Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BD2506

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-05-2008
Datum publicatie
27-05-2008
Zaaknummer
10/701134-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag op een 18 jarige jongen en aan mishandeling van een ambtenaar (arrestantenverzorger) tijdens haar werk. Beroep op (putatief) noodweer verworpen. Geen oplegging van de TBS maatregel.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 304
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/701134-07

Datum uitspraak: 22 mei 2008

Tegenspraak

VONNIS

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte]

[geboren] 1988 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres],

ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Noordsingel te Rotterdam,

raadsman mr. G.R. Stolk, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2008.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Onder feit 1 wordt de verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan moord, dan wel doodslag.

Onder feit 2 wordt verdachte verweten dat hij een ambtenaar (een arrestantenverzorger) tijdens haar werk heeft mishandeld.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. De Beer heeft gerequireerd tot:

- vrijspraak van de onder 1 ten laste gelegde moord en

- bewezenverklaring van de onder 1 ten laste gelegde doodslag, alsmede het onder 2 tenlastegelegde en;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar, met aftrek van voorarrest.

VRIJSPRAAK

De rechtbank acht met de officier van justitie en de verdediging niet bewezen dat de verdachte het slachtoffer met voorbedachten rade heeft gedood. Uit de handelingen van verdachte kan niet worden afgeleid dat er sprake is geweest van een weloverwogen besluit het slachtoffer te doden, nu niet is komen vast te staan dat er sprake is geweest van een moment van kalm beraad en rustig overleg, voorafgaand aan het toedienen van de dodelijke steekwond.

Verdachte dient derhalve van de onder feit 1 tenlastegelegde moord te worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

Feit 1:

Uit het onderzoek ter terechtzitting en het procesdossier is het navolgende gebleken.

Op 7 juni 2007 reed de verdachte in Rotterdam op een fiets die bleek gestolen te zijn. De verdachte heeft de fiets teruggeven aan een oudere man en zijn kleinzoon die beweerden rechthebbende van die fiets te zijn, nadat zij hem hadden gezegd dat de fiets gestolen was.

Hierna liep de verdachte weg. Een groepje jongens, waartoe het latere slachtoffer 1, [..], behoorde, was getuige van dit voorval. Zij zijn naar de verdachte toegelopen en hebben hem aangesproken. De verdachte is hierbij ook uitgescholden. Een van de jongens gaf hem hierbij een duw tegen zijn hoofd. De verdachte trok daarop een mes uit zijn rechterbroekzak. Toen [slachtoffer 1] het mes in de handen van de verdachte zag, heeft hij hem een vuistslag in zijn gezicht gegeven. De verdachte rende direct daarop weg. [Slachtoffer 1] rende vervolgens achter de verdachte aan en werd daarbij gevolgd door een van de anderen van het groepje.

De verdachte stopte daarop plotseling, draaide zich om, maakte een naar voren gerichte steekbeweging met het inmiddels door hem geopende mes en raakte [slachtoffer 1], die dicht achter de verdachte liep, in de borst. Als gevolg hiervan is het hart geraakt. Het slachtoffer is kort daarop overleden door het bloedverlies dat hierdoor werd veroorzaakt.

De verdachte moet hebben beseft, dat hij het slachtoffer dodelijk zou raken, wanneer hij met een mes in de hand en gehouden op borsthoogte zich zou omdraaien en daarmee een zwaaiende en stekende beweging zou maken, terwijl het slachtoffer dicht achter hem rende. De verdachte heeft dan ook bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij het slachtoffer dodelijk zou raken door te handelen zoals hij heeft gedaan.

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte uit noodweer dan wel putatief noodweer heeft gehandeld. De verdachte heeft geprobeerd weg te komen, maar is hierin niet geslaagd doordat het slachtoffer sneller was en hem heeft ingehaald. De verdachte werd bedreigd gezien het verbale geweld dat is gebruikt, de klappen die zijn uitgedeeld en de achtervolging door vier man. Voorts blijkt uit de foto’s van het slachtoffer die in het dossier zitten dat deze een schroevendraaier bij zich had. Tot slot hadden de vier belagers allen meerdere antecedenten, dit blijkt uit de aantekeningen die zich in het dossier bevinden. De verdachte heeft zich onder deze omstandigheden mogen verdedigen.

Uit het feitencomplex, dat door de rechtbank is vastgesteld, blijkt dat de verdachte met het mes in zijn hand is weggerend en niet - zoals de raadsman heeft aangevoerd - dat hij het mes eerst heeft gepakt terwijl hij voor het slachtoffer vluchtte. Niet is aannemelijk geworden dat het voor de verdachte niet mogelijk was zich aan zijn achtervolgers te onttrekken door te blijven rennen. Evenmin is aannemelijk geworden dat de verdachte, op het moment dat hij stopte en zich met het opengeklapte mes omdraaide, ten onrechte in de veronderstelling kon verkeren dat hij dusdanig belaagd werd, dat hij zich wel moest verdedigen.

