Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BD0449

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-04-2008
Datum publicatie
25-04-2008
Zaaknummer
10/701137-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Man vastgetapet en daarna doodgeschopt/geslagen in een woning in Pernis. De verdachte heeft met zijn mededader het slachtoffer vastgetapet en geschopt en heeft gezien hoe zijn mededader het slachtoffer meermalen hard tegen zijn hoofd stompte. Daarna heeft de verdachte de woning verlaten om met de pinpas van het slachtoffer te gaan pinnen. Toen de politie arriveerde heeft hij de politie niet verteld dat er iets ernstigs in de woning plaatsvond. Hoewel de rechtbank er van uitgaat dat de verdachte niet het dodelijke geweld heeft toegepast, wordt hij op grond van de feiten en omstandigheden wel veroordeeld voor het medeplegen van gekwalificeerde doodslag en vrijheidsberoving tot acht jaar gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 282, geldigheid: 2008-04-22
Wetboek van Strafrecht 288, geldigheid: 2008-04-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/701137-07

Datum uitspraak: 22 april 2008

Tegenspraak

VONNIS

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte 2],

geboren in 1982 te [plaatsnaam],

[adres]

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd,

raadsvrouw J.A. van Gemeren, advocaat te [plaatsnaam].

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 7 en 8 april 2008.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Pols heeft gerequireerd tot:

- vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair (de gekwalificeerde doodslag), 2, 3 en 4 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest.

VRIJSPRAAK

Het onder 1 primair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

BEWIJSOVERWEGING EN BEWEZENVERKLARING

Vaststelling van de feiten

In de nacht van 15 op 16 juni 2007 is Björn [naam slachtoffer], hierna “het slachtoffer”, in de woning op de Pastoriedijk nr. 326B te Pernis overleden. Daaraan is het volgende voorafgegaan.

Het slachtoffer heeft met [verdachte 3] een relatie gehad. Zij woonden tot 30 mei 2007 samen. Op die datum heeft zij de woning verlaten nadat tussen hen een vechtpartij had plaatsgevonden waarbij [verdachte 3] letsel aan haar voorhoofd had opgelopen. (blz. 171 en 638 e.v. dossier TGO )

[verdachte 3] en [verdachte 1] hebben in de periode vanaf medio januari 2007 regelmatig contact met elkaar gehad, waarbij [verdachte 3] onder meer over haar relatie met het slachtoffer sprak. (verklaring [verdachte 1] als getuige bij rechter-commissaris) Zij vertelde dat zij door hem in elkaar werd geslagen en dat zij geld van zijn rekening naar haar rekening had overgemaakt. (blz. 126 en blz.175) [verdachte 3] vertelde verder dat het slachtoffer goed zijn geld verdiende. (blz. 34) [verdachte 3] en [verdachte 1] hebben zeven of acht keer gesproken over de beroving van het slachtoffer. [verdachte 3] heeft een keer tegen [verdachte 1] gezegd dat hij de beroving moest uitstellen omdat er op dat moment onvoldoende geld op de rekening van het slachtoffer stond. Ook heeft zij aan hem gevraagd hoe hij de beroving wilde fiksen, omdat het slachtoffer hem zou herkennen. (blz. 176) [verdachte 1] wilde dat [verdachte 3] een valse handtekening zou zetten onder een overschrijvingsformulier van het slachtoffer. Het op die manier op een bankrekening van derden overgemaakte geld zou worden gedeeld. (blz. 176)

Op metrostation Tussenwater in Hoogvliet heeft een ontmoeting plaatsgevonden tussen [verdachte 3] en [verdachte 1], waarbij verdachte (hierna “[verdachte 2]”) ook aanwezig was. (blz. 127 en blz. 176) Daar is overlegd op welke manier het slachtoffer van zijn geld beroofd zou worden. Aanvankelijk is besproken dat [verdachte 3] een sleutel van de woning van het slachtoffer zou laten bijmaken zodat [verdachte 1] en [verdachte 2] ’s nachts zijn woning zouden kunnen binnengaan. Om te voorkomen dat het slachtoffer aangifte zou doen, zou hij worden gechanteerd met het feit dat er op zijn laptop - die [verdachte 3] in haar bezit had - kinderporno stond. Daarnaast zou [verdachte 3] aangifte doen van mishandeling. (blz. 127)

