Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BD2968

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
02-06-2008
Zaaknummer
266167 / HA ZA 06-2108
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Koop paard. Cornage.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 266167 / HA ZA 06-2108

Uitspraak: 2 april 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres],

gevestigd te Eibergen,

eiseres,

procureur mr. G.F. van den Ende,

advocaat mr. S.A. Wensing te Roden,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. J.C. Moree,

advocaat mr. R.H. Kuiper te Zoetermeer.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiseres]" respectievelijk "[gedaagde]".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 20 juli 2006 en de door [eiseres] overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 18 oktober 2006, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 10 januari 2007;

- conclusie van repliek tevens akte wijziging eis, met producties;

- conclusie van dupliek, met producties.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 [eiseres] exploiteert een in- en verkoopbedrijf van met name dressuurpaarden.

2.2 Op 3 februari 2006 heeft [eiseres] van [gedaagde] gekocht de hengst [naam] (hierna: het paard) met stamboeknummer [nummer], geboren op [geboortedatum], voor een bedrag van € 65.000,=. Het paard is dezelfde dag nog door [gedaagde] aan [eiseres] geleverd. De koopprijs is op 6 februari 2006 door [eiseres] aan [gedaagde] betaald.

2.3 Ten tijde van de koop nam het paard deel aan de hengstenkeuring van de Koninklijke Vereniging Warmbloed Paardenstamboek Nederland (hierna: het KWPN). Deze keuring bestaat uit drie bezichtigingen en een verrichtingsonderzoek. Paarden die worden goedgekeurd, worden ingeschreven als dekhengst in het stamboek van het KWPN, en hebben een hogere waarde dan paarden die de keuring niet hebben doorstaan.

2.4 Ten tijde van de koop op 3 februari 2006 was het paard met goed gevolg door de eerste en de tweede bezichting van de keuring van het KWPN gekomen.

2.5 In de koopovereenkomst is onder meer het volgende bepaald:

“De koopsom bedraagt als volgt op heden € 65.000,= (vijfenzestigduizend euro) te voldoen op 6-2-2006 (…) en een aanvullend bedrag van € 100.000,= (éénhonderdduizend euro) te voldoen binnen een week na goedkeuring als dekhengst door het KWPN.

(…)

Verkoper verklaart dat het paard veterinair is goedgekeurd om deel te nemen aan de 3e bezichtiging van de KWPNhengstenkeuring.

Indien het sperma van het paard niet geschikt mocht zijn om hem als goedgekeurde (KWPN)dekhengst te laten inschrijven en/of indien er onoverkomelijke problemen mochten zijn wat betreft cornage is onderhavige overeenkomst van rechtswege ontbonden zonder dat partijen alsdan over en weer tot enige geldelijke prestatie zijn gehouden. Koper aanvaardt het paard overigens in de staat waarin dit zich thans bevindt en vrijwaart verkoper voor elke aanspraak deswege.”

2.6 Op 4 februari 2006 nam het paard deel aan de derde bezichtiging van de keuring van het KWPN.

2.7 In de ‘Voorwaarden Deelname KWPN-Hengstenkeuringen 2005 – 2006’ is onder meer bepaald:

“Ademhalingsapparaat/cornage-onderzoek

(…) Alle hengsten die worden aangewezen voor het verrichtingsonderzoek, moeten laryngoscopisch worden onderzocht voordat zij aan het verrichtingsonderzoek kunnen deelnemen. Hengsten kunnen vanaf 2 januari 2006 door de eigenaar worden aangeboden op de Faculteit voor Diergeneeskunde of een door het KWPN erkende kliniek in Nederland. Daar wordt een video opname gemaakt van de keel. De videoband wordt beoordeeld door een commissie van twee centraal door het KWPN aangewezen dierenartsen. Die maken een schriftelijke rapportage en brengen de eigenaar en het KWPN daarvan op de hoogte.”

2.8 Op 9 februari 2006 heeft [eiseres] een video opname van de keel van het paard laten maken bij de Faculteit der Diergeneeskunde te Utrecht.

2.9 Na de derde bezichtiging is het paard door het KWPN niet toegelaten tot het verrichtingsonderzoek. Op het keuringsprotocol van het KWPN is onder meer vermeld:

“Alg. indruk als dressuurpaard: goed/ruim voldoende

Resultaat: aangewezen: nee

Opmerkingen: Bemerking kwaliteit fundament.”