Onder deze omstandigheden dient het beroep op (putatief) noodweer te worden verworpen.

Feit 2:

De verdachte heeft een arrestantenverzorger op het politieburo in het gezicht geslagen.

Nadat de arrestantenverzorger de verdachte voor de derde maal had gesommeerd om te gaan staan in een halletje waar ze zicht op hem zou kunnen hebben, en de verdachte bij zijn linkerhand vastpakte met de mededeling “ga nou”, sloeg de verdachte haar met een vuist op haar linkeroog en kaak.

Als gevolg hiervan heeft zij pijn ondervonden en letsel aan haar oogkas en wang opgelopen.

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1. subsidiair

hij op 07 juni 2007 te Rotterdam opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer 1], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk met een mes, in

de borst, , van die [slachtoffer 1] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden.

2.

hij op 12 juni 2007 te Rotterdam, opzettelijk mishandelend een

ambtenaar, te weten [slachtoffer 2], gedurende de

rechtmatige uitoefening van haar bediening, meermalen in het

gezicht heeft geslagen waardoor voornoemde ambtenaar letsel

heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1 subsidiair

doodslag;

2

mishandeling, terwijl het feit wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van haar bediening.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

MOTIVERING VAN DE STRAF

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten - waarbij het zwaartepunt vooral is gelegen in de bewezenverklaarde doodslag-, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer1] op de openbare weg met een mes in zijn bovenlichaam gestoken en in zijn hart geraakt, waardoor deze ten gevolge van verbloeding is overleden.

De verdachte heeft zich hierdoor schuldig gemaakt aan een van de ernstigste delicten die het Wetboek van strafrecht kent. De verdachte heeft niet alleen het leven ontnomen aan een jongen van 18 jaar, die nog een heel leven voor zich had, maar heeft tevens onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer [1]. Dit soort delicten versterkt de in de samenleving bestaande gevoelens van onveiligheid. Dit geldt in het bijzonder voor de personen die getuige zijn geweest van de steekpartij en het slachtoffer op straat hebben zien doodbloeden.

Daarnaast heeft de verdachte een arrestantenverzorger in het gezicht geslagen nadat zij hem aanraakte omdat hij niet wilde doen wat zij hem vroeg.

Dit is ook een ernstig feit en benadrukt nog eens dat de verdachte geen enkel respect heeft voor de lichamelijke integriteit van zijn medemens. Het moet voor het slachtoffer [slachtoffer 2] een schokkende ervaring zijn geweest om tijdens haar werk te worden mishandeld. De verdachte heeft met zijn gedraging haar gezag ondermijnd en heeft geen enkel respect jegens de ambtenaar getoond.

De verdachte heeft beide feiten gepleegd nadat hij nog geen twee weken op vrije voeten was gesteld en terwijl hij nog in een proeftijd liep.

Over de verdachte zijn in 2005 en 2006 rapportages opgemaakt. Hieruit komt naar voren dat zich bij de verdachte een persoonlijkheidsstoornis ontwikkelde. Zijn situatie wordt als zorgelijk omschreven. De daar omschreven problematiek zou een TBS-maatregel rechtvaardigen.

De verdachte is ter observatie geplaatst in het Pieter Baan Centrum (PBC). Echter doordat hij niet meewerkte aan enig onderzoek in het PBC heeft hij nagenoeg geen inzicht gegeven in zijn persoon en zijn persoonlijkheid. Uit het rapport van de psycholoog en de psychiater blijkt dat zij geen uitspraak kunnen doen over de persoonlijkheid van de verdachte. De bevindingen uit de eerdere rapportages kunnen weerlegd noch bevestigd worden.

Hoewel uit de eerdere rapportages blijkt van forse problemen in de ontwikkeling van de persoonlijkheid van de verdachte, ziet de rechtbank geen mogelijkheid om op basis van deze rapportages de maatregel van TBS op te leggen, nu de observaties in het PBC niet tot enige conclusie over verdachtes persoonlijkheid hebben geleid en er hierdoor onvoldoende informatie is over de actuele problematiek van de verdachte.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is acht geslagen op het op verdachtes naam gesteld Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 december 2007, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld, waaronder ook voor openlijk geweld.

Voor de bewezen verklaarde feiten dient een gevangenisstraf van aanzienlijke duur te worden opgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding de mogelijke duur van een

TBS-maatregel mee te nemen in de hoogte van de straf - zoals door de officier van justitie betoogd - nu deze maatregel naar haar oordeel niet op grond van de voorhanden zijnde rapportages kan worden opgelegd.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf ook gelet op de rol van [slachtoffer 1], die zonder enige aanleiding de confrontatie met de verdachte heeft gezocht en die heeft laten voortduren door achter verdachte aan te gaan, met uiteindelijk de fatale steekpartij tot gevolg. Mede hierdoor valt de straf lager uit dan de eis van de officier van justitie.