Hierna zijn nog verschillende contacten geweest tussen de verdachten waarbij de plannen om het slachtoffer te beroven zijn besproken. (blz. 128 e.v. en blz. 176 e.v.) Uit de verschillende verklaringen maakt de rechtbank op dat [verdachte 3] en [verdachte 1] hierover samen spraken en ook [verdachte 1] en [verdachte 2] hierover samen spraken, waarbij [verdachte 1] zowel [verdachte 3] als [verdachte 2] op de hoogte hield van de zaken die buiten elkaars aanwezigheid waren besproken.

[verdachte 1] wist van [verdachte 3] dat het slachtoffer een hoop geld op zijn rekening had staan. (blz 92)

Op 7 juni 2007 is [verdachte 2] samen met getuige X in de woning van [verdachte 1] geweest waar eveneens is gesproken over de beroving van het slachtoffer. [verdachte 2] en [verdachte 1] hebben toen afgesproken de beroving in de woning van het slachtoffer te laten plaatsvinden, hem te slaan en zijn bankpas af te pakken en dan te gaan pinnen. [verdachte 1] heeft gezegd dat hij het slachtoffer zou slaan totdat hij zijn pincode zou geven. (blz. 92, blz. 129 en blz.185)

Op 8 juni 2007 is [verdachte 2] wederom naar de woning van [verdachte 1] gegaan. Toen is besproken dat de beroving dat weekeinde niet door zou gaan omdat het slachtoffer dat weekend bij zijn ouders was. Dit had [verdachte 3] aan [verdachte 1] verteld. (blz. 92, blz. 93 en blz. 129)

Op 14 juni 2007 heeft een ontmoeting plaatsgevonden tussen de verdachten op het metrostation Pernis. (blz. 130, blz. 177 en blz. 956 e.v.) Daar is met z’n drieën afgesproken dat de beroving in de woning van [verdachte 1] zou plaatsvinden. Het slachtoffer zou naar die woning worden meegenomen en in de woning worden besprongen en vastgetapet. Om te voorkomen dat de buren dat zouden horen stelde [verdachte 3] voor om de muziek hard aan te zetten. [verdachte 2] zou een dvd met harde muziek meenemen. (blz. 132) [verdachte 3] zou later die nacht horen of het was gelukt. (blz. 130 e.v.) De opbrengst van de beroving zou door verdachten worden gedeeld. (blz. 181 en blz. 928) Zij verklaarden bij deze gelegenheid alle drie dat zij het geld goed konden gebruiken (blz. 131). Het was de bedoeling dat in de nacht van de beroving alle rekeningen van het slachtoffer zouden worden leeggehaald. (verklaring [verdachte 1] bij rechter-commissaris)

[verdachte 1] heeft aan het slachtoffer gevraagd om mee uit te gaan. (blz. 132) Rond 22.15 uur is [verdachte 2] bij de woning van [verdachte 1] gearriveerd. Rond 22.30 uur hebben [verdachte 2] en [verdachte 1] wat gedronken in een café. Daarna zijn zij naar de woning van het slachtoffer gereden. In de auto op weg naar het slachtoffer is (nogmaals) besproken hoe de beroving zou plaatsvinden. (blz. 133) Toen is ook afgesproken dat gebruik gemaakt zou worden van het feit dat [verdachte 1] zijn portemonnee was vergeten, en met vermelding van deze reden het slachtoffer meegenomen zou worden naar de woning van [verdachte 1]. (verklaring verdachte/getuige [verdachte 1] ter zitting)

[verdachte 1] en [verdachte 2] hebben het slachtoffer bij zijn woning opgehaald en zijn naar de woning van [verdachte 1] aan de Pastoriedijk gereden. (blz. 39 e.v.), waar ze rond 23.15 uur zijn aangekomen. (blz. 522)

In de woning heeft het volgende plaatsgevonden.

