Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BD3415

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-05-2008
Datum publicatie
01-10-2008
Zaaknummer
10/600036-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Witwassen door het afgeven van geldbedragen aan een “Hawala” bankier. De handelingen ten aanzien van de geldbedragen vonden plaats onder omstandigheden die, in de context van de gebeurtenissen en in samenhang bezien, als zogenoemde typologieën van - en daarmee kenmerkend voor - witwassen zijn aan te merken. Deze omstandigheden rechtvaardigen een vermoeden van witwassen van opbrengsten van misdrijven. Gelet op dit vermoeden mag van de verdachte worden verwacht dat hij over de herkomst van de geldbedragen een op enige manier verifieerbare verklaring geeft. Dit heeft de verdachte niet gedaan. (Promis)

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 420bis
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/600036-07

Datum uitspraak: 30 mei 2008

Tegenspraak

VONNIS

van de politierechter in de zaak tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Turkije),

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres: [adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Haaglanden, Huis van Bewaring Zoetermeer,

raadsman mr. D.A. Harff, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2008.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage, aangeduid als A, aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Het ten laste gelegde komt er op neer dat aan de verdachte het verwijt wordt gemaakt dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het, al dan niet samen met anderen, witwassen van (grote) geldbedrag(en) op of omstreeks 17 april 2007 in Amsterdam.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Meissen heeft gerequireerd tot:

- bewezenverklaring van het impliciet primair ten laste gelegde (witwassen);

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

Uit het onderzoek is het volgende gebleken.

Op 17 april 2007 is de verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] in een auto naar Amsterdam gereden. De verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] op een adres in Amsterdam een tas met geld moest afgeven en dat hij met [medeverdachte] is meegegaan. Aangekomen bij dit adres, heeft de verdachte de tas met geld uit de auto gepakt en is hij met [medeverdachte] naar de betreffende woning gelopen.

Tijdens een observatie op die dag in Amsterdam wordt door de politie waargenomen dat de verdachte en [medeverdachte] om 14.18 uur naar de portiek van de woning Zeeburgerdijk [nummer] lopen en samen de portiek van deze woning binnengaan, waarbij de verdachte een plastic tas vast heeft en [medeverdachte] een envelop bij zich draagt. De verdachte en [medeverdachte] worden aangehouden op het moment dat zij de woning betreden. Op het moment van de aanhouding heeft de verdachte de plastic tas vast en [medeverdachte] de envelop. In de plastic tas wordt een bedrag van 70.000,- euro aangetroffen, bestaande uit 500 bankbiljetten van 20 euro, 200 biljetten van 50 euro, 70 biljetten van 100 euro, 50 biljetten van 200 euro en 66 biljetten van 500 euro , en in de envelop een bedrag van 14.500,- euro, bestaande uit 160 biljetten van 50 euro, 10 biljetten van 500 euro, 4 biljetten van 200 euro en 7 biljetten van 100 euro.

De medeverdachte [medeverdachte] heeft een van de lezing van de verdachte afwijkende verklaring afgelegd. Volgens [medeverdachte] zijn zij naar het adres in Amsterdam gereden, omdat de verdachte daar een tas en envelop met geld moest afgeven. Aangekomen op dit adres, heeft hij op verzoek van de verdachte de envelop met geld gepakt en is hij met de verdachte naar de woning op dit adres gelopen.

Daargelaten het antwoord op de vraag aan wie - de verdachte of [medeverdachte] - de plastic tas en de envelop met het geld toebehoorden en op wiens initiatief het geld werd weggebracht, naar het oordeel van de politierechter staat op grond van het vorenstaande in ieder geval vast dat de verdachte en [medeverdachte] de geldbedragen in de plastic tas en in de envelop tezamen en in vereniging voorhanden hebben gehad.

Voor een veroordeling terzake witwassen van deze geldbedragen dient vervolgens wettig en overtuigend te worden bewezen dat zij van misdrijf afkomstig waren.

Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Uit het onderzoek is gebleken dat de handelingen ten aanzien van de geldbedragen plaatsvonden onder omstandigheden die, in de context van de gebeurtenissen en in samenhang bezien, als zogenoemde typologieën van - en daarmee kenmerkend voor - witwassen zijn aan te merken:

- de aanzienlijke geldbedragen in de plastic tas en envelop (70.000,- euro respectievelijk 14.500,- euro) bestonden voor een groot deel uit kleine coupures ;

- de wijze van vervoer van de geldbedragen - los, open en bloot in een plastic tas en in een envelop - is hoogst ongebruikelijk en gaat gepaard met aanzienlijke veiligheidsrisico’s;

- de geldbedragen werden niet afgeleverd bij een officiële bancaire instelling, maar bij een persoon in een woning, zodoende onttrokken aan het voor dit soort geldtransacties gebruikelijke (overheids)toezicht (melding van ongebruikelijke transacties, identificatieverplichting), waardoor de werkelijke aard en de herkomst van de geldbedragen kon worden verhuld;

- van de geldbedragen is in het geheel niets bekend geworden omtrent een mogelijke legale herkomst;

- Ten aanzien van de geldbedragen heeft zich op geen enkel moment - na de inbeslagname hiervan - een persoon als eigenaar gemeld, hetgeen minst genomen onwaarschijnlijk is bij een legale herkomst van geldbedragen van een dergelijke omvang.

Deze omstandigheden rechtvaardigen een vermoeden van witwassen van opbrengsten van misdrijven. Gelet op dit vermoeden mag van de verdachte worden verwacht dat hij over de herkomst van de geldbedragen een op enige manier verifieerbare verklaring geeft. Dit heeft de verdachte niet gedaan. De verdachte heeft niets verklaard over de herkomst van de geldbedragen en enkel gesteld dat deze werden afgegeven op verzoek van [medeverdachte], die dit op zijn beurt ontkent. Ook deze discrepantie tussen de verklaringen van de verdachte en [medeverdachte] laat zich moeilijk rijmen met een legale herkomst van het geld.

Tot het dossier behoren voorts stukken met betrekking tot het onderzoek genaamd Wasbord van de Regiopolitie Haaglanden. De verdachte [naam persoon 1] in dat onderzoek heeft verklaard dat hij in december 2006 bij de verdachte koffers met, naar zijn veronderstelling, heroïne heeft opgehaald en vervolgens voor de verdachte heeft bewaard. De verdachte [naam persoon 2] in dat onderzoek heeft de verdachte van een foto herkend als degene bij wie zij op verzoek van [naam persoon 1] koffers ophaalde en van wie zij koffers kreeg overhandigd.

Hoewel de verdachte voor deze zaak - zoals ter terechtzitting is gebleken - apart wordt vervolgd en in die strafprocedure nog geen oordeel is gegeven over de vraag of het daadwerkelijk heroïne betrof, versterkt deze informatie het vermoeden dat de geldbedragen die de verdachte en [medeverdachte] voorhanden hadden afkomstig waren van de handel in verdovende middelen althans enig misdrijf.

Het is een feit van algemene bekendheid dat de handel in verdovende middelen aanzienlijke geldbedragen in kleine coupures oplevert.

Op grond van dit alles acht de politierechter wettig en overtuigend bewezen dat de geldbedragen in de tas en envelop - middellijk of onmiddellijk - afkomstig waren van de handel in verdovende middelen, althans enig misdrijf, en dat de verdachte hiervan wetenschap heeft gehad.

Anders dan de officier van justitie, acht de politierechter witwassen van het bedrag van 2.270,- euro dat is aangetroffen in de fouilleringen van de verdachte en [medeverdachte] niet bewezen, nu ten aanzien van dit bedrag zich niet de situatie voordoet dat de verdachte en [medeverdachte] hiervoor geen plausibele verklaring hebben gegeven.

Gelet op het bovenstaande wordt wettig en overtuigend bewezen geacht dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 17 april 2007 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander , een voorwerp, te weten eengeldbedrag van (in totaal) € 84.500,- euro (70.000,- euro in een tasje en 14.500,- euro in een envelop in contanten) heeft voorhanden

gehad, terwijl ten aanzien van dat (grote) geldbedrag

- de werkelijke aard en de herkomst werd(en) verborgen of verhuld, terwijl hij, verdachte en zijn

mededader wist(en), dat

dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit de

opbrengst van de handel in verdovende middelen, in elk geval afkomstig was van

enig misdrijf

en

- hij, verdachte en zijn mededader, dat geldbedrag(en) heeft/hebben

verworven en voorhanden gehad , terwijl

hij, verdachte, en zijn mededader

wisten dat dat

geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit de opbrengst

van de handel in verdovende middelen, in elk geval afkomstig was van enig

misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

Medeplegen van witwassen

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met een mededader schuldig gemaakt aan witwassen. De verdachte heeft twee aanzienlijke geldbedragen, waarvan hij wist dat deze van de handel in verdovende middelen of in ieder geval van misdrijf afkomstig waren, voorhanden gehad en getracht af te geven aan een persoon in een woning in Amsterdam. Door ingrijpen van de politie is de daadwerkelijke aflevering van de geldbedragen in deze woning voorkomen.

