Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BD2176

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
21-05-2008
Zaaknummer
287362 / HA ZA 07-1688
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wilsovereenstemming inzake overeenkomst tot afstand van recht. Volmacht tot doorhaling hypotheek tevens afstand van het vorderingsrecht tot zekerheid waarvan hypotheek was gevestigd? Zorgplicht notaris bij verkrijging volmacht van hypotheekhouder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 287362 / HA ZA 07-1688

Uitspraak: 23 april 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. M.W. Huijzer,

- tegen -

1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. O.R. van Hardenbroek,

2. De maatschap naar burgerlijk recht [gedaagde 2],

gevestigd te Enschede,

gedaagde,

procureur: mr. S.P.J.F. Zwanen.

Partijen worden verder aangeduid als “[eiser]”, “[gedaagde 1]” respectievelijk “[gedaagde 2]”.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaardingen d.d. 20 juni 2007 en 22 juni 2007 met producties;

- conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde 1];

- conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde 2], met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 17 oktober 2007, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 14 februari 2008;

- de ter gelegenheid van de comparitie van partijen door [eiser] overgelegde

brief en producties.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:

2.1 Op 15 december 1999 heeft [gedaagde 1] bij notariële akte ten behoeve van [eiser] een recht van hypotheek en pand gevestigd op een appartementsrecht op nader omschreven woonruimte te Maastricht. Het recht van hypotheek is gevestigd tot zekerheid voor de terugbetaling door [gedaagde 1] van een door haar van [eiser] geleend bedrag van NLG 100.000.

2.2 De hypotheekakte vermeldt – voor zover hier relevant – de volgende bepalingen ter zake van de onder 2.1 genoemde geldlening:

“2. Rente

Vanaf heden is over de hoofdsom respectievelijk het restant daarvan een rente verschuldigd berekend naar zes procent (6%) per jaar, te betalen op het moment van verkoop van na te melden registergoed.

Extra rente

Bij verkoop van na te melden registergoed zal veertig procent (40%) van het positieve verschil tussen de koopprijs en tweehonderddrieënzeventig duizend gulden (f 273.000,00) worden uitbetaald aan de schuldeiser.”

2.3 In december 2001 heeft [gedaagde 1] de hoofdsom van NLG 100.000 aan [eiser] terugbetaald.

2.4 In juli 2002 heeft [gedaagde 1] het onder 2.1 genoemde appartementsrecht verkocht voor € 140.000 (NLG 308.519,40). Het appartementsrecht is op 8 augustus 2002 geleverd.

2.5 In verband met de op het appartementsrecht rustende hypotheek heeft een medewerker van [gedaagde 2] in augustus 2002 telefonisch contact met Van ‘t Veld opgenomen, waarna [eiser] een hem door [gedaagde 2] toegezonden “Volmacht voor vervallenverklaring hypotheek (geheel royement)” (hierna: de volmacht) heeft ondertekend en aan [gedaagde 2] teruggestuurd. Blijkens de volmacht verleent [eiser] één van de medewerkers van [gedaagde 2] volmacht te verklaren:

“dat na te melden hypotheek geheel is vervallen omdat:

de vordering tot zekerheid waarvoor zij werd verleend is voldaan en/of

de overeenkomst of rechtsverhouding tot waarborg waarvan zij strekte – voor zover verbonden aan deze hypothecaire zekerheid – is beëindigd;”

2.6 Op basis van de verklaring van de in 2.5 bedoelde gevolmachtigde is de hypotheek ten behoeve van [eiser] vervallen verklaard. De van deze vervallenverklaring opgemaakte akte is ingeschreven in de registers.

3 De vordering

De vordering luidt – verkort weergegeven – om, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

- te verklaren voor recht dat [gedaagde 2] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade;

- [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eiser] van schadevergoeding ten bedrage van € 11.892,58, te vermeerderen met de wettelijke rente;

- [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 904,

een en ander met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten, met inbegrip van de nakosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiser] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd.

De vordering jegens [gedaagde 1]

3.1 [gedaagde 1] is de onder 2.2 genoemde op haar rustende verplichtingen uit hoofde van de geldlening niet nagekomen. Zij dient de overeengekomen rente en extra rente alsnog te voldoen.