[verdachte 1] en [verdachte 2] zijn met het slachtoffer de woning binnengegaan. In de woning hebben de verdachten en het slachtoffer cocaïne gebruikt, die [verdachte 2] had meegenomen. Hierna is het slachtoffer vastgepakt, waarna een worsteling is ontstaan en het slachtoffer op de grond terecht is gekomen. Terwijl [verdachte 1] op het slachtoffer zat en hem in bedwang hield, heeft [verdachte 2] de benen en de armen van het slachtoffer vastgetapet waarbij het slachtoffer zich verzette. (verklaring verdachte/getuige [verdachte 1] ter zitting) [verdachte 2] heeft hem toen met kracht in zijn buik geschopt. (blz. 96) Ook de mond van het slachtoffer werd getapet.

[verdachte 1] heeft, toen het slachtoffer op de grond lag, ongeveer 15 maal geschopt en geslagen, onder meer tegen het hoofd zodat het slachtoffer zijn pincode zou geven. (verklaring verdachte/getuige [verdachte 1] ter zitting)

Nadat het slachtoffer zijn pincode had gegeven en deze door [verdachte 1] was gecontroleerd met behulp van internet, heeft [verdachte 2] de woning verlaten met het doel te gaan pinnen. Toen [verdachte 2] het portiek verliet zag hij dat de politie ter plaatse was gekomen.

Over het op het slachtoffer uitgeoefende geweld hebben [verdachte 2] en [verdachte 1] verschillend verklaard. [verdachte 2] heeft verklaard dat hij slechts één schop heeft gegeven. Naar zijn zeggen was [verdachte 1] helemaal doorgedraaid. Hij heeft [verdachte 1] horen schreeuwen “hou je bek anders maak ik je dood” en hem meerdere keren heel hard op het achterhoofd van het slachtoffer zien stompen. Hij vond het zo erg wat hij zag dat hij op een gegeven moment niet meer durfde te kijken. (blz. 42) Wel was naar zijn zeggen het slachtoffer nog aanspreekbaar toen hij de woning verliet. [verdachte 1] heeft ter zitting verklaard dat hij samen met [verdachte 2] het slachtoffer heeft mishandeld en dat [verdachte 2] - weliswaar minder vaak en minder hard dan hijzelf - ook meerdere malen heeft geschopt en geslagen. Verder heeft [verdachte 1] verklaard dat hij het slachtoffer niet meer heeft geschopt of geslagen nadat [verdachte 2] de woning had verlaten.

De buren en de politie hebben het volgende verklaard over de gebeurtenissen.

De buurman van [verdachte 1], [getuige 1] (blz. 380) heeft om 23.45 uur (verslag meldkamer blz. 1863) de politie gebeld met de melding dat hij zag dat er een persoon in de woning van [verdachte 1] werd vastgetapet. Ongeveer vijf minuten voor de melding had hij hard gestommel en gebonk gehoord, dat klonk alsof er gevochten werd in de woning. Hij hoorde iemand constant “help” roepen. Toen hij op het balkon ging kijken zag hij iemand op de grond liggen die waarschijnlijk tegen de keukenkast aanlag. Hij zag dat er benen werden ingetapet en zag spartelen. Daarop heeft hij de politie gebeld. Tot aan het moment dat zijn zoon thuis kwam, heeft de buurman ongeveer een kwartier lang gebonk gehoord en - met tussenpauzes - hulpgeroep vanuit de woning van [verdachte 1]. (blz. 381)

