Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BD4101

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-05-2008
Datum publicatie
17-06-2008
Zaaknummer
293727 / HA ZA 07-2587
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Passeren beroep op verrekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 293727 / HA ZA 07-2587

Uitspraak: 7 mei 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LEVINA ROTTERDAM B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

procureur mr. G.C. Haulussy,

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te Krimpen aan den IJssel,

gedaagde,

procureur mr. R.A. Klaassen,

Partijen worden hierna aangeduid als "Levina" respectievelijk "[gedaagde]".

1 Het verloop van het geding

1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 9 oktober 2007 en de door Levina overgelegde producties;

conclusie van antwoord, met producties;

tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 13 februari 2008, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 20 maart 2008;

de stukken van de op 25 september 2007 ten verzoeke van Levina en ten laste van [gedaagde]

onder Postbank N.V. en ING Bank N.V. gelegde conservatoire beslagen.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 Levina heeft in opdracht van [gedaagde] gedurende de eerste maanden van 2007 diverse werkzaamheden uitgevoerd. De daarvoor door Levina verzonden facturen heeft [gedaagde] onbetaald gelaten.

2.2 Begin 2007 heeft de directeur van Levina samen met de directeur van [gedaagde] een bezoek gebracht aan een klant van [gedaagde] – HRP Manufacturing te Krimpen aan de Lek (hierna: HRP) – om te spreken over een mogelijke opdracht voor [gedaagde], in het kader waarvan mogelijk ook Levina werkzaamheden ten behoeve van [gedaagde] zou kunnen verrichten.

2.3 Levina heeft via [gedaagde] een lasapparaat besteld bij de firma Autogeen. Het lasapparaat is bij Autogeen opgehaald door een werknemer van Levina.

3 De vordering

De vordering luidt – verkort weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen tot betaling van

een bedrag van € 9.310 (de hoofdsom), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldata van de respectieve facturen;

een bedrag van € 1.396,50 ter zake van buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding,

een en ander met veroordeling in kosten van de procedure, met inbegrip van de kosten van de beslaglegging.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Levina aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 Door het achterwege blijven van de betaling van de onder 2.1 bedoelde facturen is [gedaagde] de op haar rustende verplichting uit hoofde van de door partijen gesloten overeenkomsten niet nagekomen. Levina maakt aanspraak op betaling.

3.2 Levina heeft kosten moeten maken om te komen tot voldoening buiten rechte. De in dat verband verrichte werkzaamheden zijn anders dan die ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Levina in de kosten van het geding.

[gedaagde] heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 De door Levina aan haar vordering ten grondslag gelegde factuur 7008 ten bedrage van € 1.090 is onjuist: Levina heeft de daarop vermelde werkzaamheden niet uitgevoerd.

4.2 [gedaagde] heeft een vordering op Levina, welke in aanmerking komt voor verrekening met de vordering van Levina. De vordering van [gedaagde] omvat schadevergoeding wegens het toerekenbaar tekortschieten door Levina in de nakoming van een met [gedaagde] gesloten overeenkomst ter zake van de bouw van vier “omkastingen” (ten bedrage van € 12.048,80) en nakoming van een tussen [gedaagde] en Levina gesloten overeenkomst ter zake van levering van een lasapparaat.

5 De beoordeling

5.1 [gedaagde] betwist de vordering van Levina niet, afgezien van het gevorderde bedrag op basis van de factuur met nummer 7008 ten bedrage van € 1.090. Ter comparitie heeft Levina erkend dat die factuur ten onrechte is verzonden, omdat de daarop vermelde werkzaamheden ook in rekening zijn gebracht op twee andere facturen. Aldus ligt de vordering ter zake van de hoofdsom tot een bedrag van (€ 9.310 -/- € 1.090 =) € 8.220 voor toewijzing gereed.

5.2 Toewijzing is evenwel niet aan de orde indien het beroep van [gedaagde] op verrekening slaagt. In dat geval gaat immers de vordering van Levina tot het gemeenschappelijk beloop teniet. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