De vordering jegens [gedaagde 2]

3.2 [gedaagde 2] heeft haar zorgplicht jegens [eiser] geschonden door hem voorafgaande aan het tekenen van de volmacht niet te informeren over het feit dat hij door ondertekening tevens afstand zou doen van de bij de geldlening bedongen rente en extra rente. Zou hij dit hebben geweten, dan zou hij de volmacht niet hebben ondertekend; [gedaagde 1] had de rente en de extra rente immers nog niet voldaan.

3.3 Voorts heeft [gedaagde 2] haar zorgplicht geschonden door bij de totstandkoming van de volmacht geen acht te slaan op het feit dat de hypotheek tevens ziet op de bij de geldlening bedongen rente en extra rente. Omdat [gedaagde 1] deze nog niet heeft betaald, is de inhoud van de akte feitelijk onjuist.

3.4 [eiser] heeft door het onzorgvuldig handelen van [gedaagde 2] schade geleden tot het bedrag van de rente en de extra rente. [gedaagde 2] dient die schade te vergoeden.

4 De verweren

De verweren strekken tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiser] in de kosten van het geding, in het geval van [gedaagde 2] met inbegrip van de nakosten.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben daartoe respectievelijk het volgende aangevoerd:

Het verweer van [gedaagde 1]

4.1 [gedaagde 1] en [eiser] hebben een nieuwe afspraak gemaakt over de verschuldigde rente van 6%: [gedaagde 1] was die rente niet verschuldigd indien zij het bedrag van de hoofdsom zou terugbetalen voordat zij haar appartementsrecht zou verkopen. Nu zij de hoofdsom in december 2001 heeft terugbetaald en het appartementsrecht eerst in juli 2002 is verkocht, is zij de rente niet verschuldigd.

4.2 [gedaagde 1] heeft [eiser] kort na de terugbetaling van de hoofdsom een bedrag van € 5.000 in contanten betaald. Dit betreft een betaling ter zake de extra rente die [gedaagde 1] verschuldigd zou worden bij verkoop van haar woning. Naar aanleiding daarvan heeft [eiser] [gedaagde 1] kwijting verleend voor al hetgeen uit hoofde van de geldlening verschuldigd was. [gedaagde 1] heeft dus geen verplichtingen meer jegens [eiser].

4.3 Door middel van de volmacht heeft [eiser] de kwijting bevestigd. Subsidiair – zo begrijpt de rechtbank – heeft de volmacht het gevolg dat [eiser] daarmee afstand heeft gedaan van zijn recht op de bedongen rente en extra rente.

Het verweer van [gedaagde 2]

4.4 [gedaagde 2] heeft geen jegens [eiser] bestaande zorgplicht geschonden. In dit geval is geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan [gedaagde 2] ook jegens een derde als [eiser] een bijzondere zorgplicht zou hebben. Bovendien heeft [gedaagde 2] in dit geval voldoende zorgvuldig gehandeld bij de totstandkoming van de volmacht. Ten slotte moet [eiser] de inhoud en strekking van de volmacht hebben begrepen.

4.5 Verder heeft [eiser] geen schade geleden ten gevolge van mogelijk onzorgvuldig handelen van [gedaagde 2]. [eiser] heeft immers [gedaagde 1] na haar betaling van € 5.000 kwijting verleend voor het verschuldigde uit de geldlening. Evenmin is sprake van causaal verband: de doorhaling van de hypotheek heeft immers de overeenkomst van geldlening tussen [eiser] en [gedaagde 1] onverlet gelaten.

4.6 In elk geval heeft [eiser] eigen schuld, op grond waarvan de vergoedingsplicht van [gedaagde 2] nihil is. De schade is immers ontstaan doordat [eiser] heeft nagelaten [gedaagde 1] ten tijde van de verkoop van haar appartementsrecht op de rente en de extra rente aan te spreken.