[Getuige 2] bevond zich in een café. Hij zag rond 23.55 uur politie voor het huis van zijn ouders staan. Rond 00.00 uur kwam hij de woning van zijn ouders binnen. Hij hoorde vanuit de woning van [verdachte 1] een hoop gestommel. Hij heeft met een glas tegen de muur geluisterd en heeft in de woning van [verdachte 1], ter hoogte van de keuken, een soort doffe klappen gehoord en een hoop gekreun. Iets later heeft hij [verdachte 1] horen zeggen “waar is ze” of “waar is het” en hierna hoorde hij weer een hoop gestommel alsof er iemand klappen kreeg en gekreun. Tot slot hoorde hij een hoop enorm harde klappen die wel een minuut aanhielden. Daarna heeft hij niemand meer horen kreunen. Alles bij elkaar hoorde hij het slachtoffer een kwartier schreeuwen en daarna nog tien minuten kreunen.

(blz. 384 en de verklaring van de getuige bij de rechter-commissaris)

Verbalisanten 1 en 2 zien om 00.10 uur (blz. 001) of 00.07 uur (blz. 423) een man uit het portiek van de woning komen. Deze man blijkt later [verdachte 2] te zijn. In het meldkamerverslag wordt vermeld dat deze verbalisanten om 00.03 uur een persoon zien die vermoedelijk uit de woning komt. De rechtbank neemt aan dat dit [verdachte 2] is. Om 00.06 uur hebben de verbalisanten contact met [verdachte 2]. (blz. 1865)

De patholoog-anatoom heeft een groot aantal letsels geconstateerd aan in het bijzonder het hoofd, de hals en de rug van het slachtoffer. Daarnaast was er toegenomen bewegelijkheid van de halswervelkolom ter plaatse van de eerste en tweede wervel en het ruggenmerg was hier beschadigd. Tevens was er bloed onder de harde hersenvliezen. Al deze letsels kunnen het gevolg zijn van (hevig) herhaaldelijk (hard) slaan, al dan niet met een zwaar voorwerp en/of schoppen. Deze letsels verklaren het intreden van de dood zondermeer. Het is waarschijnlijk dat het slachtoffer na het oplopen van de geweldsinwerking nog enige tijd heeft geleefd. Het is waarschijnlijker dat de meeste verwondingen één of enkele uren voor het overlijden zijn toegebracht dan enkele minuten voor het overlijden. Het letsel aan de wervelkolom kan mogelijk recenter van aard zijn. (blz. 1833)

Uit het rapport van de patholoog-anatoom volgt dat de kans groot is dat het merendeel van de letsels niet vlak voor het overlijden is aangebracht. Het tijdstip van het overlijden is niet exact bekend, maar toen de politie binnentrad tussen 00.41 en 00.44 uur (blz. 8, blz. 1836) werd er geen pols meer gevoeld.

Gelet op het tijdstip dat [verdachte 2] de woning uitkomt (tussen 00.03 en 00.10 uur) en de verklaringen van de [getuigen 1 en 2] stelt de rechtbank vast dat er in elk geval gedurende een kwartier geweld is gebruikt jegens het slachtoffer door [verdachte 1] en [verdachte 2] samen, althans in elk geval waar [verdachte 2] bij was. Daarnaast is er nog geweld gebruikt nadat [verdachte 2] de woning heeft verlaten. Dit moet [verdachte 1] gedaan hebben. Gelet op de marges die de patholoog-anatoom heeft aangegeven bij zijn poging om de datering van de letsels weer te geven, kan de rechtbank niet vaststellen op welk moment de dodelijke letsels zijn toegebracht.

