28 februari 2006 is verzonden. Verder is aangegeven dat de administratie niet op orde was, terwijl tijdens de hoorzitting een ordner is getoond waarin alle stukken betreffende de GCR-aanvraag waren opgenomen, waaronder bewuste brief die zou zijn verzonden op 27 of 28 februari 2006. Onduidelijk blijft ook waarom de brief van 27 februari 2006 aan de curatoren van Van der Hoop wel aangetekend is verzonden en het aanvraagformulier - dat op of rond dezelfde datum zou zijn verzonden - niet aangetekend is verzonden.

(…)

DNB stelt voorop dat [eiser] wist, althans had moeten weten, dat de aanvraag uiterlijk op 22 mei 2006 moest worden ingediend en dat aanvragen na die datum niet meer in behandeling zouden moeten worden genomen. Volgens [eiser] heeft hij het aanvraagformulier op 20 februari 2006 gedownload. Op de eerste pagina van het aanvraagformulier staat:

‘Schuldeisers van Van der Hoop die menen recht te hebben op een uitkering ingvolge de CGR dienen dit ingevulde en ondertekende aanvraagformulier (…) uiterlijk op 22 mei 2006 per post bij DNB te hebben ingediend. Aanvragen die na die datum door DNB worden ontvangen worden niet meer in behandeling genomen.’

Verder heeft [eiser] tijdens de hoorzitting een persbericht van DNB van 23 maart 2006 meegenomen, waarin de uiterste indieningsdatum uitdrukkelijk is vermeld. Tegen deze achtergrond lag het op de weg van [eiser] om tijdig, dat wil zeggen vóór 22 mei 2006, te (laten) informeren of DNB het formulier – dat niet aangetekend is verzonden – had ontvangen.

De omstandigheid dat [eiser] kennelijk in de veronderstelling verkeerde dat hij de aanvraag tijdig had ingediend, leidt dan ook niet tot de conclusie dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Daar doet niet aan af de omstandigheid dat [eiser] regelmatig naar het buitenland moest en dat hij in juli verwikkeld was in een familierechtelijke procedure. Te meer daar is verklaard dat [werknemer] in die periode als zijn zaakwaarnemer optrad, in het bijzonder vanwege het faillissement van Van der Hoop.

De stelling van [eiser] dat DNB hem tijdens een telefoongesprek van 25 augustus 2006 oneerlijk en onjuist zou hebben voorgelicht, leidt evenmin tot een ander conclusie. Gesteld noch gebleken is dat tijdens het gesprek is gesproken over de indieningstermijn en dat daarover verwachtingen zijn gewekt. Gesproken is alleen over de inhoudelijke vereisten om in aanmerking te komen voor een uitkering.”.

In beroep heeft eiser aangevoerd:

- de termijn van vijf maanden die is opgenomen in de CGR is strijdig met richtlijn 94/19/EG, omdat de richtlijn, anders dan richtlijn 97/9/EG geen ruimte biedt voor een dergelijke fatale indientermijn. Hierbij moet worden bedacht dat richtlijn 94/19/EG minimumwaarborgen bevat. Blijkbaar is per abuis de termijn die in het BCR 2003 is opgenomen tevens opgenomen in de CGR.

- er was, mede gelet op het buitengewoon grote kapitaal van DNB en het feit dat nog tot 16 november 2006 vorderingen ter verificatie bij de curator konden worden ingediend, ook anderszins geen legitieme reden een dergelijke fatale indientermijn te stellen, zodat DNB, die in ieder geval op 17 augustus 2006 op de hoogte was van de claim van eiser, nog voldoende tijd had haar gesubrogeerde vordering bij de curator aan te melden. In dit verband verzoekt eiser DNB stukken in te brengen waaruit volgt of DNB nog tijdig een voorwaardelijk gesubrogeerde vordering op uitkering aan eiser bij de curator heeft aangemeld. Het stellen van de betreffende fatale termijn komt gelet hierop in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het verbod van willekeur en het evenredigheidsbeginsel, welke beginselen van behoorlijk bestuur zijn gecodificeerd in artikel 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb);