5 De beoordeling

De vordering jegens [gedaagde 1]

5.1 Ten verwere tegen de vordering stelt [gedaagde 1] onder meer dat [eiser] haar bij gelegenheid van de betaling van € 5.000 in contanten finale kwijting heeft verleend ter zake van het verschuldigde uit hoofde van de geldlening. De rechtbank overweegt als volgt.

5.2 Op grond van artikel 6:160 BW gaat een verbintenis teniet door een overeenkomst van de schuldeiser met de schuldenaar, waarbij de schuldeiser van zijn vorderingsrecht afstand doet. Gaat het om afstand om niet – zoals in het geval van kwijtschelding – dan is voor de totstandkoming van een dergelijke overeenkomst voldoende dat de schuldenaar een aanbod van de schuldeiser niet onverwijld na kennisneming heeft afgewezen. Het komt dus aan op de vraag of [eiser] een aanbod heeft willen doen strekkende tot afstand van zijn aanspraken uit de geldlening en of – bij ontbreken van die wil – [gedaagde 1] niettemin op grond van de verklaringen en gedragingen van [eiser] gerechtvaardigd heeft vertrouwd dat die afstand was beoogd.

5.3 [gedaagde 1] stelt dat [eiser] bij de betaling van € 5.000 heeft gezegd “dat het goed was zo”. Komen zowel de betaling als de reactie van [eiser] vast te staan, dan leidt dat naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie dat tussen partijen metterdaad een overeenkomst is tot stand gekomen strekkende tot afstand van de vorderingsrechten van [eiser] uit hoofde van de geldlening. In dat geval moet in de gegeven omstandigheden worden geoordeeld dat [gedaagde 1] gerechtvaardigd heeft vertrouwd op een aanbod daartoe van [eiser], daargelaten of [eiser] dat aanbod ook heeft willen doen. Daartoe wijst de rechtbank op het volgende. Voor de beantwoording van de vraag wanneer sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, zoals de aard van de rechtshandeling, de bijzondere (on)deskundigheid van partijen, de mogelijkheid van nader onderzoek naar de wil van degene die verklaart of handelt en de met de handeling verbonden voor- en nadelen voor de bij de handeling betrokken partijen. In dit geval acht de rechtbank allereerst van belang dat – indien de gestelde betaling van € 5.000 komt vast te staan – in elk geval een wezenlijk deel van de op [gedaagde 1] rustende verbintenissen zou zijn voldaan. Voorts acht de rechtbank de bijzondere verhouding tussen partijen in de hier relevante periode van belang. Deze was blijkens de verklaringen van [gedaagde 1] ter comparitie, welke door [eiser] zijn bevestigd, van niet-zakelijke aard: als zuster van de toenmalige partner van [eiser] kwam [gedaagde 1] vaak bij hem thuis, en zij bestempelde de verhouding als “zeer informeel” en als “gezin met zijn drieën bij elkaar”. [eiser] beschikte bovendien over een financiële volmacht voor de financiën van [gedaagde 1]. In dergelijke verhoudingen heeft [gedaagde 1] gerechtvaardigd kunnen vertrouwen dat – indien haar stellingen komen vast te staan – na haar betaling van € 5.000 de reactie van [eiser] “dat het goed was zo” een aanbod tot afstand inhield.

5.4 Gelet op het hiervoor overwogene acht de rechtbank beide door [gedaagde 1] gestelde feiten – de betaling en de reactie van [eiser] – noodzakelijk voor de conclusie dat sprake is van een overeenkomst tot afstand. Komen de gestelde feiten vast te staan, dan moet dat leiden tot afwijzing van de vordering. In dat geval is de verbintenis van [gedaagde 1] uit hoofde van de geldlening immers teniet gegaan.

5.5 [eiser] betwist evenwel de door [gedaagde 1] gestelde betaling van € 5.000. Zijn verklaring ter comparitie begrijpt de rechtbank aldus dat hij daarmee ook de door [gedaagde 1] gestelde reactie op die betaling betwist. Gelet op deze betwisting en op het hiervoor onder 5.3 en 5.4 overwogene, ligt het op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv op de weg van [gedaagde 1] bewijs aan te dragen voor de door haar gestelde betaling en de reactie van [eiser]. Zij beroept zich immers op de rechtsgevolgen daarvan, te weten het teniet gaan van haar verbintenis uit hoofde van de geldlening. De rechtbank zal [gedaagde 1] tot deze bewijslevering toelaten.