Uit onderzoek is gebleken dat er bloed van het slachtoffer aan beide handen en de rechterschoen van [verdachte 1] zat. (blz. 1808)

Na het overlijden van het slachtoffer heeft [verdachte 3] op 30 juni 2007 geprobeerd om na te gaan of er geld was afgeschreven van de rekening van het slachtoffer. (blz. 602)

Verweren

De raadsvrouw van verdachte heeft ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat verdachte slechts heeft afgesproken om het slachtoffer te beroven. Hij heeft de dood van het slachtoffer niet kunnen voorzien en heeft er ook niet aan bijgedragen. Wat er na zijn vertrek in de woning met het slachtoffer is gebeurd, heeft verdachte niet voorzien, niet gewild en niet geweten. Er is dan ook geen sprake van medeplegen met betrekking tot de tenlastegelegde doodslag en verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat de vier aandachtsstreepjes betrekking hebbend op het geweld reeds onder 1 ten laste zijn gelegd, waardoor sprake is van hetzelfde feitencomplex en eendaadse samenloop zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde feit.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Feit 1: medeplegen.

Uit hetgeen hiervoor door de rechtbank feitelijk is vastgesteld volgt dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte om het slachtoffer te beroven. Verdachten hebben samen het plan bedacht en uitgevoerd. Dat verdachte niet de bedoeling had het slachtoffer te doden staat aan een bewezenverklaring van de gekwalificeerde doodslag niet in de weg. Allereerst hebben verdachte en zijn medeverdachte het slachtoffer vastgetapet aan armen, benen en op de mond. Verdachte heeft in elk geval eenmaal het slachtoffer krachtig in de buik geschopt, terwijl deze op de grond lag. Daarna heeft de medeverdachte, waar verdachte bij was, het slachtoffer meerdere malen hard op het achterhoofd gestompt. Verdachte vond dit geweld zo heftig, dat hij op dat moment niet meer durfde te kijken. Daarna heeft verdachte de woning verlaten om geld te gaan pinnen met de bankpas van het slachtoffer. Hij heeft het slachtoffer vastgebonden in hulpeloze toestand achtergelaten bij degene die zojuist fors geweld op het hoofd van het slachtoffer had uitgeoefend. Daarna heeft verdachte niets meer gedaan om de penibele toestand waarin het slachtoffer zich bevond te beëindigen. Meer in het bijzonder heeft hij ervan afgezien de politie te vertellen dat zich in huis iets bijzonder ernstigs afspeelde en verzuimd aan te dringen op onmiddellijk optreden.

Onder deze omstandigheden kan verdachte zich niet meer met recht op de stelling beroepen dat hij de dood van het slachtoffer niet heeft kunnen voorzien en er niet aan heeft bijgedragen. Door het slachtoffer weerloos te maken, geweld op hem uit te oefenen en aan te zien dat zijn medeverdachte ernstig geweld uitoefende op het hoofd van het slachtoffer en vervolgens het slachtoffer in deze toestand achter te laten, verzuimd adequaat op te treden heeft de verdachte nauw en bewust samengewerkt met de medeverdachte en heeft hij willens en wetens de aanzienlijke kans aanvaard dat het slachtoffer later zou komen te overlijden.

Aldus was het opzet van de verdachte, in de zin van voorwaardelijk opzet, gericht op het gevolg namelijk de dood van het slachtoffer. Gekwalificeerde diefstal kan dan ook worden bewezen.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Feit 2: samenloop

De rechtbank is - anders dan de raadsvrouw - van oordeel dat er sprake is van een voortgezette handeling zodat het bewezenverklaarde zal worden gekwalificeerd in overeenstemming met het in artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht bepaalde.

Overigens kon een eendaadse samenloop niet leiden tot vrijspraak. Het verweer wordt verworpen.

Feit 2: strafverzwarende omstandigheid bij artikel 282, derde lid van het Wetboek van Strafrecht

De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat de onder 2 tenlastegelegde strafverzwarende omstandigheid, namelijk dat de wederrechtelijke vrijheidsberoving de dood tot gevolg heeft, wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard nu het slachtoffer ten gevolge van de handelingen tijdens die wederrechtelijke vrijheidsberoving is overleden.

