Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BD4102

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-05-2008
Datum publicatie
17-06-2008
Zaaknummer
290025 / HA ZA 07-2053
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie: Internationaal bevoegdheidsincident. Art. 1 CMR. Art. 31 CMR. Art. 5 sub 1 EEX-Vo. Art. 5 sub 3 EEX-Vo. Belanghebbenden bij een lading chemicaliën die onder een cognossement, dat betrekking heeft op het zeevervoer van New Orleans naar Rotterdam, uiteindelijk over zee is vervoerd van New Orleans naar Antwerpen, stellen een vordering tot schadevergoeding in tegen de zeevervoerder uit Hong Kong en twee Belgische bedrijven voor schade aan de lading tijdens (wegvervoer)werkzaamheden in de Antwerpse haven. Een van deze Belgische gedaagden begint een internationaal bevoegdheidsincident (de ander laat verstek gaan). De rechtbank oordeelt dat de bevoegdheid om kennis te nemen van de vordering tegen het verschenen Belgische bedrijf niet kan volgen uit art 31 CMR, omdat eiseressen niet aan hun stelplicht hebben voldaan met betrekking het bestaan van een wegvervoerovereenkomst als bedoeld in art 1 CMR, zodat de bevoegdheidsregeling van art 31 CMR niet aan de orde komt. Aan de artt 5 sub 1 en 5 sub 3 EEX-Vo kan de rechtbank evenmin bevoegdheid ontlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2009, 115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 290025 / HA ZA 07-2053

Uitspraak: 14 mei 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

1. de rechtspersoon naar het recht van de plaats van vestiging UOP LTD,

gevestigd te Guildford, Verenigd Koninkrijk;

2. de rechtspersoon naar het recht van de plaats van vestiging HONEYWELL, INCORPORATED,

gevestigd te Delaware, Verenigde Staten,

UOP en Honeywell,

verweersters in het bevoegdheidsincident,

procureur mr. E.A. Bik,

advocaat mr. M.J.E. Harmsen te Rotterdam,

- tegen -

1. de rechtspersoon naar het recht van de plaats van vestiging ORIENT OVERSEAS CONTAINER LINE LIMITED,

gevestigd te Hong Kong, China,

gedaagde,

procureur mr. J.F. van der Stelt;

2. de rechtspersoon naar het recht van de plaats van vestiging N.V. HESSE-NOORD NATIE, tevens handelend onder de naam PSA HNN,

gevestigd te Antwerpen, België,

gedaagde,

eiseres in het bevoegdheidsincident,

procureur mr. B.S. Janssen,

advocaat mr. M.J. Hajdasinski te Rotterdam;

3. de rechtspersoon naar het recht van de plaats van vestiging N.V. IMMO-TRANS,

gevestigd te Antwerpen, België,

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen worden hierna afzonderlijk aangeduid als respectievelijk “UOP”, “Honeywell”, “OOCL”, “PSA” en “Immo-Trans”.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 19 april 2007 en de drie door UOP en Honeywell overgelegde producties;

- incidentele conclusie tot onbevoegdheid van PSA;

- conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident

2 De vordering in de hoofdzaak

2.1

De vordering luidt - zakelijk weergegeven - dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad OOCL, althans PSA, althans Immo-Trans, veroordeelt tot betaling aan UOP en Honeywell van USD 300.000,--, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 20 april 2006, althans vanaf de dag van dagvaarding, tot aan de dag van algehele voldoening, alsmede van een vergoeding van de verdere door UOP en Honeywell geleden schade, inclusief de voorafgaande aan de dag van dagvaarding gemaakte kosten van redelijke rechtsbijstand ten bedrage van € 4.000,--, met veroordeling van OOCL, althans PSA, althans Immo-Trans in de kosten van deze procedure.

2.2

Hieraan hebben UOP en Honeywell onder meer - samengevat - de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

- UOP en Honeywell zijn belanghebbenden bij een partij “chemicals in drums” (Parex Adsorbent);

- overeengekomen was dat een container met daarin deze partij chemicaliën (hierna: de lading) vervoerd zou worden over zee aan boord van het m.s. “CP Ambassador” van New Orleans, Verenigde Staten, naar Rotterdam;

- ter zake hiervan is een schoon cognossement d.d. 24/31 maart 2006 met nummer OOLU 1001105840 afgegeven, waarop UOP INC te Des Plaines, Illinois, Verenigde Staten staat vermeld als afzender en UOP als geadresseerde;

- UOP is cognossementshouder;

- het vervoer van de lading heeft plaatsgevonden voor rekening en risico van Honeywell;

- de lading is met de “CP Ambassador” in de periode maart-april 2006 vervoerd van New Orleans naar Antwerpen, België;

- tijdens het vervoer van de lading van Antwerpen naar Rotterdam is de vrachtwagencombinatie waarmee de lading over de weg werd vervoerd op 20 april 2006 in Antwerpen betrokken geraakt bij een ongeval, waarbij de lading voor een groot deel ernstig is beschadigd;

- als gevolg van genoemd ongeval hebben UOP en Honeywell schade geleden, die vooralsnog begroot wordt op USD 300.000,--, exclusief wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten;

- aangezien de lading niet in dezelfde toestand is afgeleverd als waarin zij ten vervoer is aangeboden, zijn gedaagden jegens UOP en Honeywell voor genoemde schade aansprakelijk: OOCL was vervoerder onder het cognossement en PSA, althans Immo-Trans, was de wegvervoerder in wiens handen de lading zich bevond op het moment van het ongeval.