Alles afwegend worden na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERINGEN BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

[benadeelde partij 1]

Als benadeelde partij heeft zich terzake van feit 1 in het geding gevoegd: [benadeelde partij 1], wonende te [adres], via zijn raadsman mr. M. de Reus te Rotterdam. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade € 4.040,- en vergoeding van de immateriële schade (shockschade) tot een bedrag van € 20.000,-. Door de raadsman van de benadeelde partij is betoogd is dat deze benadeelde partij [1] zijn zoon op straat heeft zien liggen, terwijl deze wellicht niet meer in leven was. Hierdoor heeft hij geestelijk letsel opgelopen.

Uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat aan de benadeelde partij [1] als gevolg van het bewezen verklaarde feit 1 rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid gelet op algemene ervaringsregels (voorlopig) worden vastgesteld € 5.000, - zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij [1] dat betrekking heeft op de materiële schade is niet van eenvoudige aard, nu de overgelegde rekeningen niet op naam van de benadeelde partij [1] staan en ook niet blijkt dat hij deze rekeningen heeft betaald. Dit deel van de vordering leent zich niet voor behandeling in dit strafgeding.

De benadeelde partij [1] zal niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover deze niet zal worden toegewezen.

Nu de vordering van de benadeelde partij [1] gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij [1] gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Benadeelde partij 2:

Als benadeelde partij heeft zich terzake van feit 1 in het geding gevoegd: benadeelde partij 2, broer van het slachtoffer [1] , wonende te [adres], via zijn raadsman mr. M. de Reus te Rotterdam. De benadeelde partij [2] vordert vergoeding van immateriële schade (shockschade) tot een bedrag van € 20.000,-.

De raadsman van de benadeelde partij [2] heeft aangevoerd dat deze benadeelde partij aanwezig is geweest bij de steekpartij en het overlijden van zijn broer op straat.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [2] als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid (voorlopig) worden vastgesteld op € 2. 500,- zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met de rol die de benadeelde partij [2] heeft gespeeld bij de confrontatie tussen de verdachte en zijn belagers. Voor het overige zal de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Nu de vordering van de benadeelde partij [2] gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij [2] gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 57, 287, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van zes (6) jaar;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [1] bij wijze van voorschot toe tot een bedrag van € 5.000,- (zegge: vijfduizend euro) en veroordeelt verdachte dit bedrag tegen kwijting aan [benadeelde partij 1], [adres] te betalen;

- verklaart de benadeelde partij [1] niet-ontvankelijk voor wat betreft hetgeen overigens is gevorderd;

- veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij [1] gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [1] voornoemd te betalen € 5.000,- (zegge: vijfduizend euro ), bij gebreke van volledige betaling en volle¬dig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 100 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hech¬tenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [1] tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [1] en omgekeerd;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] bij wijze van voorschot toe tot een bedrag van € 2.500,- (zegge: tweeduizendvijfhonderd euro) en veroordeelt verdachte dit bedrag tegen kwijting aan benadeelde partij [2], [adres] te betalen;

- verklaart de benadeelde partij [2] niet-ontvankelijk voor wat betreft hetgeen overigens is gevorderd;

- veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij [2] gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [1] voornoemd te betalen € 2. 500,- (zegge: tweeduizendvijfhonderd euro ), bij gebreke van volledige betaling en volle¬dig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 50 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hech¬tenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [2] tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Puite, voorzitter,

en mrs. Peeck en Wurzer-Leenhouts, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Ramdihal, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 mei 2008.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van:

TEKST TENLASTELEGGING / TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING / TEKST NADER OMSCHREVEN TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat hij

1.

hij op of omstreeks [datum] te Rotterdam opzettelijk en met voorbedachten

rade een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft

verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes,

althans een scherp en/of puntig voorwerp, een- of meermalen in en/of in de

richting van de borst, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] gestoken,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

(art 289 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 07 juni 2007 te Rotterdam opzettelijk een persoon, genaamd

[slachtoffer 1], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk

met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, een- of meermalen in

en/of in de richting van de borst, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1]

gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [ slachtoffer 1] is overleden;

(artikel 287 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks [ datum] te Rotterdam, opzettelijk mishandelend een

ambtenaar, te weten [slachtoffer 2], gedurende en/of terzake van de

rechtmatige uitoefening van haar bediening, een- of meermalen in/op/tegen het

gezicht heeft geslagen en/of gestompt, waardoor voornoemde ambtenaar letsel

heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 304/300 Wetboek van Strafrecht)