Bewezenverklaring

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij in de periode van 15 juni 2007 tot en met 16 juni 2007 te

[plaatsnaam]

tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk

[naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en/of zijn mededader opzettelijk

- de armen en benen van die [naam slachtoffer] met tape

samengebonden/vastgebonden en- tape op de mond van die [naam slachtoffer] geplakt en/of (vervolgens)

meermalen, met kracht

- (terwijl die [naam slachtoffer] op de grond lag) met de vuisten en/of een hard voorwerp

op/tegen het (achter)hoofd en/of het lichaam van die [naam slachtoffer] geslagen en/of gestompt en

- terwijl die [naam slachtoffer] op de grond lag met geschoeide voet op/tegen het

(achter)hoofd en/of lichaam van die [naam slachtoffer] geschopt en/of getrapt,

tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd vergezeld en/of voorafgegaan van

enig strafbaar feit, te weten diefstal (met geweld) van een bankpas en/of

afpersing van een bankpas endaarbij behorende pincode, en welke doodslag

werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden

en/of gemakkelijk te maken ;

2.

hij in de periode van 15 juni 2007 tot en met 16 juni 2007 te [plaatsnaam]

tezamen en in vereniging met een ander

opzettelijk [naam slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd

gehouden, immershebben hij verdachte en/of zijn

mededader met dat opzet:

- de armen en en benenvan die [naam slachtoffer] met tape

samengebonden/vastgebonden en/of

- tape op de mond van die [naam slachtoffer] geplakt en/of (vervolgens)

meermalen, met kracht

- terwijl die [naam slachtoffer] op de grond lag met de vuist en/of een hard voorwerp

op/tegen het (achter)hoofd en/of het lichaam van die [naam slachtoffer] geslagen en/of gestompt en/of

- terwijl die [naam slachtoffer] op de grond lag met geschoeide voet op/tegen het

(achter)hoofd en/of lichaam van die [naam slachtoffer] geschopt en/of getrapt

welk feit de dood van die [naam slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

3.

hij in de periode van 18 april 2007 tot en met 18 juni 2007 te

[plaatsnaam] een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Feg, model 74, kaliber 7,65mm

en

munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de categorie III te weten 6 kogelpatronen van het merk NNY, kaliber 7,65mm en 12 kogelpatronen van het merk S&B, kaliber 7,65mm

voorhanden heeft gehad;

4.

hij op 18 juni 2007 te [plaatsnaam] opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 14 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

De voortgezette handeling van

1 subsidiair.

Medeplegen van doodslag, vergezeld of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken;

en

2.

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd gehouden, terwijl het feit de dood tengevolge heeft;

3. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen of munitie van categorie III, meermalen gepleegd;

4. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan gekwalificeerde doodslag en aan opzettelijke vrijheidsberoving de dood ten gevolge hebbend.

Verdachte heeft van een vriend gehoord dat het latere slachtoffer goed bij kas was. Verdachte, die ook wel geld kon gebruiken, heeft deelgenomen aan het maken van plannen om het slachtoffer te gaan beroven. Verdachte, de vriend en diens vriendin hebben herhaaldelijk overleg gevoerd over de manier en het moment waarop de beroving zou plaatsvinden. Met een smoes is het slachtoffer naar de woning van de vriend gelokt waar hij op een gegeven moment is overmeesterd en vastgetapet en zodoende weerloos is gemaakt. Hierna is de pincode letterlijk uit het slachtoffer geslagen. Het geweld dat daarbij is gebruikt is zo hevig geweest dat het slachtoffer hierdoor is overleden. De patholoog-anatoom spreekt van excessief geweld.

Het bewezenverklaarde is buitengewoon ernstig. Vooral de meedogenloosheid, de brutaliteit en de berekenende manier waarop verdachte, de medeverdachte en de medeplichtige hebben geprobeerd het slachtoffer van diens geld te beroven vindt de rechtbank ronduit schokkend. Verdachte en diens medeverdachte hebben op zeer agressieve wijze een mens het leven ontnomen. Vaststaat dat het slachtoffer enige tijd in doodsnood heeft verkeerd door het gewelddadige en nietsontziende handelen van verdachten. Zij hebben zich op die fatale avond in juni 2007 enkel laten leiden door financieel gewin en zich niet bekommerd om het slachtoffer - een jonge man die midden in het leven stond - en zijn dierbaren. Niet alleen het verlies zelf maar ook de manier waarop het slachtoffer is overleden heeft de nabestaanden van het slachtoffer onmetelijk veel verdriet toegebracht.