2.10 Bij brief van 10 maart 2006 heeft [gedaagde] aan [eiseres] geschreven:

“Hierbij bevestig ik ons telefoongesprek van gisteren waarbij u mij mededeelde dat [naam] is goedgekeurd wat betreft cornage en sperma, zodat de ontbindende voorwaarden waaronder wij de koopovereenkomst hebben gesloten zijn vervallen.

Graag ontvang ik een kopie van dit schrijven voor akkoord getekend retour.”

2.11 Op 11 maart 2006 heeft [eiseres] de brief van [gedaagde] van 10 maart 2006 aan [gedaagde] gefaxt met de ondertekende mededeling:

“Eibergen 11.03.’06

L.s.,

Akkoord,

Eugène [eiseres]”

2.12 Op 23 maart 2006 heeft [eiseres] aan [gedaagde] gefaxt het ‘Certificaat cornage-onderzoek Hengsten’ dat voor zover relevant luidt:

“Naam van de hengst: [naam](…)

Datum onderzoek: 09 02 2006(…)

Uitslag : niet acceptabel

Opmerkingen : asymmetrie stembanden en duidelijk verminderd beweeglijke linkerstemband.

Garyp, 11 maart 2006

Namens de beoordelingscommissie van het KWPN

[medewerker Paardenkliniek Garyp]”

2.13 Bij fax van 23 maart 2006 heeft [eiseres] aan [gedaagde] onder meer geschreven:

“Hierbij bevestig ik ons telefoongesprek van hedenmiddag (23.03.2006)

Aangezien de hengst [naam] op basis van het cornage onderzoek door het KWPN als NIET acceptabel werd beoordeeld (…) Bij de koop van [naam] is als ontbindende voorwaarde overeengekomen dat [naam] voor het KWPN geaccepteerd dient te worden op basis van sperma en cornage onderzoek. Nu blijkt dat dit niet het geval is zullen wij meewerken aan een herbeoordeling (…)”

2.14 Bij brief van 24 maart 2006 namens [eiseres] is [gedaagde] onder meer het volgende bericht:

Namens cliënte ontbind ik de tussen partijen voornoemde gesloten koopovereenkomst wegens non-conformiteit ex artikel 17, Boek 7, BW. Meer subsidiair vernietig ik bedoelde overeenkomst op grond van dwaling ex artikel 228, Boek 6, BW.

2.15 Bij brief van 6 juni 2006 heeft [medewerker] van Paardenkliniek Garyp geschreven:

“Aan belanghebbende,

Door ondergetekende en door collega mevrouw [persoon] is de cornage-opname beoordeeld van de KWPN hengst [naam], levensnummer 03.06595. De opname is gemaakt op 9 mei 2006 als aanvulling op de voor het KWPN gemaakte opname dd 9 februari 2006 waarvan de uitslag is bijgevoegd.

Ook op de opname van 9 mei 2006 is de keel afwijkend en niet acceptabel volgens de door het KWPN gestelde normen : de linker stemband is duidelijk minder beweeglijk, deze afname is in vergelijk met de eerste opname toegenomen, de symmetrie is onvoldoende en is ook meer afwijkend dan op de eerste opname.

Conclusie: de keel voldoet ook op de opname van 9 mei 2006 niet aan de gestelde eisen ten aanzien van bouw en beweeglijkheid.

Getekend, [medewerker Paardenkliniek Garyp]”

2.16 Partijen hebben uitvoerig over de kwestie gecorrespondeerd, maar zijn niet nader tot elkaar gekomen.

2.17 In een artikel getiteld ‘Cornage’ in ‘Hoefslag’ (nr. 29, 2004) heeft Erkend Paardendierenarts [arts] onder meer het volgende geschreven:

“In 95 procent van de gevallen betreft het een zenuwaandoening met een erfelijke achtergrond. Het KWPN, het grootste stamboek in Nederland, screent daarom al jaren op cornage. (…) Cornage kan snel, zelfs in een paar weken, ontstaan.”

