Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BD1389

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
13-05-2008
Zaaknummer
279381 / HA ZA 07-585
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet Consumenten Krediet zaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 279381 / HA ZA 07-585

Uitspraak: 26 maart 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap CREDIET MAATSCHAPPIJ “DE IJSSEL” B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

procureur mr. D.L.A. van Voskuilen,

advocaat mr. A.M. van Heest te Rotterdam,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te Krimpen aan den IJssel,

gedaagde,

procureur mr. J.C. Moree,

advocaat mr. L.P. Quist te Zwijndrecht.

Partijen worden hierna aangeduid als "De IJssel" respectievelijk "[gedaagde]".

1. Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 9 februari 2007 en de door De IJssel overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 6 juni 2007, waarbij een comparitie van partijen

is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 26 september 2007;

- de ter gelegenheid van de comparitie van partijen door De IJssel overgelegde producties.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1

[gedaagde] heeft op 3 november 2004 met De IJssel een doorlopende kredietovereenkomst gesloten, onder nummer 712288201 (verder: de kredietovereenkomst), uit hoofde waarvan De IJssel aan [gedaagde] een kredietfaciliteit heeft verschaft van € 29.150,- en [gedaagde] zich heeft verplicht tot maandelijkse betaling van een kredietvergoeding.

2.2

[gedaagde] is sinds medio 2006 in gebreke de maandelijkse kredietvergoeding te voldoen.

3. De vordering

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen aan De IJssel te voldoen een bedrag van € 31.397,46, vermeerderd met overeengekomen kredietvergoeding over € 30.237,66 vanaf 12 januari 2007 en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft De IJssel aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1

Gezien het tekortschieten door [gedaagde] in de betaling van de maandelijkse kredietvergoeding is De IJssel, op grond van de op de kredietovereenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden, gerechtigd om het restantverschuldigde thans ineens op te vorderen, zijnde een bedrag van € 30.237,66, te vermeerderen met de kredietvergoeding, welke tot 12 januari 2007 € 1.159,80 bedraagt.

4. Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van De IJssel in de kosten van het geding.

[gedaagde] heeft daartoe - verkort weergegeven - het volgende aangevoerd:

4.1

Omdat [gedaagde] eind 2004 met grote schulden kampte heeft zij op advies van de AWB Adviesgroep B.V. (‘AWB’) de onderhavige kredietovereenkomst gesloten met De IJssel, waarbij de schulden werden ingelost en het restant van het geleende bedrag, ad € 11.000,-, bij de vennootschap naar Pools recht Green Horizon S.p.z.o.o. werd belegd in bomen.

Deze koppeling van de kredietovereenkomst met de koop van bomen in Polen is aan te merken als een koppelverkoop. Koppelverkoop is op grond van de Mededingingswet verboden. Dit leidt tot nietigheid van de kredietovereenkomst.

4.2

De IJssel beschikt niet over de vereiste vergunning om een kredietovereenkomst als de onderhavige aan te gaan. Dit leidt ertoe dat de kredietovereenkomst op grond van artikel 10 van de Wet Financiële Dienstverlening (‘Wfd’) nietig, althans vernietigbaar is.

4.3

[gedaagde] had grote schulden. Voor De IJssel was op eenvoudige wijze vast te stellen dat [gedaagde] niet in staat was om de kredietvergoeding te voldoen. De IJssel had gelet op het bepaalde in artikel 51, 52 jo. 100 Wfd en artikel 59 en 60 Besluit financiële dienstverlening (‘Bfd’) de overeenkomst niet met haar mogen aangaan. Dit leidt ertoe dat de kredietovereenkomst nietig, dan wel vernietigbaar is.

4.4

Ten tijde van het aangaan van de kredietovereenkomst was bovendien bekend dat [gedaagde] haar baan zou verliezen. Verder kampte [gedaagde] met langdurige psychische problemen. Uit de brief van de Arbo-Unie d.d. 6 januari 2004 kan worden opgemaakt dat [gedaagde] mogelijk in de WAO zou belanden. Ook dit had De IJssel moeten meenemen in haar afwegingen toen zij een krediet verstrekte aan [gedaagde]. Ten onrechte heeft zij dit nagelaten.