De door verdachte gepleegde feiten zijn zo ernstig dat alleen een vrijheidsbenemende straf van langere duur in aanmerking komt. Bij het bepalen van de duur wordt het volgende meegenomen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 18 juni 2007 van verdachte waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van een psychiatrisch rapport,

d.d. 3 september 2007 opgemaakt door dr. Y, psychiater, en een psychologisch rapport d.d. 24 september 2007, opgemaakt door drs. Z, waarin

- kort samengevat - het volgende wordt geconcludeerd.

Bij onderzochte worden geen aanwijzingen gevonden voor een ziekelijke of gebrekkige ontwikkeling anders dan dat hij trekken vertoont van een afhankelijke persoonlijkheid waardoor het voor hem moeilijk is eigen beslissingen te nemen. Op grond van bovenstaande concludeert de psycholoog dat verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar kan worden geacht. De psychiater komt tot een licht verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Verdachte heeft door zijn afhankelijkheid een verminderd zelfregulerend vermogen en is voor zijn functioneren voor een deel afhankelijk van anderen. Hij heeft een verminderd probleemoplossend vermogen en weinig zelfvertrouwen. Deze factoren beïnvloeden de kans op recidive in ongunstige zin, aldus de psycholoog. De psychiater concludeert dat kans op herhaling waarschijnlijk enigermate kan worden verlaagd door behandeling van misbruik en afhankelijkheid van cocaïne.

De rechtbank kan zich verenigen met de inhoud van de hiervoor genoemde rapporten van de psychiater en de psycholoog. De rechtbank is dan ook van oordeel dat op grond van deze rapporten kan worden gesteld dat er sprake is van een licht dan wel enigszins verminderde toerekeningsvatbare verdachte.

De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van een adviesrapport van de reclassering, d.d. 24 september 2007, opgemaakt door Z, reclasseringswerker.

In die straf is de reactie op de beide andere bewezen verklaarde feiten, het vuurwapenbezit met de daarbij behorende munitie en het aanwezig hebben van hoeveelheid van 14 gram cocaïne verdisconteerd.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij hebben zich ter zake van beide feiten in het geding gevoegd de de ouders van het slachtoffer, wonende aan te [plaatsnaam], alsook de minderjarige zoon van het slachtoffer, wonende aan te [plaatsnaam].

a. De vordering van [ouders van het slachtoffer].

De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade bestaande uit:

1. Telefoonkosten ad € 90,33;

2. Representatiekosten ad € 339,35;

3. Reiskosten ad € 253,50;

4. Griffierechten i.v.m. akte beneficiaire aanvaarding ad € 98,-;

5. Kosten uitvaart ad € 2.100,26;

6. Studiekosten (moeder slachtoffer) ad € 2.087,18;

7. Grafmonument ad € 4.284,85;

8. Urnengraf ad € 1.334,50;

9. Notariskosten ad € 928,62;

10. Verzekering voor grafmonument ad € 299,94;

Dit betreft een totaal bedrag van € 11.816,53.

Daarnaast vordert de benadeelde partij een bedrag van € 1.499,40 aan kosten voor rechtsbijstand.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de posten 1, 2, 3, 5, 7, 8, 10 en de kosten voor rechtsbijstand met oplegging aan de verdachte van de maatregel van schadevergoeding.

Namens de verdachte is primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij, omdat deze niet eenvoudig van aard is om in deze procedure vast te stellen. Subsidiair is namens de verdachte geconcludeerd dat slechts de posten 4, 5 en óf 7 óf 8 voor vergoeding in aanmerking komen, omdat de overige posten onvoldoende onderbouwd zijn.