2.18 In ‘Gerechtelijke diergeneeskunde’ van [pe[persoon 2] (red.) is omtrent cornage onder meer vermeld (p. 92):

“Bij onderzoek is komen vast te staan dat de erfelijk bepaalde vorm van cornage zich ontwikkelt gedurende de eerst 2 à 3 jaar van het leven van een paard en dat bij veulens reeds geringe afwijkingen in de beweeglijkheid van de linker stemband kunnen worden gevonden. (…)

Soms kan in vrij korte tijd een volledige verlamming van de linkerstemband optreden, soms is dat een proces van jaren en soms is de eindfase geen volledige maar een gedeeltelijke verlamming. (…)

Cornage uit zich meestal door een hoog inspiratoir bijgeluid bij inspanning. Bovendien vertonen met name renpaarden een onvoldoende prestatie. Bij rijpaarden is meestal geen inspanningstolerantie aanwezig, al kunnen dressuurpaarden met cornage die op een hoog niveau moeten presteren wel degelijk problemen hebben. Sommige cornagepaarden produceren een hees stemgeluid. De diagnose kan uitsluitend worden bevestigd door endoscopisch onderzoek van de larynx. Daarbij wordt gekeken naar de beweeglijkheid van de linkerstemband en naar de symmetrie van de larynx. De gevonden afwijkingen worden in categorieën ingedeeld afhankelijk van de mate van verandering, variërend van normaal (graad 0) tot volledige verlamming en atrofie (graad 5). (…)

Cornage is een gebrek waarbij ook als er geen inspanningstolerantie bestaat, zowel de handelswaarde van het paard als de fokwaarde sterk afneemt. (…)

Uitgaande van de kennis omtrent het ontstaan van cornage zou de aandoening, gezien het erfelijk karakter, vrij lang kunnen worden geantedateerd. Tot nu toe werd een antedateringstermijn van 4 weken gehanteerd, uitgaande van het feit dat een oplettend koper binnen die termijn het gebrek kan ontdekken. Zijn er duidelijke omstandigheden waardoor de koper niet in de gelegenheid was het gebrek te ontdekken en zijn er geen aanwijzingen dat het paard ziek is geweest, dan kan deze termijn met enkele weken worden verlengd.”

3 De vordering

De vordering luidt na eisvermindering met € 2.500,= - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair de koopovereenkomst gedeeltelijk te ontbinden en [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 52.500,=, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 29 maart 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

II. subsidiair het nadeel van de koopovereenkomst op te heffen en [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 52.500,=, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 29 maart 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

III. meer subsidiair [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een in goede justitie te bepalen geldsom;

IV. [gedaagde] te veroordelen in de buitengerechtelijke incassokosten conform Rapport Voorwerk;

V. met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiseres] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 Ten tijde van de levering leed het paard aan cornage. Er is sprake van een verborgen gebrek. [eiseres] beroept zich op non-conformiteit ex artikel 7: 17 Burgerlijk Wetboek (BW).

3.2 [gedaagde] is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenis ex artikel 6: 74 BW. Op grond van artikel 6: 83 BW is [gedaagde] zonder ingebrekestelling van rechtswege in verzuim.

3.3 Met cornage vertegenwoordigt het paard een handelswaarde van rond € 10.000,= à

€ 15.000,=. Gelet op de tekortkoming is [eiseres] gerechtigd de koopovereenkomst gedeeltelijk te ontbinden waarbij [gedaagde] aan [eiseres] het verschil - na eisvermindering - ter hoogte van € 52.500,= tussen de koopsom en de werkelijke waarde van het paard aan [eiseres] dient terug te betalen.

3.4 Subsidiair beroept [eiseres] zich - na grondslagwijziging - op wederzijdse dwaling. Ten tijde van de koop wisten beide partijen niet of het paard zou lijden aan cornage. De koopovereenkomst zou bij een juiste voorstelling van zaken niet gesloten zijn. Onder verwijzing naar artikel 6: 230 lid 2 BW wenst [eiseres] dat de koopovereenkomst zodanig wordt gewijzigd dat [gedaagde] – na eisvermindering - € 52.500,= dient terug te betalen ter opheffing van het door [eiseres] geleden nadeel.

3.5 [gedaagde] verkeert vanaf 29 maart 2006 in verzuim en is vanaf die datum wettelijke rente ex artikel 6: 119 lid 1 BW verschuldigd.

3.6 [gedaagde] is buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd en de geleden vermogensschade ex artikel 6: 96 lid 2 sub b en c BW.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding.

[gedaagde] heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1Ten tijde van de levering leed het paard niet aan cornage.

4.2 Bij het aangaan van de overeenkomst was [gedaagde] niets bekend omtrent de aanwezigheid van cornage.

4.3 [eiseres] heeft op 10/11 maart 2006 afstand gedaan van de ontbindende voorwaarde, waardoor de overeenkomst perfect is geworden.