4.5

Met het voorgaande heeft De IJssel wanprestatie jegens [gedaagde] gepleegd danwel onrechtmatig jegens haar gehandeld. De IJssel is op grond daarvan aansprakelijk voor de door [gedaagde] geleden schade.

4.6

Ingevolge artikel 31 Wfd jo. artikel 30 Bfd is de overeenkomst nietig, dan wel vernietigbaar, omdat de kredietovereenkomst niet de in artikel 30 Wfd genoemde gegevens bevat. Zou de ontbrekende informatie wel aan [gedaagde] zijn verstrekt dan zou [gedaagde] de overeenkomst nimmer zijn aangegaan.

4.7

Op grond van de nietigheid dan wel vernietigbaarheid van de overeenkomst is de rechtsgrond aan de wederzijdse verrichte prestaties komen te ontvallen. Hetgeen ter uitvoering van de overeenkomst is betaald dient als onverschuldigd te worden terugbetaald.

5. De beoordeling

5.1

De kredietovereenkomst waarop De IJssel haar vordering grondt is een krediettransactie in de zin van de Wet op het Consumentenkrediet (‘WCK’).

5.2

Het door [gedaagde] gevoerde verweer dat de kredietovereenkomst nietig is omdat sprake zou zijn van koppelverkoop, faalt.

Als onweersproken staat tussen partijen vast dat met de afgesloten kredietovereenkomst enerzijds bestaande schulden van [gedaagde] zijn afgelost bij de Postbank, Wehkamp en Neckermann en dat het resterende bedrag, ad € 12.278,-, door De IJssel is gestort op de bankrekening van [gedaagde]. Gesteld noch gebleken is dat De IJssel aan haar contractanten bestedingsdoelen voorschrijft ten aanzien van het door haar verstrekte krediet.

[gedaagde] stelt echter dat AWB ten aanzien van het restant bedrag een bestedingsdoel heeft voorgeschreven te weten de aankoop van bomen bij de Poolse vennootschap Green Horizon en dat de handelingen van AWB kunnen worden toegerekend aan De IJssel omdat AWB optrad als vertegenwoordiger van De IJssel. De IJssel heeft dit gemotiveerd weersproken en geeft aan dat AWB een zelfstandige kredietbemiddelaar is en dat derhalve De IJssel niet vereenzelvigd kan worden met AWB, zodat het door bemiddeling van AWB aangaan van de overeenkomst met Green Horizon en deze gestelde koppeling met de kredietovereenkomst door AWB niet aan De IJssel kan worden toegerekend.

Voor het antwoord op de vraag of iemand voor zichzelf dan wel als vertegenwoordiger heeft gehandeld, is beslissend hetgeen de handelende persoon en de wederpartij daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Degene die handelt wordt geacht voor zichzelf te zijn opgetreden, tenzij er aanwijzingen zijn voor het tegendeel.

De enkele omstandigheid dat door tussenkomst van AWB een kredietovereenkomst tot stand is gekomen met De IJssel is onvoldoende grond om aan te nemen dat AWB bij het bemiddelen bij het totstandkomen van de overeenkomst tussen [gedaagde] met Green Horizon eveneens optrad namens De IJssel en evenmin dat de, door [gedaagde] gestelde, koppeling tussen de met Green Horizon gesloten overeenkomst en de kredietovereenkomst is toe te rekenen aan De IJssel. Gezien de gemotiveerde betwisting door De IJssel lag het op de weg van [gedaagde] voornoemd zelfstandig verweer voldoende feitelijk te onderbouwen. Aangezien [gedaagde] dit heeft nagelaten is er niet gebleken van een voldoende feitelijke grondslag die tot honorering van het verweer kan leiden, zodat er evenmin grond is [gedaagde] op dit punt toe te laten tot bewijslevering.

5.3

[gedaagde] voert tevens als verweer dat De IJssel niet over de vereiste vergunning beschikt om een kredietovereenkomst als de onderhavige aan te gaan en dat dit ertoe leidt dat de kredietovereenkomst nietig is.