- het aanvraagformulier is wel tijdig door eiser verzonden en door DNB ontvangen, maar het is kennelijk niet correct in behandeling genomen door DNB. Er zijn voldoende aanwijzingen voor die verzending. Zo is er het feit dat eiser het aanvraagformulier op 20 februari 2006 heeft gedownload, is er een kopie van het op 27 februari 2006 gedagtekende aanvraagformulier voorhanden en heeft zijn medewerker [werknemer] op de hoorzitting in bezwaar verklaard dat de aanvraag op 28 februari 2006 ter post is bezorgd en wordt door eiser aangeboden dat [werknemer] nogmaals een getuigenis terzake aflegt. Voorts is het onredelijk dat DNB de bewijskwestie geheel bij eiser legt. DNB kan eenvoudig haar postregistratie doornemen op zoek naar bewijs van ontvangst van het desbetreffende aanvraagformulier. DNB dient volgens eiser alsnog haar algemene en afdelingspostregistratie in het geding te brengen;

- mocht het formulier niettemin niet door DNB zijn ontvangen, dan kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest. De enige plausibele verklaring dat het door eiser verzonden poststuk DNB niet heeft bereikt, is dat TGP Post heeft gefaald. Eiser mocht er op vertrouwen dat de postdienst het stuk zou bezorgen;

- eiser wil in aanmerking komen voor een vergoeding van wettelijke rente in verband met het in gebreke zijn door DNB bij de uitkering van € 40.000,-. Eiser heeft in dit verband een aantal mogelijk tijdstippen genoemd vanaf welk moment de wettelijke rente vergoed dient te worden.

Bij brief van 2 juni 2008 heeft eiser aangevoerd dat nog geen verweerschrift is ontvangen en dat het thans nog indienen van een verweerschrift in strijd komt met een behoorlijke procesorde.

In het verweerschrift van 2 juni 2008 is geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Ter zitting is door DNB betoogd dat het procesbelang bij het beroep is komen te vervallen omdat inmiddels is gebleken dat eiser, gelet op de derde uitdelingslijst van de curator en de garantie die de Stichting Van der Hoop Verlies biedt, zijn geld volledig terugkrijgt.

2.3 Beoordeling

De rechtbank verwerpt de stelling van DNB dat eiser het belang bij zijn beroep inmiddels geheel heeft verloren. Gelet op hetgeen ter zitting van de zijde van DNB is aangevoerd wil de rechtbank aannemen dat eiser het volledige saldo op zijn rekening bij Van der Hoop uitgekeerd zal krijgen uit het faillissement, maar dit laat onverlet dat eiser stelt schade te hebben geleden in de vorm van renteverlies. Indien DNB de aanvraag van eiser zou hebben gehonoreerd zou eiser immers reeds hebben kunnen beschikken over een deel van zijn in het faillissement ingebrachte vordering.

De stelling van eiser die ertoe strekt dat de rechtbank geen acht meer dient te slaan op het verweerschrift verwerpt de rechtbank. Hoewel DNB de haar geboden termijn voor het indienen van een verweerschrift ruimschoots heeft overschreden stelt de rechtbank vast dat zij het verweerschrift voor aanvang van de termijn als bedoeld in artikel 8:58 van de Awb heeft ingediend en dat er op zich geen sanctie staat op het niet tijdig indienen van een verweerschrift. Daar komt bij dat de rechtbank zich – onder aanvulling van rechtsgronden – ook ambtshalve zal dienen te buigen over de vragen die in geschil zijn.

De rechtbank stelt bij haar inhoudelijke beoordeling voorop dat DNB gelet op het overgangsrecht bij het bestreden besluit terecht heeft aangesloten bij de voor 1 januari 2007 geldende wetgeving.

Primair heeft eiser betoogd dat de termijn van vijf maanden als bedoeld in artikel 3, vierde en vijfde lid, van de CGR onverbindend is. Volgens vaste jurisprudentie kan aan een voorschrift slechts verbindende kracht worden ontzegd, indien de door de betrokken regelgever gemaakte keuzen strijdig moeten worden geacht met een hogere – algemeen verbindende – regeling, dan wel indien geoordeeld moet worden dat het voorschrift een toetsing aan algemene rechtsbeginselen niet kan doorstaan. De toetsing door de rechter van een lagere regeling aan een hoger algemeen verbindend voorschrift is in beginsel een volledige rechtmatigheidstoets, tenzij de lagere regelgever bij het vaststellen van de regeling beleids- of beoordelingsruimte toekomt. Zie in dit verband de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 3 april 2008 (LJN: BD1965; JOR 2008/167).