4.4 Het certificaat van het KWPN dateert van 11 maart 2006. [eiseres] heeft [gedaagde] op 23 maart 2006 op de hoogte gesteld van het geconstateerde gebrek. Dat is niet binnen bekwame tijd als bedoeld in artikel 6: 89 BW.

4.5 Er is geen sprake van non-conformiteit.

4.6 Indien sprake is van non-conformiteit, kan dit [gedaagde] niet worden toegerekend.

4.7 De tekortkoming rechtvaardigt de ontbinding niet.

4.8 [eiseres] heeft De Koning niet deugdelijk in gebreke gesteld. Er is geen sprake van verzuim, zodat de overeenkomst niet gedeeltelijk kan worden ontbonden.

4.9 Voor zover de vordering van [eiseres] tot betaling van € 52.500,= is gebaseerd op artikel 6: 74 BW, geldt eveneens dat [gedaagde] niet in verzuim verkeert.

4.10 [gedaagde] betwist dat het paard een verkoopwaarde vertegenwoordigt tussen de

€ 10.000,= en € 15.000,=. Zelfs al zou het paard cornage hebben, dan nog kan [eiseres] het voor € 65.000,= verkopen.

4.11 Het beroep van [eiseres] op wederzijdse dwaling gaat niet op. [gedaagde] heeft niet gedwaald. [gedaagde] heeft [eiseres] niet medegedeeld dat het paard niet zou lijden aan cornage. [gedaagde] wist dit niet. Hier komt bij dat [eiseres] zijn onderzoeksplicht heeft verzaakt.

4.12 Nu de grondslag van de vordering van [eiseres] ontbreekt, dienen ook de gevorderde rente en kosten te worden afgewezen.

5 De beoordeling

5.1 Tussen partijen is in geschil of [eiseres] recht heeft op terugbetaling van een deel van de koopprijs van het paard.

5.2 Als meest verstrekkende verweer ligt allereerst ter beoordeling voor het betoog van [gedaagde] dat [eiseres] niet tijdig heeft geklaagd over het gestelde gebrek aan het paard in de zin van – nu het een koopovereenkomst betreft – artikel 7: 23 BW. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van zijn verweer onder verwijzing naar de datering van het Certificaat cornage-onderzoek Hengsten (zie overweging 2.12) aangevoerd dat [eiseres] de uitslag van dit onderzoek al op of direct na 11 maart 2006 moet hebben ontvangen, en dat niet aannemelijk is dat [eiseres] er pas op 23 maart 2006 via mededelingen van de dierenarts achter is gekomen dat het paard leed aan cornage.

5.3 Dit verweer faalt. Als onbetwist staat tussen partijen vast dat [eiseres] op 9 februari 2006 – zes dagen na de koop – onderzoek heeft laten verrichten naar de keel van het paard. Eveneens staat tussen partijen als onweersproken vast dat [eiseres] op 23 maart 2006 bij [gedaagde] heeft geklaagd over het feit dat het paard zou lijden aan cornage. Tegen de achtergrond van artikel 7: 23 lid 1 BW, dat de verkoper behoedt voor late en moeilijk te achterhalen klachten, geldt dat [eiseres] zich binnen de tijd die in de gegeven omstandigheden van hem kon worden gevergd met de klacht tot De Koning heeft gewend. [eiseres] heeft immers volgens zijn standpunt direct of in de visie van [gedaagde] binnen veertien dagen nadat de uitslag van het onderzoek bekend was over de cornage geklaagd, hetgeen in beide gevallen tijdig is.

5.4 De stelling van [gedaagde] dat de geconstateerde aandoening terstond aan hem had moeten worden medegedeeld omdat sprake is van een onderzoek naar de gezondheid van een dier kan een ander oordeel niet rechtvaardigen. Niet gebleken is dat [gedaagde] nadeel heeft geleden van de door [eiseres] in acht genomen klachttermijn, in die zin dat hij zich niet meer (of in mindere mate) tegen de klacht van [eiseres] zou kunnen verweren. In het bijzonder is gesteld noch gebleken dat [gedaagde] in het licht van eventuele mogelijkheden tot verweer tegen de klacht van [eiseres] enig onderzoek aan het paard had willen (laten) verrichten ter zake de gestelde cornage in de periode tussen 11 en 23 maart 2006.