In reactie op dit verweer heeft De IJssel ter gelegenheid van de comparitie van partijen overgelegd de door de Minister van Economische Zaken op 18 december 1992 verleende vergunning tot het verlenen van krediet ingevolge de WCK, welke vergunning op naam is gesteld van Credietmaatschappij “De IJssel” N.V. Daarnaast heeft De IJssel overgelegd een brief van 20 juli 2004 gericht aan de Autoriteit Financiële Markten (‘AFM’) waarin wordt doorgegeven dat als gevolg van een statutenwijziging de naam Crediet Maatschappij “De IJssel” N.V., is gewijzigd in Crediet Maatschappij “De IJssel” B.V. alsmede een brief van AFM van 18 november 2004 waarin onder meer is vermeld dat ten aanzien van in het verleden verkregen WCK-vergunningen in plaats van Crediet Maatschappij “De IJssel” N.V. dient te worden gelezen Crediet Maatschappij “De IJssel” B.V.

Anders dan [gedaagde] betoogt, staat naar het oordeel van de rechtbank met voornoemde stukken in voldoende mate vast dat De IJssel over de vereiste vergunning beschikt. Het onderhavige verweer faalt derhalve.

5.4

[gedaagde] betoogt dat zij grote schulden had en dat het voor De IJssel op eenvoudige wijze was vast te stellen dat [gedaagde] niet in staat was om de kredietvergoeding te voldoen en dat De IJssel derhalve, gelet op het bepaalde in de artikelen 51, 52 jo. 100 Wfd en 59 en 60 Bfd, de overeenkomst niet met haar had mogen aangaan en deze kredietovereenkomst op die grond nietig dan wel vernietigbaar is.

Voornoemde bepalingen waarop [gedaagde] zich in dit kader beroept, bepalen kort gezegd dat de kredietverschaffer voorafgaand aan de totstandkoming van een kredietovereenkomst voldoende informatie dient in te winnen over de financiële positie van de consument om vast te stellen of de overeenkomst verantwoord is en voorts dat de kredietverschaffer deze overeenkomst niet aangaat indien dit met het oog op overkreditering niet verantwoord is.

De IJssel heeft voornoemd verweer van [gedaagde] gemotiveerd weersproken en aangegeven dat zij over voldoende gegevens beschikte om de kredietovereenkomst aan te gaan en dat er op basis van de aan haar verstrekte gegevens geen aanleiding was om aan te nemen dat [gedaagde] zodanige schulden had dat zij niet in staat was om de kredietvergoeding te voldoen. De IJssel stelt de kredietaanvraag te hebben beoordeeld op basis van een kopie van het door [gedaagde] overgelegde identiteitsbewijs, het bij de kredietovereenkomst behorende aanvraagformulier, waarop informatie is weergegeven omtrent de inkomsten, de maandlasten en haar schulden alsmede een kopie van een salarisspecificatie van september 2004.

Zonder nadere toelichting, die [gedaagde] niet heeft gegeven, valt niet in te zien dat De IJssel met voornoemde gegevens voorafgaand aan de totstandkoming van de kredietovereenkomst onvoldoende informatie heeft ingewonnen en over onvoldoende feitelijke gegevens beschikte ten aanzien van de financiële positie van [gedaagde]. En evenmin valt in te zien dat deze gegevens aanleiding dienden te vormen om vast te stellen dat de financiële situatie van [gedaagde] zodanig was dat de kredietovereenkomst niet verantwoord was en dat De IJssel daarmee in strijd zou hebben gehandeld met voornoemde wettelijke bepalingen. Dit verweer faalt derhalve.

5.5

[gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat uit de bij conclusie van antwoord overgelegde brieven van de Arbo-Unie d.d. 6 januari 2004 en van Interlanden B.V. d.d. 16 september 2004 blijkt dat ten tijde van het aangaan van de kredietovereenkomst bekend was dat zij haar baan zou verliezen en dat zij met langdurige psychische problemen kampte. [gedaagde] stelt de inhoud van deze brieven aan AWB te hebben medegedeeld.

De IJssel betwist dat er stukken zijn, althans met dergelijke stukken bekend te zijn, waaruit financiële en psychische problemen van [gedaagde] blijken en voorts dat [gedaagde] mededelingen aan haar of aan AWB over financiële en psychische problemen zou hebben gedaan. De IJssel erkent dat mededelingen die [gedaagde] aan AWB zou hebben gedaan in het kader van de totstandkoming van de kredietovereenkomst, kunnen worden toegerekend aan De IJssel.