5.6 Slaagt [gedaagde 1] niet in deze bewijslevering, dan geldt het volgende.

5.7 Voor de beoordeling van de vorderingen is voorts van belang vast te stellen welke aanspraken van [eiser] uit hoofde van de geldlening nog bestaan. Behalve op de betaling van € 5.000, beroept [gedaagde 1] zich op een nieuwe, “informele” afspraak tussen partijen inzake de betaling van 6% rente. Volgens die nieuwe afspraak zou [gedaagde 1] deze rente niet hoeven te betalen indien zij de hoofdsom zou terugbetalen voordat zij het appartementsrecht zou verkopen. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van [gedaagde 1] ter comparitie dat ook haar bijdrage van € 3.800 aan de vloer van haar appartement in mindering komt op haar verbintenissen uit de geldlening. [gedaagde 1] heeft die stelling onvoldoende onderbouwd, temeer nu zij heeft opgemerkt dat zij een en ander niet jegens [eiser] heeft uitgesproken. Bovendien valt het verband tussen de bijdrage en de verplichtingen uit de geldlening niet zonder meer in te zien. Het ging immers om de vloer in haar eigen appartement. [eiser] betwist de gestelde nieuwe afspraak inzake de rente van 6% en stelt dat de partijafspraken volledig zijn weergegeven in de hypotheekakte van 15 december 1999. Gelet op deze betwisting is het aan [gedaagde 1] bewijs te leveren van haar stellingen in dit verband. Zij beroept zich immers op de rechtsgevolgen van de nieuwe afspraak. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank haar gelijktijdig met de onder 5.5 bedoelde bewijslevering tot dit bewijs toelaten.

5.8 Slaagt [gedaagde 1] in het bewijs van de gestelde afspraak met betrekking tot de rente van 6%, dan moet de vordering van [eiser] die daarop betrekking heeft worden afgewezen. Vast staat immers dat [gedaagde 1] de hoofdsom heeft terugbetaald (december 2001) voordat zij het appartementsrecht heeft verkocht (juli 2002).

5.9 Komt bij de onder 5.5 bedoelde bewijslevering de betaling van € 5.000 vast te staan (maar niet de daar bedoelde reactie van [eiser]), dan moet de vordering van [eiser] in zoverre worden afgewezen. In dat geval staat immers vast dat [eiser] al € 5.000 van de door hem gevorderde extra rente heeft ontvangen.

5.10 Slaagt [gedaagde 1] niet in het bewijs van de gestelde afspraak met betrekking tot de rente van 6% en/of niet in het bewijs van de betaling van € 5.000, dan ligt de vordering van [eiser] jegens haar (voor het aldus resterende deel) voor toewijzing gereed. In dat geval moet worden vastgesteld dat de bij de geldlening bedongen rente en extra rente nog niet (volledig) door [gedaagde 1] zijn voldaan. [gedaagde 1] is bovendien in verzuim: zij heeft de in de hypotheekakte van 15 december 1999 opgenomen termijn voor voldoening (verkoop van het appartement) ongebruikt laten verstrijken, terwijl [gedaagde 1] geen feiten heeft gesteld die zouden moeten leiden tot de conclusie dat deze termijn een andere strekking heeft. Toewijsbaarheid zou slechts dan niet aan de orde zijn indien zou moeten worden geoordeeld dat [eiser] – zoals [gedaagde 1] stelt en [eiser] betwist – door middel van de volmacht en de daarop volgende vervallenverklaring afstand heeft gedaan van zijn vorderingen uit hoofde van de geldlening. Daarvan is echter geen sprake. De rechtbank wijst op het volgende.