5.5 De vraag die partijen verder verdeeld houdt is of het paard aan de overeenkomst heeft beantwoord. Voor dit oordeel is beslissend de toestand waarin het paard verkeerde op het moment dat het risico op [eiseres] als koper overging. Tussen partijen is in confesso dat het paard is geleverd op 3 februari 2006.

5.6 Volgens [eiseres] leed het paard ten tijde van de levering op 3 februari 2006 aan cornage. [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5.7 Naar het oordeel van de rechtbank kan als vaststaand worden aangenomen dat het paard op 3 februari 2006 leed aan cornage.

Op 9 februari 2006 – slechts zes dagen na de levering - is een video opname van de keel van het paard gemaakt. Niet althans onvoldoende betwist is door [gedaagde] dat uit het Certificaat cornage-onderzoek Hengsten (zie overweging 2.12) dat is gebaseerd op een beoordeling van voornoemde video opname, blijkt dat het paard op 9 februari 2006 leed aan cornage. De commissie van – gespecialiseerde – door het KWPN aangewezen dierenartsen constateert in dit Certificaat dat sprake is van asymmetrie en een duidelijk verminderd beweeglijke linkerstemband. Dit duidt niet op een beginstadium van cornage of twijfel bij de beoordelingscommissie van het KWPN. Voorts geldt een antedateerbaarheid van cornage van vier weken of onder bepaalde omstandigheden zelfs langer (zie het citaat van [persoon 2] in ‘Gerechtelijke Diergeneeskunde’ in overweging 2.18).

5.8 De enkele stelling van [gedaagde] dat een bijlage bij de brief van Paardenkliniek Garyp van 6 juni 2006 ontbreekt – hetgeen [eiseres] heeft betwist met de stelling dat het onderzoek volledig is overgelegd – of dat een bepaald geadviseerd model niet is gebruikt, kan niet tot een ander oordeel leiden. Zelfs als het paard niet de erfelijke vorm van cornage zou hebben, zoals [gedaagde] betoogt, en de door [persoon 2] genoemde antedateringstermijn van vier weken of langer alleen voor de erfelijke vorm van cornage geldt, dan blijft staan dat op

9 februari 2006 sprake was van een duidelijk verminderd beweeglijke linkerstemband bij het paard en [arts] – zonder onderscheid te maken naar de verschillende oorzaken van cornage - ervan uitgaat dat met het ontstaan van cornage tenminste een paar weken zijn gemoeid (zie het citaat van [arts] in overweging 2.17). Om deze reden stuiten ook af de stellingen van [gedaagde] dat de cornage na de levering zou zijn ontstaan en het een progressieve vorm van cornage zou betreffen. De stelling van [gedaagde] dat hij en de trainer van het paard en ook [eiseres] geen symptomen van cornage ([gedaagde] spreekt over fluiten) hebben gehoord, rechtvaardigt evenmin een ander oordeel. Uit de overgelegde – niet bestreden – documentatie over cornage (zie overweging 2.18) komt naar voren dat niet alle paarden met cornage bijgeluiden maken.

5.9 Met de vaststelling dat het paard ten tijde van de levering leed aan cornage, dient thans te worden beoordeeld of het paard aan de overeenkomst heeft beantwoord. [eiseres] stelt dat het paard leed aan een verborgen gebrek, bestaande uit een ongeneeslijke aandoening, waardoor de handelswaarde van het paard veel lager is.

5.10 [gedaagde] verweert zich met de stelling dat er geen sprake is van non-conformiteit. Volgens [gedaagde] is het paard met cornage geschikt als rijpaard. Een lichte vorm van cornage staat zelfs niet aan een normaal gebruik als dressuur- of springpaard in de weg, aldus [gedaagde].

5.11 Dit verweer slaagt niet. Een zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst, indien zij niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. In het onderhavige geval betekent dit naar het oordeel van de rechtbank dat [eiseres] op grond van de overeenkomst een gezond paard mocht verwachten. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.

5.12 Als onbestreden staat tussen partijen vast dat de aanwezigheid van cornage het paard niet of minder geschikt maakt voor het door [eiseres] beoogde gebruik voor handels-doeleinden. Dat paarden die aan cornage lijden, hier niet in alle gevallen (ernstige) hinder van ondervinden, zoals [gedaagde] betoogt, maakt dit niet anders.

