Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BD4073

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
16-06-2008
Zaaknummer
265183 / HA ZA 06-1957
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geen herstel ex art. 31 Rv mogelijk; alsnog gelegenheid voor tussentijds hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 445

Uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 265183 / HA ZA 06-1957

Uitspraak: 23 april 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DOJO INTERNATIONAL BEHEER B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

procureur mr. D.L.A. van Voskuilen,

advocaat mr. J. van Andel te Driebergen,

- tegen -

de naamloze vennootschap

POSTBANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

procureur mr. O.E. Meijer,

advocaat mr. H.D. Bonthuis te Amsterdam.

Partijen blijven hierna aangeduid als "Dojo" respectievelijk "Postbank".

1 Het verdere verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

tussenvonnis van deze rechtbank van 27 februari 2008 (hierna: het tussenvonnis) en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

faxbericht van 3 maart 2008 van mr. Bonthuis;

faxbericht van 18 maart 2008 van mr. Van Andel;

email van 19 maart 2008 van mr. Bonthuis;

faxbericht van 3 april 2008 van mr. Van Andel.

2 De verdere beoordeling

Postbank verzoekt:

het tussenvonnis op grond van artikel 31 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aan te passen in die zin dat de veroordeling van Postbank in de proceskosten en de uitvoerbaarheid bij voorraad van het tussenvonnis komen te vervallen;

alsnog op grond van artikel 337 lid 2 Rv tussentijds hoger beroep van het tussenvonnis open te stellen.

Postbank grondt haar hierboven onder 2.1 sub 1 genoemde verzoek op de stelling dat Dojo in het incident niet heeft gevorderd (1) dat Postbank in de proceskosten zou worden veroordeeld en derhalve evenmin (2) dat een dergelijke veroordeling uitvoerbaar bij voorraad zou worden verklaard. Postbank wijst in dit verband op artikel 233 Rv. Nu uitvoerbaarheid bij voorraad van de proceskostenveroordeling in het incident niet was gevorderd, had de rechtbank deze in de visie van Postbank niet mogen uitspreken. Dat dit wel is geschied, merkt Postbank aan als een kennelijke fout in de zin van artikel 31 Rv.

Dojo wijst erop dat de rechtbank haar ten onrechte niet de gelegenheid heeft geboden om een antwoordconclusie in het incident te nemen. Om die reden heeft Dojo niet kunnen vorderen dat de rechtbank (1) de vordering in het incident zou afwijzen en (2) Postbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad zou veroordelen in de kosten van het incident. Dojo voert aan dat zij, indien zij daartoe in de gelegenheid zou zijn gesteld, uiteraard dienovereenĀ¬komstig zou hebben gevorderd. De beslissing in het incident zou dan in de visie van Dojo geen andere zijn geweest, behalve dat de kosten in het incident aan de zijde van Dojo hoger zouden zijn uitgevallen. Primair voert Dojo echter aan dat, wat er ook zij van de procedurele gang van zaken, artikel 31 Rv in deze situatie niet van toepassing is.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Artikel 31 Rv biedt een mogelijkheid tot verbetering van kennelijke fouten. Daarbij is door de wetgever gedacht aan gevallen waarin het voor partijen en derden direct duidelijk dient te zijn dat sprake is van een vergissing, bijvoorbeeld omdat er sprake is van een kennelijke rekenfout of een kennelijke schrijffout, of omdat de beslissing niet aansluit op de overwegingen in de uitspraak. De rechtbank is met Dojo van oordeel dat een "kennelijke fout" in de zin van artikel 31 Rv zich hier niet voordoet. De rechtbank dient het verzoek van Postbank om toepassing te geven aan artikel 31 Rv derhalve af te wijzen.

Nu de herstelmogelijkheid van artikel 31 Rv niet kan worden toegepast en mede gelet op de niet correcte procedurele gang van zaken, acht de rechtbank wel gronden aanwezig om alsnog tussentijds hoger beroep open te stellen van het tussenvonnis.

3 De beslissing

De rechtbank,

wijst af het verzoek van Postbank strekkende tot aanpassing van het tussenvonnis van deze rechtbank van 27 februari 2008;

stelt alsnog tussentijds hoger beroep open van het tussenvonnis van deze rechtbank van 27 februari 2008;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman.

Uitgesproken in het openbaar.

1729