De rechtbank is van oordeel dat de posten 1, 2, 3, 5, 7 en 8 zijn aan te merken als schade die rechtstreeks aan de benadeelde partij is toegebracht als gevolg van de twee bewezen verklaarde feiten en dat deze posten genoegzaam zijn onderbouwd. Deze onderdelen van de vordering, voor een totaal bedrag van € 8.402,79, zijn daarom toewijsbaar.

De posten 4, 6, 9 en 10 zijn niet van zo eenvoudige aard, dat die onderdelen van de vordering zich lenen voor behande¬ling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard. Deze onderdelen van de vordering kunnen slechts bij de burgerlijke rechter worden aange¬bracht.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 1.499,40. In het algemeen geldt dat de kosten voor rechtsbijstand worden berekend volgens het liquidatietarief van de sector kanton. Dit zou neerkomen op een lager bedrag dan thans gevorderd is. Omdat de advocaat van de benadeelde partij echter twee hele dagen ter zitting aanwezig is geweest ter ondersteuning van de benadeelde partij, wordt het gevorderde bedrag ad € 1.499,40 niet onredelijk geacht en zal dit bedrag worden toegewezen.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

b. De vordering van [naam minderjarige zoon slachtoffer]

De benadeelde partij vordert vergoeding van schade bestaande uit:

1. Affectieschade ad € 10.000,-;

2. De posten van [ouders slachtoffer] die niet voor toewijzing in aanmerking komen bij de beoordeling van hun eigen vordering;

Daarnaast vordert de benadeelde partij een bedrag van € 1.000,- aan kosten voor rechtsbijstand.

De officier van justitie heeft geconcludeerd de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de posten 1 en 2 en tot toewijzing van de kosten voor rechtsbijstand. met oplegging aan de verdachte van de maatregel van schadevergoeding.

Namens de verdachte is geconcludeerd de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de posten 1 en 2 en tot afwijzing van de kosten voor rechtsbijstand.

De eerste post is niet van zo eenvoudige aard, dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behande¬ling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit onderdeel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aange¬bracht.

De posten van [ouders slachtoffer] die niet voor vergoeding in aanmerking zijn gekomen, zijn ook hier niet van eenvoudige aard en lenen zich dus niet voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk is verklaard in zijn vorderingen, wordt verdachte niet veroordeeld in de kosten voor rechtsbijstand, maar wordt de benadeelde partij veroordeeld in de kosten van de verdachte, tot op heden begroot op nihil.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 36f, 47, 56, 57, 282 en 288 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 10 van de Opiumwet en artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 8 (acht) jaren;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

- verklaart de benadeelde partij[ouders slachtoffer] niet-ontvankelijk in hun vordering wat betreft de posten 4, 6, 9 en 10;

- verklaart de benadeelde partij [minderjarige zoon slachtoffer] niet-ontvankelijk in zijn vordering;

- bepaalt dat voornoemde onderdelen van de vorderingen van beide benadeelde partijen slechts kunnen worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [ouders slachtoffer] toe tot een bedrag van € 8.402,79 (zegge: achtduizendvierhonderdtwee euro en negenenzeventig cent ) en veroor¬deelt de verdachte dit bedrag tegen kwij¬ting aan [ouders slachtoffer] te betalen;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de bena¬deelde partij [ouders slachtoffer] gemaakt, tot op heden begroot € 1.499,40;

- veroordeelt de benadeelde partij [zoon slachtoffer] in de kosten door de verdachte gemaakt tot op heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [ouders slachtoffer] voornoemd te betalen € 8.402,79 (zegge: achtduizendvierhonderdtwee euro en negenenzeventig cent ), bij gebreke van volledige betaling en volle¬dig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 72 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hech¬tenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [ouders slachtoffer] tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Buizer, voorzitter,

en mrs. Boer en Wiersinga, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Aagaard en Wongsokerto, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 april 2008.