Gelet op de vaststelling dat [eiseres] het paard zonder cornage mocht verwachten, is, anders dan [gedaagde] betoogt, niet meer van belang of [eiseres] eigen onderzoek diende te verrichten. Het feit dat partijen (mede) met het oog op het verrichtingsonderzoek van het KWPN afgesproken hebben dat [eiseres] het paard vrijwel direct na de aankoop bij de Faculteit der Diergeneeskunde te Utrecht op cornage zou doen onderzoeken, doet hier niet aan af. Dat [gedaagde] bij het aangaan van de overeenkomst niets bekend was omtrent de aanwezigheid van cornage bij het paard, leidt evenmin tot een ander oordeel.

Voorts is van belang dat partijen vóór het aangaan van de overeenkomst over de eventuele aanwezigheid van cornage hebben gesproken en te dien aanzien een ontbindende voorwaarde in de overeenkomst hebben opgenomen. Gelet op deze vaststelling kan door [gedaagde] niet worden volgehouden dat de zin “Koper aanvaardt het paard overigens in de staat waarin zich dit thans bevindt en vrijwaart koper voor elke aanspraak deswege” in de overeenkomst aldus – zo begrijpt de rechtbank de stelling van [gedaagde] ter comparitie – moet worden uitgelegd dat [eiseres] het paard heeft aanvaard met alle gebreken inclusief cornage en alle rechten dienaangaande prijs geeft.

5.13 In rechte moet er dus van worden uitgegaan dat het paard niet aan de overeenkomst heeft beantwoord. Daarmee staat de tekortkoming van [gedaagde] vast.

5.14 [eiseres] vordert dat de koopovereenkomst gedeeltelijk wordt ontbonden op grond van artikel 6: 265 BW, waarmee [eiseres] op basis van artikel 6: 270 BW een prijsvermindering wil bewerkstelligen. Voor deze vordering is, anders dan voor een vordering tot schadevergoeding (uit hoofde van artikel 6: 74 BW), niet vereist dat de tekortkoming aan [gedaagde] kan worden toegerekend. Het betoog van [gedaagde] dat de tekortkoming niet toerekenbaar is, wat hier verder ook van zij, treft derhalve geen doel.

5.15 Het verweer van [gedaagde] dat hij niet verzuim verkeerde, omdat hij door [eiseres] niet deugdelijk in gebreke is gesteld, wordt verworpen. Ingevolge artikel 6: 265 lid 2 BW ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding van de overeenkomst direct – zonder dat verzuim is vereist - voor zover nakoming blijvend of tijdelijk onmogelijk is. Zelfs als een operatie het gebrek in het paard zou kunnen herstellen, zoals [gedaagde] stelt, geldt dat nakoming tijdelijk onmogelijk zou zijn geweest. Er is in elk geval geen sprake van een slechts van ondergeschikte betekenis te achten vertraging.

5.16 Een tekortkoming in de nakoming wettigt in de regel ontbinding van de overeenkomst. Anders dan [gedaagde] betoogt, is de aanwezigheid van cornage, ook al staat de ernst of de graad daarvan in deze procedure niet vast, naar het oordeel van de rechtbank gelet op hetgeen aan het slot van overweging 5.12 is overwogen niet zo weinig ernstig van aard of betekenis dat dit gedeeltelijke ontbinding van de onderhavige overeenkomst niet rechtvaardigt.

5.17 Voor zover [gedaagde] zich met zijn stelling dat [eiseres] met het laten vervallen van de ontbindende voorwaarde waardoor de overeenkomst perfect zou zijn geworden, beoogt te beroepen op afstand van recht, overweegt de rechtbank dat [eiseres] met het laten vervallen van de ontbindende voorwaarde niet het recht heeft verspeeld om (gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst uit hoofde van artikel 6:265 BW te vorderen. Het is gelet op de door [gedaagde] niet weersproken omstandigheden dat a) partijen bij het aangaan van de overeenkomst over de eventuele aanwezigheid van cornage bij het paard hebben gesproken, b) het voor [gedaagde] daarbij helder was dat de afwezigheid van cornage voor [eiseres] essentieel was, c) [eiseres] de ontbindende voorwaarde op initiatief van [gedaagde] heeft laten vallen, d) op een moment dat de uitslag van het onderzoek naar cornage nog niet bekend was, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar dat [eiseres] aanspraak maakt op gedeeltelijke ontbinding van de koopovereenkomst wegens het feit dat het paard lijdt aan cornage. Hiermee kan in het midden blijven of [eiseres] de ontbindende voorwaarde, zoals [eiseres] aanvoert, onder invloed van dwaling heeft laten vallen.