5.11 Hier geldt het onder 5.2 geschetste kader evenzeer. Onweersproken heeft [eiser] gesteld dat hij geen op afstand gerichte wil heeft gehad. De rechtbank begrijpt de stellingen van [gedaagde 1] aldus dat zij op het bestaan van die wil heeft vertrouwd. [eiser] heeft dat niet betwist. Voor de beantwoording van de vervolgvraag of het vertrouwen van [gedaagde 1] gerechtvaardigd was, acht de rechtbank allereerst van belang dat de stukken waaraan [gedaagde 1] dat vertrouwen heeft ontleend (de volmacht, de op basis daarvan afgelegde verklaring van de gevolmachtigde en de leveringsakte van 6 augustus 2002) op zichzelf niet handelen over de aanspraken van [eiser] uit hoofde van de geldlening, maar slechts over de tot zekerheid van die aanspraken gevestigde hypotheek. De verklaringen vonden ook niet plaats in het rechtstreekse – informele – verkeer tussen [eiser] en [gedaagde 1], maar via [gedaagde 2] en neergelegd in formele documenten. Voorts geldt dat het hier gaat om een rechtshandeling om niet, ten nadele van de ene partij ([eiser]) en ten voordele van de andere ([gedaagde 1]). Ten aanzien van dergelijke rechtshandelingen is minder spoedig sprake van gerechtvaardigd vertrouwen, en zullen eerder redenen bestaan voor degene die heeft vertrouwd om zich van de werkelijke bedoelingen van de andere partij te vergewissen. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde 1] dergelijk onderzoek heeft verricht of dat dergelijk onderzoek niet mogelijk was. Verder is niet gebleken van bijzondere deskundigheid van [eiser] op het onderhavige terrein. Die bijzondere deskundigheid volgt niet uit het enkele feit dat [eiser] kennelijk deskundig is op het gebied van informatiearchitectuur. Andere feiten relevant voor de vraag of [gedaagde 1] gerechtvaardigd heeft vertrouwd zijn niet gesteld of gebleken. Op grond van genoemde omstandigheden in samenhang bezien is naar het oordeel van de rechtbank van gerechtvaardigd vertrouwen geen sprake, zodat geen overeenkomst tot afstand is tot stand gekomen. Het daarop gerichte verweer van [gedaagde 1] faalt.

5.12 In afwachting van de onder 5.5 en 5.7 bedoelde bewijsvoering zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden.

De vordering jegens [gedaagde 2]

5.13 [eiser] stelt dat [gedaagde 2] op twee gronden onzorgvuldig jegens hem heeft gehandeld. In de eerste plaats is van onzorgvuldigheid sprake op de grond dat [gedaagde 2] hem bij gelegenheid van het tot stand komen van de volmacht niet heeft geïnformeerd over het feit dat hij daarmee tevens afstand zou doen van zijn aanspraken op de rente en de extra rente. In de tweede plaats is volgens [eiser] sprake van onzorgvuldig handelen omdat [gedaagde 2] geen acht heeft geslagen op het feit dat de hypotheek tevens ziet op de rente en extra rente, zodat onjuist is de opmerking in de volmacht dat de vordering tot zekerheid waarvoor de hypotheek werd verleend voldaan is. Eerstgenoemde feitelijke grondslag kan niet tot aansprakelijkheid van [gedaagde 2] leiden. Zoals volgt uit 5.11 is immers niet komen vast te staan dat [eiser] door middel van de volmacht afstand heeft gedaan van de hier bedoelde aanspraken. In verband met de tweede grondslag overweegt de rechtbank als volgt.

5.14 De notaris dient op straffe van aansprakelijkheid voor de geleden schade jegens zijn cliënt de zorgvuldigheid in acht te nemen die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Onder bijzondere omstandigheden geldt deze norm ook jegens derden die mogelijkerwijs zijn betrokken bij de door de cliënt van de notaris van hem verlangde ambtsverrichtingen. Zo geldt in het geval van het verlijden van een akte jegens alle belanghebbenden en niet slechts jegens de partijen bij de in de akte opgenomen rechtshandeling een zwaarwegende zorgplicht van de notaris (HR 20 december 2002, NJ 2003, 325). In dit licht bezien is de rechtbank van oordeel dat op [gedaagde 2] ook jegens [eiser] de hier bedoelde bijzondere zorgplicht rustte. Voor het tot stand komen van de door [gedaagde 1] gewenste rechtshandeling (de levering van het appartement) was immers de medewerking van [eiser] vereist, terwijl die medewerking voor [eiser] nadelig was (vervallen verklaring van een te zijnen behoeve gevestigde hypotheek). Anders dan [gedaagde 2] betoogt, is daarmee voldoende gebleken van bijzondere omstandigheden die leiden tot een zorgplicht van [gedaagde 2] jegens een derde als [eiser].