Anders dan eiser stelt, komt het bepaalde in artikel 3, vijfde lid, niet in strijd met richtlijn 94/19/EG. De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

Enerzijds impliceert artikel 9, eerste lid, van de richtlijn 94/19/EG dat een depositogarantiestelsel voorwaarden voor terugbetaling kan bevatten en met het oog hierop formele eisen kan stellen. Anderzijds stelt artikel 10 van die richtlijn een periode van drie maanden – die kan worden verlengd – waarbinnen de bevoegde autoriteit tot uitkering dient over te gaan nadat is vastgesteld dat de kredietinstelling in betalingsonmacht of faillissement verkeert en dat het depositostelsel zich niet op die termijn – alsmede de verlenging daarvan – mag beroepen om het recht op de garantie te ontzeggen aan een deposant die zijn aanspraak op uitkering uit hoofde van de garantie niet tijdig heeft kunnen doen gelden.

Richtlijn 94/19/EG bevat minimumnormen. De CGR kan aldus in een kortere beslistermijn voorzien dan drie maanden, met verlenging. Artikel 3, tweede lid, van de CGR kent een beslistermijn van 21 dagen. De termijn van vijf maanden als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de CGR houdt aldus geen verband met de beslistermijn. Bovendien kent artikel 9, eerste lid, van richtlijn 97/9/EG wel een minimumtermijn van vijf maanden te rekenen vanaf de vaststelling van betalingsonmacht of faillissement, terwijl in dit artikellid eveneens is bepaald dat het stelsel zich niet op het verstrijken van die termijn mag beroepen om het recht op dekking te ontzeggen aan een belegger die zijn aanspraak op een uitkering niet tijdig heeft kunnen doen gelden. Aldus lijkt die laatste toevoeging, die ook voorkomt in artikel 10, derde lid, van richtlijn 94/19/EG, te zien op de plicht aan de lidstaat te voorzien in de mogelijkheid om buiten een indientermijn aanvragen te ontvangen indien die termijn verschoonbaar wordt overschreden. Het vijfde lid van artikel 3 van de CGR voorziet evenals het vijfde lid van artikel 3 van de het BCR 2003 er in dat verzoeken om uitkeringen die na het verstrijken van de indientermijn zijn ingediend, niettemin in behandeling worden genomen, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de belegger in verzuim is geweest.

Aldus bezien voorziet artikel 10 van richtlijn 94/19/EG niet in een minimumtermijn waarbinnen een verzoek kan worden ingediend, maar voorziet het wel in de plicht om verschoonbaar te laat ingediende verzoeken te honoreren.

Uit het in artikel 10 van het EG-Verdrag verwoorde beginsel van gemeenschapstrouw volgt dat de lidstaten bij de implementatie van gemeenschapsrecht ervoor dienen te waken dat zowel voor aanspraken ontleend aan het Gemeenschapsrecht geen kortere termijnen worden gehanteerd dan voor aanspraken ontleend aan het nationale recht. Indien de beroepstermijn voorts redelijk is, kan niet worden gezegd dat het in praktijk onmogelijk is de aan het gemeenschapsrecht ontleende rechten uit te oefenen. Evenzeer volgt uit het gemeenschapsrecht dat de rechtzekerheid gebiedt dat binnen een bepaalde termijn aanvragen moeten worden ingediend en rechtsmiddelen moeten worden ingesteld. In dit verband wijst de rechtbank op de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, waaronder de uitspraken van 16 december 1976, 33/76 (Rewe) 13 januari 2004, AB 2004/58 (Kühne & Heitz) en 12 februari 2008, AB 2008/100 (Kempter).

Daar geen sprake is van een vergelijkbare nationale deposito- of beleggerscompensatieregeling die niet mede zijn grondslag vindt in een Europese richtlijn, kan reeds om die reden van discriminatie geen sprake zijn. Voorts acht de rechtbank een termijn van vijf maanden op zichzelf niet onredelijk, temeer niet nu die aansluit bij de minimumtermijn die is genoemd in artikel 9, eerste lid, van richtlijn 97/9/EG die ook is opgenomen in het BCR 2003. Bovendien voorziet artikel 3, vijfde lid, van de CGR erin dat ook na de termijn van vijf maanden ingediende aanvragen ingeval van verschoonbare termijnoverschrijding in behandeling worden genomen.