5.18 Niet in geschil is dat [eiseres] de koopovereenkomst buitengerechtelijk bij brief van 24 maart 2006 heeft ontbonden. Aan (gehele) ontbinding heeft [gedaagde] geen medewerking willen verlenen. De rechtbank zal de (primaire) vordering van [eiseres] aldus verstaan dat wordt beoogd een verklaring voor recht te krijgen dat de koopovereenkomst als gevolg van de buitengerechtelijke ontbindingsverklaring van 24 maart 2006 gedeeltelijk is ontbonden. Deze vordering ligt op grond van het vorenstaande in beginsel voor toewijzing gereed. De subsidiaire grondslag dwaling kan derhalve onbesproken blijven.

5.19 Thans resteert nog de vraag met welk bedrag de koopprijs naar evenredigheid met de vastgestelde tekortkoming dient te worden verminderd.

5.20 [eiseres] heeft gesteld dat het paard met kwaal een handelswaarde vertegenwoordigt tussen de € 10.000,= en € 15.000,=. Ter onderbouwing van deze stelling beroept [eiseres] zich op een taxatie van deskundige [persoon 3] van 19 februari 2007.

[gedaagde] stelt ten verwere dat het paard ook met cornage veel meer waard is en dat de koopprijs van € 65.000,= reëel is. [gedaagde] betwist dat de taxatie van [persoon 3] tot bewijs van de stelling van [eiseres] kan dienen, nu de taxatie niet objectief is. Ook is onduidelijk, aldus [gedaagde], of [persoon 3] het paard wel heeft bekeken.

5.21 Gelet op deze gemotiveerde betwisting staat de handelswaarde van het paard niet vast.

De rechtbank heeft bij deze stand van zaken behoefte aan voorlichting door een of meer onafhankelijke deskundige(n) ter beantwoording van de vraag wat de waarde is van het paard met cornage. Gelet op de aan de deskundige voor te leggen vraagstelling, zoals deze hieronder nog aan de orde zal komen, is haar voorlopig oordeel dat zij voorgelicht wenst te worden door een paardentaxateur.

5.22 De rechtbank stelt voor om in ieder geval de volgende vragen aan de deskundige voor te leggen:

1) Wat was de waarde van het paard in het economisch verkeer op 3 februari 2006, ervan uitgaande dat het leed aan cornage?

2) Welke factoren zijn bij de beantwoording van de eerste vraag meegewogen, en in welke mate?

3) Zijn er nog feiten en omstandigheden waarover tussen partijen discussie bestaat, die van belang zijn voor het eindoordeel van de deskundige(n), en zo ja, welke zijn dat?

4) Welke omstandigheden zijn naar het oordeel van de deskundige(n) verder van belang ten behoeve van de door de rechtbank te nemen beslissing?

5.23 De rechtbank stelt partijen in de gelegenheid om zich bij akte uit te laten over het voorstel van de rechtbank ten aanzien van de aan de deskundige(n) te stellen vragen en over eventueel aanvullende vragen, alsmede over aantal, vakgebied(en) en de perso(o)n(en) van de te benoemen deskundige(n). Het verdient in hoge mate de voorkeur dat partijen dienaangaande in onderling overleg treden en met een eenparig voorstel komen. Opgemerkt zij reeds dat [eiseres] als eisende partij zal worden belast met het betalen van het voorschot.

5.24 Bij conclusie van dupliek heeft [gedaagde] ter onderbouwing van zijn verweer dat de koopprijs van € 65.000,- reëel is, aangevoerd dat [eiseres] het paard inmiddels voor een aanzienlijk bedrag heeft verkocht aan de Zweedse hengstenhouder Hanson. Bij een keuring in Zweden is het paard zeer succesvol geweest, aldus [gedaagde]. [gedaagde] beroept zich in dit kader op een drietal producties met de nummers 12, 13 en 14. Op deze producties heeft [eiseres] nog niet kunnen reageren. [eiseres] zal daartoe bij de in overweging 5.23 genoemde akte in de gelegenheid worden gesteld.

5.25 In afwachting van de uitlatingen bij akte houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.

6 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 14 mei 2008 voor het nemen van een akte aan de zijde van [eiseres] als bedoeld in 5.23 en 5.24, waarop [gedaagde] kan reageren bij antwoordakte.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. van der Stroom.

Uitgesproken in het openbaar.

1921/1694