5.3 Ter onderbouwing van haar beroep op verrekening beroept [gedaagde] zich op een tweetal overeenkomsten, op grond waarvan zij stelt vorderingen te hebben op Levina. In de eerste plaats gaat het om een overeenkomst inzake de bouw van vier “omkastingen”, in de nakoming waarvan Levina volgens [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten. [gedaagde] stelt dat zij en Levina na het onder 2.2 genoemde bezoek aan HRP tot overeenstemming zijn gekomen over in dat kader door Levina te verrichten werkzaamheden. [gedaagde] verwijst daartoe tevens naar een aan Levina gerichte opdrachtbevestiging van 26 februari 2007 en een herinnering van 28 maart 2007. Ook stelt [gedaagde] verschillende keren met Levina te hebben gebeld in verband met de onderhavige overeenkomst. Levina betwist het bestaan van de overeenkomst. Zij stelt daartoe dat tijdens het gezamenlijke bezoek aan HRP uitsluitend is gesproken over een mogelijke levertermijn en dat toen en nadien niet is gesproken over een door Levina te rekenen prijs; de telefonische contacten gingen slechts over de openstaande facturen van Levina. Levina stelt de opdrachtbevestiging en de herinnering nooit te hebben ontvangen. Ook stelt Levina dat zij niet in gebreke is gesteld. Gelet op deze gemotiveerde betwisting door Levina staan de door [gedaagde] gestelde feiten niet vast. Evenmin kan het bestaan van de overeenkomst inzake de omkastingen voorshands bewezen worden geoordeeld op grond van de feiten die wel vaststaan of op grond van schriftelijke bewijsmiddelen. Aldus zal nadere bewijsvoering door [gedaagde] – op wie hier de bewijslast rust – nodig zijn om de door haar gestelde vordering te kunnen beoordelen.

5.4 Op grond van artikel 6:136 BW kan de rechter een vordering ondanks een beroep op verrekening toewijzen, indien de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is. Dat is hier aan de orde. Uit het overwogene onder 5.3 volgt dat de gegrondheid van het beroep van [gedaagde] op verrekening eerst na bewijsvoering kan worden beoordeeld. Voorts geldt dat de vordering van Levina voor toewijzing vatbaar is. In dat verband stelt de rechtbank vast dat [gedaagde] geen beroep heeft gedaan op een opschortingsrecht. Zodanig beroep kan ook niet in haar stellingen worden gelezen. [gedaagde] heeft zich integendeel bij conclusie van antwoord op het standpunt gesteld dat tussen haar vorderingen en die van Levina onvoldoende samenhang als bedoeld in artikel 6:52 BW bestaat. Nu de vordering van Levina tot het onder 5.1 genoemde bedrag zonder nadere bewijsvoering voor toewijzing gereed ligt, ziet de rechtbank aanleiding het beroep van [gedaagde] op verrekening in verband met de “omkastingen” alsmede het hierop betrekking hebbende bewijsaanbod te passeren. Een reconventionele vordering heeft [gedaagde] niet ingesteld.

5.5 In de tweede plaats beroept [gedaagde] zich op niet-nakoming door Levina van een tussen partijen gesloten overeenkomst inzake de levering van een lasapparaat. Na haar aanvankelijke betwisting bij dagvaarding, heeft Levina ter comparitie erkend dat zij via [gedaagde] een lasapparaat bij Autogeen heeft besteld en dat dit apparaat door een van haar werknemers is opgehaald. Ten verwere stelt Levina echter dat zij het lasapparaat op verzoek van [gedaagde] naar haar heeft doen terugbrengen. Volgens de verklaring van Levina ter comparitie ging het immers om een apparaat van [gedaagde], bij wie ook de rekening van Autogeen terecht kwam. De rechtbank begrijpt deze stelling aldus dat volgens Levina een (nieuwe of aanvullende) afspraak is gemaakt dat het bij Autogeen bestelde lasapparaat niet aan Levina maar aan [gedaagde] toekwam. In haar reactie op dit verweer heeft [gedaagde] ter comparitie de mogelijkheid opengelaten dat zij metterdaad heeft verzocht het lasapparaat terug te brengen alsook dat het apparaat thans in haar bedrijf aanwezig is. Deze reactie kan niet worden beschouwd als voldoende gemotiveerde en stellige betwisting van de stelling van Levina. Aldus staat het bestaan van de door Levina gestelde nieuwe of aanvullende afspraak vast en ontvalt de grondslag aan de vordering van [gedaagde].

5.6 Gelet op het overwogene onder 5.5 is niet komen vast te staan dat [gedaagde] in verband met het lasapparaat nog enigerlei prestatie van Levina te vorderen heeft. Dat betekent dat [gedaagde] ingevolge artikel 6:127 BW geen bevoegdheid tot verrekening heeft. Ook op dit punt slaagt het beroep op verrekening dus niet.