3 Het geschil in het bevoegdheidsincident

3.1

De vordering van PSA luidt - zakelijk weergegeven - dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart van de vordering van UOP en Honeywell tegen PSA kennis te nemen, met veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van UOP en Honeywell in de kosten van het geding in het incident.

3.2

Aan deze vordering heeft PSA - samengevat - ten grondslag gelegd dat er geen verdrags- of wettelijke regel bestaat waarop de bevoegdheid van deze rechtbank om kennis te nemen van de vordering tegen PSA kan worden gebaseerd.

3.3

UOP en Honeywell hebben deze vordering gemotiveerd betwist.

4 De beoordeling van de incidentele vordering

4.1

Nu PSA is gevestigd te Antwerpen, België, is de EEX-Vo toepasselijk, zodat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter in beginsel door de bepalingen daarvan wordt geregeld. Ingevolge artikel 71 EEX-Vo is dat anders indien de bevoegdheidsregeling van artikel 31 CMR van toepassing is. Daarvoor is vereist dat sprake is van een overeenkomst tot internationaal wegvervoer als bedoeld in artikel 1 CMR.

4.2

UOP en Honeywell hebben in dit verband niet meer gesteld dan dat de in Antwerpen geloste container bestemd was voor Rotterdam als eindbestemming en dat OOCL opdracht zou hebben gegeven aan PSA dan wel aan Immo-Trans om de container over de weg van Antwerpen naar Rotterdam te vervoeren, onder de toevoeging dat het echter onduidelijk was wat de opdracht van OOCL aan PSA precies inhield.

4.3

PSA heeft dit gemotiveerd betwist. Zij heeft aangevoerd dat zij voor OOCL verschillende terminalwerkzaamheden in de Antwerpse haven uitvoert, waaronder het doen vervoeren van de uit het zeeschip geloste goederen naar de terminal voor binnenvaartschepen, de "barge container terminal" en dat zij in het onderhavige geval, ter uitvoering van de instructies van OOCL die de lading in Antwerpen had gelost met de bedoeling om deze per binnenschip naar Rotterdam te laten doorvervoeren, aan de wegvervoerder Immo-Trans opdracht heeft gegeven de lading te vervoeren van kade 869 in de Antwerpse haven naar de "barge container terminal", die zich op ongeveer 1 km afstand van kade 869 bevindt. PSA verwijst naar het door UOP en Honeywell in het geding gebrachte expertiserapport dat is opgemaakt in opdracht van UOP Inc. In dat rapport is als resultaat van het door de expert ingestelde onderzoek voor zover hier van belang slechts vermeld dat de bewuste container op 20 april 2006 per truck/trailer werd vervoerd van kade 869 naar de 1 km verder gelegen "barge container terminal" en dat de truck/trailercombinatie tijdens dit wegvervoer betrokken is geraakt bij een ongeval waarbij de container is omgevallen en beschadigd is geraakt.

4.4

In het licht hiervan en bij gebreke van enige aanwijzing dat door OOCL aan PSA een opdracht zou zijn gegeven tot (het zorgen voor) internationaal wegvervoer van Antwerpen naar Rotterdam, is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende concrete feiten zijn gesteld en gebleken op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat een overeenkomst als bedoeld in artikel 1 CMR is totstandgekomen. Dat betekent dat de bevoegdheidsregeling van artikel 31 CMR niet aan de orde komt.

4.5

Volgens de hoofdregel van artikel 2 EEX-Vo is de Belgische rechter bevoegd.

UOP en Honeywell doen nog een beroep op artikel 5 EEX-Vo.

4.6

De aanvullende bevoegdheidsgrond van artikel 5 aanhef en onder 1a EEX-Vo mist hier toepassing, nu niet blijkt van een overeenkomst in de zin van die bepaling tussen enerzijds UOP en/of Honeywell en anderzijds PSA. Omtrent een dergelijke overeenkomst is onvoldoende gesteld. De stelling dat OOCL mogelijk namens ladingbelanghebbenden aan PSA een opdracht heeft gegeven is op geen enkele wijze onderbouwd of toegelicht, terwijl deze ook onaannemelijk voorkomt, nu OOCL zich had verbonden tot het afleveren van de lading in de bestemmingshaven Rotterdam en het derhalve niet op de weg lag van UOP of Honeywell om opdracht te geven tot het vervoer van de in Antwerpen geloste lading naar Rotterdam.

4.7

De rechtbank kan evenmin bevoegdheid ontlenen aan artikel 5 aanhef en onder 3 EEX-Vo.

De schadeveroorzakende gebeurtenis, het verkeersongeval in Antwerpen, heeft zich voorgedaan in België. Niet is aangevoerd dat en waarom het schadebrengende feit zich mede zou hebben voorgedaan of zou kunnen voordoen in Nederland.

4.8

De slotsom is dat de rechtbank onbevoegd is kennis te nemen van de vordering tegen PSA.

Als de in het ongelijk gestelde partij zullen UOP en Honywell worden veroordeeld in de proceskosten.

5 De beslissing

De rechtbank,

in het bevoegdheidsincident

verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vordering tegen PSA;

veroordeelt UOP en Honeywell in de proceskosten, die aan de zijde van PSA zijn bepaald op € 4.735,-- aan verschotten en op € 2.000,-- aan salaris voor de procureur,

in de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rol van 11 juni 2008 voor conclusie van antwoord van OOCL.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.N. van Zelm van Eldik.

Uitgesproken in het openbaar.

901/10