De rechtbank kan eiser voorts niet volgen in zijn stelling dat artikel 3, vierde lid, van de CGR strijdig is met de beginselen van behoorlijk bestuur. De Minister komt terzake het algemeen verbindend verklaren van de CGR de nodige beoordelingsruimte en beleidsvrijheid toe, zodat de rechtbank terzake een terughoudende toets dient aan te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de Minister van Financiën bij de vaststelling van de CGR in strijd heeft gehandeld met het in de artikelen 3:2 en 3:4 van de Awb besloten liggende beginsel van zorgvuldigheid en dat evenmin sprake is van het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb besloten liggende verbod van willekeur.

Vervolgens komt de rechtbank toe aan de vraag of eiser zijn aanvraag tijdig, dat wil zeggen binnen de termijn van vijf maanden heeft ingediend. De rechtbank stelt vast dat zich tussen de stukken niet de advertenties bevinden als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de CGR. Door eiser is echter niet weersproken dat DNB op 22 december 2005 een advertentie heeft geplaatst in verschillende dagbladen, terwijl hem voorts aan de hand van het door hem gedownloade aanvraagformulier bekend was dat de uiterste datum voor het indienen van de aanvraag 22 mei 2006 was, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet om bij haar beoordeling de door DNB gestelde publicaties in twijfel te trekken.

De rechtbank stelt voorop dat het de verantwoordelijkheid van appellant is om conform de geldende voorschriften - en dus tijdig - zijn aanvraag in te dienen. Bij een geschil over de vraag of het aanvraagformulier (tijdig) is ingediend, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat indiening (tijdig) heeft plaatsgevonden, in welk verband de rechtbank wijst op de uitspraak van het College van 5 december 2003 (LJN: AO1119).

Eiser stelt in beroep dat [werknemer] aanwezig was bij de ter postbezorging op 28 februari 2006, namelijk toen hij eiser per auto naar het vliegveld bracht. Uit het verslag van de hoorzitting van 1 februari 2007 blijkt echter niet dat eiser en [werknemer] hebben verklaard dat zij het aanvraagformulier gezamenlijk op de post hebben gedaan. Wel volgt uit dat verslag dat eiser heeft verklaard dat hij niet zeker is over de stempel en dat het stuk volgens hem niet op 27, maar 28 februari 2006 is verzonden. Gelet op het onverifieerbare karakter van deze stellingen, is daarmee echter niet komen vast te staan, dat de aanvraag daadwerkelijk en tijdig is ingediend.

DNB heeft in het verweerschrift uiteengezet dat uit haar elektronische en fysieke archief blijkt dat zij eerst op 17 augustus 2006 enig aanvraagformulier van eiser heeft ontvangen inzake de CGR. De rechtbank ziet onvoldoende reden aan die stelling te twijfelen.

De rechtbank overweegt voorts dat eiser ter verkrijging van zekerheid ervoor had kunnen kiezen om de aanvraag aangetekend te verzenden. Nu hij daartoe niet heeft besloten heeft hij zich in de positie gebracht dat hij niet meer kan bewijzen dat de aanvraag op 27 of 28 februari 2006 daadwerkelijk werd verzonden. De omstandigheid dat DNB niet de eis heeft gesteld dat aanvragen aangetekend verzonden dienden te worden, doet hieraan niet af, nu de voordelen van een aangetekende verzending immers van algemene bekendheid mogen worden verondersteld.

Van verschoonbare termijnoverschrijding is de rechtbank niet gebleken. Indien aangenomen moet worden dat eiser de aanvraag inderdaad eind februari 2006 ter post heeft bezorgd, dan zou het minstgenomen in de rede hebben gelegen dat eiser op enig tijdstip voor de afloop van de aanvraagtermijn bij DNB zou hebben geïnformeerd omtrent de ontvangst van het aanvraagformulier en de verdere afdoening van zijn aanvraag.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, rechter, en door deze en mr. drs. R. Stijnen, griffier, ondertekend.

De griffier: De rechter:

Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2008.

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en DNB kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.