5.15 [gedaagde 2] betwist op zichzelf niet dat zij [eiser] niet uitdrukkelijk heeft gevraagd of [gedaagde 1] reeds de rente en extra rente had voldaan. Wel stelt zij ter onderbouwing van haar verweer dat van onzorgvuldigheid geen sprake is – zakelijk weergegeven – het volgende:

- één van haar medewerkers heeft telefonisch contact opgenomen met [eiser] en hem gevraagd of hij uit hoofde van de hypotheek nog iets van [gedaagde 1] te vorderen had;

- [eiser] antwoordde dat [gedaagde 1] alles had betaald en dat hij niets meer van haar te vorderen had;

- naar aanleiding van dit antwoord heeft de medewerker ter ondertekening de volmacht aan [eiser] toegezonden, met daarin de passage dat “de vordering tot zekerheid waarvoor [de hypotheek] werd verleend is voldaan”.

[gedaagde 2] heeft deze stellingen nader onderbouwd met een schriftelijke verklaring van de betrokken medewerker. Op zijn beurt betwist [eiser] deze weergave van de feiten niet. Op grond van deze aldus vaststaande feiten oordeelt de rechtbank dat [gedaagde 2] niet in strijd met de op haar rustende zorgplicht heeft gehandeld. Zij heeft immers navraag bij [eiser] gedaan, daarbij duidelijk gemaakt dat het ging om diens hypotheek, gevraagd of [gedaagde 1] alles betaald had en naar aanleiding van het antwoord van [eiser] de volmacht ter ondertekening verstuurd. De in het telefoongesprek gebruikte bewoordingen (“alles betaald”) maakten voldoende duidelijk dat het ging om alle met de hypotheek verband houdende verplichtingen van [gedaagde 1]. Die bewoordingen zijn bovendien daarna nog eens schriftelijk bevestigd in de aan [eiser] toegestuurde volmacht. In het licht van die omstandigheden is het enkele feit dat [gedaagde 2] niet uitdrukkelijk gevraagd heeft naar de rente en de extra rente onvoldoende voor de conclusie dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld.

5.16 Nu [gedaagde 2] met de vereiste mate van zorgvuldigheid heeft gehandeld, is geen sprake van toerekenbaar tekortschieten in enigerlei verbintenis noch van onrechtmatigheid. De vorderingen van [eiser] jegens [gedaagde 2] zullen daarom bij eindvonnis worden afgewezen. In het midden kan dus blijven welke de invloed zou zijn van de uitkomst van de onder 5.5 en 5.7 bedoelde bewijsvoering voor de vorderingen op [gedaagde 2]. Ook de stellingen van [eiser] met betrekking tot de schade en het causaal verband behoeven geen bespreking.

5.17 Ook inzake de vorderingen van [eiser] jegens [gedaagde 2] zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden.

6 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

draagt [gedaagde 1] op het bewijs van haar stelling dat (1) zij € 5.000 aan [eiser] heeft betaald en (2) [eiser] op die betaling heeft gereageerd met de opmerking “dat het wel goed is zo”;

draagt [gedaagde 1] op het bewijs van haar stelling dat zij en [eiser] hebben afgesproken dat zij geen 6% rente was verschuldigd uit hoofde van de geldlening indien zij de hoofdsom zou terugbetalen voordat zij het appartementsrecht zou verkopen;

bepaalt dat indien [gedaagde 1] dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. Th. Veling;

bepaalt dat de procureur van [gedaagde 1] binnen twee weken na vonnisdatum aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan haar zijde in de maanden juni tot en met september 2008 en dat de procureur van [eiser] binnen dezelfde periode opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Velling.

Uitgesproken in het openbaar.

1980/1694