5.5.1

Anders dan [gedaagde] betoogt kan naar het oordeel van de rechtbank op basis van voornoemde brieven niet de conclusie worden getrokken dat [gedaagde] haar baan zou verliezen. In deze brieven wordt niet gesproken over een op handen zijnde beëindiging van de arbeidsovereenkomst, maar wordt immers uitsluitend melding gemaakt van een (tijdelijke) arbeidsongeschiktheid, een mogelijk reïntegratietraject en de mogelijkheid voor [gedaagde] om met wijziging van standplaats van Rotterdam naar Den Haag de (aangepaste) werkzaamheden te hervatten. De gestelde langdurige psychische problemen blijken evenmin uit de onderhavige stukken. Daarbij zij overigens voor de goede orde opgemerkt dat de raadsman van [gedaagde] desgevraagd ter zitting uitdrukkelijk heeft aangegeven geen beroep te doen op de vernietigbaarheid van de kredietovereenkomst op grond van het doen van een verklaring onder invloed van een geestelijke stoornis in de zin van artikel 3:34 BW.

5.5.2

Het voorgaande leidt ertoe dat ook als [gedaagde] zou slagen in haar - door De IJssel betwiste - stelling dat zij de inhoud van voornoemde brieven aan AWB heeft medegedeeld dit niet de conclusie kan rechtvaardigen dat De IJssel behoorde af te zien van het aangaan van de onderhavige kredietovereenkomst. [gedaagde] heeft ook overigens geen feiten en omstandigheden gesteld die, mits bewezen, de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat De IJssel diende af te zien van het aangaan van de onderhavige kredietovereenkomst. Derhalve is niet gebleken van een voldoende feitelijke grondslag die tot honorering van het onderhavige (zelfstandige) verweer kan leiden, zodat er geen plaats is voor bewijslevering.

5.6

De kredietovereenkomst geeft het percentage van de maandelijkse kredietvergoeding aan, te weten 0,646%. [gedaagde] voert als verweer aan dat De IJssel in strijd heeft gehandeld met artikel 30 WCK omdat de concrete maandelijkse lasten niet op het contract staan vermeld. Dit verweer faalt. Artikel 30 lid 3 sub e WCK bepaalt dat een kredietovereenkomst het totaalbedrag van de kredietvergoeding dient te vermelden, voor zover het niet betreft een doorlopend krediet of een krediettransactie waarbij de kredietvergoeding variabel is. In dit geval betreft de kredietovereenkomst een doorlopend krediet, zodat voornoemd vereiste niet van toepassing is. Daarnaast is De IJssel op grond van het bepaalde in artikel 30 lid 3 WCK verplicht tot het vermelden van de kredietsom (lid 3 sub c) en de effectieve kredietvergoedingspercentage op jaarbasis (lid 3 sub f). Deze gegevens staan in het contract vermeld, te weten het kredietlimiet, ad € 29.150,- en de effectieve rente op jaarbasis ad 8%. Ook in dat opzicht heeft De IJssel derhalve de benodigde gegevens in het contract vermeld. Tot andere, verdergaande mededelingen in het contract omtrent de kredietvergoeding is De IJssel - in dit geval - niet verplicht. Het onderhavige verweer van [gedaagde] faalt derhalve.

5.7

Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van De IJssel, als voor het overige niet weersproken, voor toewijzing vatbaar is, met dien verstande dat het rentepercentage het maximaal toegestane percentage krachtens de WCK niet mag overschrijden.

5.8

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

6. De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan De IJssel te voldoen een bedrag van € 31.397,46 (zegge: eenendertigduizend driehonderdzevenennegentig euro en zesenveertig eurocent), vermeerderd met overeengekomen kredietvergoeding, doch niet meer dan het maximaal toegestane percentage krachtens de WCK, over het bedrag van

€ 30.237,66 vanaf 12 januari 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van De IJssel bepaald op € 690,- aan vast recht, op € 87,58 aan overige verschotten en op € 1.158,- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Mentink.

Uitgesproken in het openbaar.

1581