Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BD5020

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-06-2008
Datum publicatie
23-06-2008
Zaaknummer
306652 / HA RK 08-125
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wraking afgewezen. De opmerking van de rechter ter zitting dat het bezit van alarmwapens niet mag en dat dit in de wet staat, leidt niet tot een zwaarwegende aanwijzing voor het oordeel dat de bij verzoeker bestaande vrees dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert objectief gerechtvaardigd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer : 306652

Rekestnummer : HA RK 08-125

Parketnummer: 10/700058-06

Uitspraak : 23 juni 2008

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

[naam verzoeker],

wonende te [adres],

verzoeker,

raadsman: mr. [naam raadsman],

strekkende tot wraking van mr. [naam rechter], rechter in de meervoudige kamer voor strafzaken in de rechtbank Rotterdam (hierna: "de rechter").

1. Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting van 25 april 2008 is door de meervoudige kamer van deze rechtbank, van welke kamer de rechter voorzitter is, behandeld de tegen verzoeker aanhangig gemaakte strafzaak met bovenstaand parketnummer.

Bij gelegenheid van die behandeling heeft de raadsman van verzoeker de rechter gewraakt.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van het griffiedossier van de strafzaak, waarin zich onder meer bevindt het proces-verbaal van de in die zaak gehouden terechtzitting van 25 april 2008.

Verzoeker, zijn raadsman, de rechter en de officier van justitie zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Ter zitting van 9 juni 2008, alwaar de gedane wraking is behandeld, zijn verschenen de raadsman van verzoeker, de rechter en de officier van justitie. Zij hebben ieder hun standpunt nader toegelicht, waarbij de raadsman van verzoeker een pleitnota heeft overgelegd.

2. Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

De officier van justitie heeft in de strafprocedure aan verzoeker ten laste gelegd dat hij wordt verdacht van het voorhanden hebben van een alarmrevolver. De rechter heeft ter terechtzitting tijdens de ondervraging over de feiten vastgesteld dat het bezit van alarmwapens niet is toegestaan en dat dit in de wet staat. Juist over die wetsbepaling bestaat een verschil van inzicht tussen verzoeker en de officier van justitie. De rechter heeft met haar uitlatingen, die zij zonder enig voorbehoud heeft gemaakt, een voorschot genomen op hoe de bepaling dient te worden uitgelegd zonder dat zij kennis heeft genomen van het standpunt van de officier van justitie en de verdediging. Daarom bestaat er objectief gezien een gegronde vrees bij verzoeker dat de rechter vooringenomen is.

De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn betoog een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage d.d. 25 mei 2004 overgelegd.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat geen sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechter kan opleveren.

3. De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3.2

Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter - subjectief - niet onpartijdig was. Ook overigens is voor zodanig oordeel bij het onderzoek ter terechtzitting geen houvast gevonden.

3.3

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde en anderszins aannemelijk geworden omstandigheden niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de - beweerdelijk - bij verzoeker bestaande vrees dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is.

3.4

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 25 april 2008 blijkt dat de rechter ter terechtzitting diverse (kritische) vragen aan verzoeker heeft gesteld om de feiten te kunnen vaststellen. De rechter heeft daarbij opgemerkt dat het bezit van alarmwapens niet mag en dat dit in de wet staat. De omstandigheid dat de rechter dit heeft opgemerkt tegen verzoeker en zijn raadsman leidt niet tot de conclusie dat sprake was van omstandigheden als bedoeld onder 3.3. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat het bezit van alarmwapens wettelijk verboden is. Voorts behoort het tot de taak van de rechter om ter terechtzitting kritische vragen te stellen over de relevante feiten en omstandigheden en op basis van die bevindingen (tussentijdse) conclusies te trekken. Verzoeker en diens raadsman zouden daarna in de gelegenheid gesteld zijn om hun visie te geven waarom het bezit van het wapen van verzoeker niet strafbaar zou zijn, en de rechter had daarop vervolgens moeten beslissen. Die gelegenheid hebben zij echter niet afgewacht.

De raadsman van verzoeker heeft een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage d.d. 25 mei 2004 overgelegd, waarin een wrakingsverzoek naar aanleiding van de opmerking van de desbetreffende rechter, dat het slaan van een dochter niet mag, gegrond is verklaard. Onder verwijzing naar hetgeen onder 3.4 is overwogen ziet de wrakingskamer -anders dan het Gerechtshof te 's-Gravenhage- in de opmerking in vergelijkbare bewoordingen door de rechter in de onderhavige zaak geen aanleiding om het wrakingsverzoek toe te wijzen.

3.6

Het wrakingsverzoek is gezien het vorenstaande ongegrond.

4. De beslissing

wijst af het verzoek tot wraking van mr. [naam rechter].

Deze beslissing is gegeven op 23 juni 2008 door mr. S.W. Kuip, voorzitter, mr. H. van Lokven-Van der Meer en mr. P. Vrolijk, rechters. Deze beslissing is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van mr. K. Aagaard, griffier.

Bij afwezigheid van de voorzitter is deze beslissing door de oudste rechter en de griffier ondertekend.