Dit is een ernstig feit. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit, zoals in dit geval vermoedelijk de handel in verdovende middelen, gefaciliteerd. Het vormt een aantasting van de legale economie en is, mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving.

Op een dergelijk feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van enige duur.

De politierechter heeft voorts acht geslagen op het op naam van de verdachte gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 21 januari 2008.

Om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst (een) soortgelijk(e) delict(en) te begaan, wordt een deel van de straf voorwaardelijk opgelegd.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

Van de Lijst met inbeslaggenomen voorwerpen is een kopie als bijlage, aangeduid als B, aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

De officier van justitie heeft gevorderd om alle op de Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen genoemde geldbedragen (bankbiljetten) verbeurd te verklaren.

De politierechter overweegt het volgende:

De op de Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 1, 2 en 5 genoemde geldbedragen (bankbiljetten) zullen worden verbeurd verklaard.

Van het op de Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 3 genoemde geldbedrag zal 7.000,- euro (70 bankbiljetten van 100 euro) en van het onder 4 genoemde geldbedrag zal 10.000,- euro (50 bankbiljetten van 200 euro) worden verbeurd verklaard.

Het bewezen feit is met betrekking tot en met behulp van deze geldbedragen begaan.

Niet is kunnen worden vastgesteld aan wie zij toebehoren.

Ten aanzien van het op de op de Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 3 genoemde resterende geldbedrag van 200,- euro, bestaande uit 2 bankbiljetten van 100 euro, en het onder 4 genoemde resterende geldbedrag van 1.800,- euro, bestaande 9 bankbiljetten van 200 euro, zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte, nu, zoals hiervoor overwogen, dit geldbedrag dat is aangetroffen in de fouillering van de verdachte geen verband houdt met een strafbaar feit.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 55 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De politierechter:

- verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 (twaalf) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

- stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- verklaart verbeurd: de nummers 1, 2 en 5, van nummer 3 een bedrag van 7.000,- en nummer 4 een bedrag van 10.000,- euro;

- gelast de teruggave aan verdachte van: van nummers 3 een bedrag van 200,- en nummer 4 een bedrag van 1.800,- euro.

Dit vonnis is gewezen door mr. Mul, politierechter,

in tegenwoordigheid van mr. Van Erve, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 mei 2008.

Bijlage bij vonnis d.d. 30 mei 2008 van [verdachte], parketnummer 10/600036-07:

TEKST TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 april 2007 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten (een) geldbedrag(en) van (in totaal) 86.770,- euro (70.000,- euro in een tasje en/of 14.500,- euro in een envelop en/of 2.270,- euro in de fouillering), althans een (grote) geldrag(en),

in contanten) heeft/hebben

ontvangen van

- [medeverdachte] en/of

- één of meer (onbekend gebleven) perso(o)n(en

en/of verzonden en/of afgegeven aan

- [naam persoon 3] en/of

- één of meer (onbekend gebleven) perso(o)n(en), althans heeft/hebben hij,

verdachte en/of zijn (mede)daders, voornoemd(e) geldbedrag(en) voorhanden

gehad, terwijl ten aanzien van (onder meer) die/dat (grote) geldbedrag(en)

- de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de

vervreemding en/of de verplaatsing werd(en) verborgen en/of verhuld, althans

heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), verborgen en/of verhuld

wie de rechthebbende(n) was/waren van die/dat geldbedrag(en) en/of die/dat

geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad terwijl hij, verdachte en/of zijn

mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat

die/dat geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit de

opbrengst van de handel in verdovende middelen, in elk geval afkomstig was van

enig misdrijf

en/of

- hij, verdachte en/of zijn mededader(s), die/dat geldbedrag(en) heeft/hebben

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl

hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), ten tijde van het verwerven en/of het

voorhanden krijgen en/of overdragen en/of omzetten van die/dat geldbedrag(en),

wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat die/dat

geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit de opbrengst

van de handel in verdovende middelen, in elk geval afkomstig was van enig

misdrijf.

artikel 420bis lid 1 aanhef en onder b Wetboek van Strafrecht

artikel 420quater lid 1 aanhef en onder b Wetboek van Strafrecht

artikel 47 Wetboek van Strafrecht