5.7 Levina vordert de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf de vervaldata van de facturen. Uit de gedingstukken moet worden afgeleid dat de overeenkomsten waarvan Levina nakoming vordert handelsovereenkomsten zijn als bedoeld in artikel 6:119a BW. Wettelijke handelsrente is verschuldigd vanaf de dag volgend op de dag die is overeengekomen als de uiterste dag van betaling. Bij dagvaarding heeft Levina gesteld dat de op de facturen vermelde betalingstermijn – “30 dagen na factuurdatum” – een fatale betalingstermijn betreft. De rechtbank begrijpt deze stelling aldus dat partijen volgens Levina een uiterste dag van betaling zijn overeengekomen. [gedaagde] heeft deze stelling niet betwist. Daarmee staat vast dat partijen een uiterste dag van betaling zijn overeengekomen, zodat de wettelijke handelsrente toewijsbaar is vanaf de dag volgend op die uiterste dag van betaling. In dit verband passeert de rechtbank de stelling van [gedaagde] dat Levina de facturen zou hebben geantedateerd. Die stelling is te algemeen en te weinig toegespitst op specifieke facturen om consequenties aan te verbinden, ook al moet op basis van het besprokene ter comparitie worden vastgesteld dat Levina de facturen niet altijd op de factuurdatum verzond.

5.8 Van de door Levina aan de gevorderde incassokosten ten grondslag gelegde werkzaamheden kunnen slechts de onderhandelingen worden beschouwd als andere werkzaamheden dan die waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te houden. [gedaagde] betwist niet dat Levina die werkzaamheden heeft verricht. Haar stellingen bevestigen integendeel de stelling van Levina dat partijen overleg hebben gevoerd over een minnelijke regeling. De met die onderhandelingen gemoeide kosten komen voor vergoeding in aanmerking indien de kosten in redelijkheid zijn gemaakt en de omvang daarvan eveneens redelijk is. De vordering van Levina gaat het in het Rapport Voor-werk II gehanteerde forfaitaire tarief, dat in zijn algemeenheid redelijk wordt geacht, in ruime mate te boven. Uit de stellingen van Levina kan niet worden afgeleid dat zij duidelijk meer buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt dan in dit tarief is besloten. De door Levina gemaakte kosten moeten dan ook als onredelijk worden aangemerkt, voor zover zij het forfaitaire tarief overschrijden. De vordering zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag gelijk aan twee punten van het toepasselijke liquidatietarief in eerste aanleg, te weten € 768.

5.9 De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten is toewijsbaar vanaf de dag der dagvaarding, met dien verstande dat – nu het hier gaat om schadevergoeding – niet de wettelijke handelsrente maar de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW toewijsbaar is.

5.10 Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Gelet op het bepaalde in artikel 706 jo. 721 Rv komen de kosten van de gelegde conservatoire beslagen niet voor vergoeding in aanmerking. Uit de stukken van het geding kan de rechtbank immers niet afleiden dat Levina binnen acht dagen na het instellen van de eis in de hoofdzaak een afschrift van de dagvaarding aan de derden-beslagenen heeft doen betekenen. Evenmin kan daaruit worden afgeleid dat deze termijn op verzoek van Levina is verlengd. Op basis van de thans beschikbare stukken concludeert de rechtbank dan ook dat de beslagen nietig zullen blijken te zijn.

5.11 De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar met dien verstande dat, gelet op de eis van artikel 6:82 lid 1 BW dat sprake moet zijn van een redelijke termijn, als ingangsdatum van de wettelijke rente geldt veertien dagen na de dag van de uitspraak van dit vonnis. Omdat het hier gaat om schadevergoeding is de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 toewijsbaar.

6 De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Levina te betalen het bedrag van € 8.220 (zegge: achtduizend tweehonderdtwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 2 BW over dit bedrag als volgt:

over € 2.310 vanaf 5 februari 2007;

over € 330 vanaf 23 februari 2007;

over € 1.480 vanaf 1 maart 2007;

over € 3.600 vanaf 29 maart 2007;

over € 500 vanaf 9 april 2007;

tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Levina te betalen het bedrag van € 768 (zegge: zevenhonderdachtenzestig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW over dit bedrag vanaf 9 oktober 2007 tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Levina bepaald op € 300 aan vast recht, op € 84,31 aan overige verschotten en op € 768 aan salaris voor de procureur, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW over deze bedragen, ingaande veertien dagen na de dag van de uitspraak van dit vonnis;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling.

Uitgesproken in het openbaar.

1980/1694