Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BD0412

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
24-04-2008
Zaaknummer
835076
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft medische hulp verleend aan gedaagde nadat deze een poging tot zelfmoord had gedaan. Gedaagde stelt dat de verleende medische hulp tegen zijn wil was. De vordering van eiseres is toewijsbaar met zaakwaarneming als juridische grondslag.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 453
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 450
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2008/69
NJF 2008, 276

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

Locatie Rotterdam

vonnis

in de zaak van

de stichting

Stichting Medisch Centrum Rijnmond Zuid,

woonplaats: Rotterdam,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 18 september 2007,

gemachtigde: R.L.J. van Es te Rotterdam,

tegen

[gedaagde],

woonplaats: [woonplaats],

gedaagde,

in persoon.

Partijen worden hierna “MCRZ” en “[gedaagde]” genoemd, tenzij anders is vermeld.

1. Het verloop van het proces

MCRZ heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan MCRZ te betalen € 4.092,30 met rente en kosten zoals in de dagvaarding omschreven.

[gedaagde] heeft mondeling op de eis geantwoord.

MCRZ heeft, onder overlegging van producties, gerepliceerd.

[gedaagde] heeft, hoewel hij hiertoe in de gelegenheid is gesteld, niet meer gereageerd.

De kantonrechter heeft MCRZ een rolopdracht gegeven.

MCRZ heeft naar aanleiding van de rolopdracht een akte ingediend.

[gedaagde] heeft, hoewel hij hiertoe in de gelegenheid is gesteld, niet meer op de akte gereageerd.

De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De vordering en de beoordeling daarvan

2.1 MCRZ vordert van [gedaagde] een hoofdsom ter hoogte van € 3.232,69 betrekking hebbende op facturen. MCRZ heeft daartoe gesteld dat zij in opdracht en voor rekening van [gedaagde] medische behandelingen heeft verricht.

2.2 [gedaagde] heeft echter betwist opdracht te hebben gegeven tot het verrichten van de gefactureerde medische behandelingen. [gedaagde] heeft gesteld een zelfmoordpoging te hebben gedaan en dat hij de aangeboden medische behandeling heeft geweigerd. De medische behandelingen zijn tegen zijn wil uitgevoerd.

2.3 In haar repliek heeft MCRZ onbetwist gelaten dat [gedaagde] geen opdracht heeft gegeven tot het verrichten van de behandelingen, waardoor vast is komen te staan dat er geen sprake is van een overeenkomst tot opdracht. Nadat de kantonrechter MCRZ bij rolopdracht in de gelegenheid heeft gesteld een subsidiaire grondslag aan te geven voor haar vordering, heeft zij zich bij akte op het standpunt gesteld dat zij verplicht is om mensen te helpen die in een levensbedreigende situatie verkeren en derhalve geen medische hulp kan en mag weigeren. Zij baseert dit standpunt op artikel 7:453 BW, waarin is aangegeven dat MCRZ zich als een goed hulpverlener dient te gedragen, alsmede op de gedragsregels die voor medici gelden en artikel 450 van het Wetboek van Strafrecht.

2.4 De kantonrechter overweegt dienaangaande dat artikel 7:453 BW in de gegeven omstandigheden er niet toe kan leiden dat [gedaagde] het gevorderde bedrag dient te voldoen. Voornoemd artikel heeft immers betrekking op de wijze waarop een hulpverlener zich dient te gedragen bij de uitvoering van een medische behandelingsovereenkomst. Reeds in het voorgaande is echter al overwogen dat er geen sprake is van een dergelijke overeenkomst. De stelling van MCRZ dat zij zich door weigering van hulp in een levensbedreigende situatie in strijd met de gedragsregels zou gedragen die voor medici gelden, kan eveneens niet tot toewijzing van de vordering leiden. Dergelijke gedragsregels gelden immers in beginsel in elk geval tussen medici onderling en onvoldoende is gesteld om aan te nemen dat in de gegeven omstandigheden de bedoelde gedragsregels, danwel in hun geheel dan wel een enkele daarvan, ook in de relatie tussen MCRZ en [gedaagde] zouden gelden. Ook artikel 450 van het Wetboek van Strafrecht kan niet zonder meer een grondslag zijn voor onderhavige civiele vordering. MCRZ heeft ook hierbij onvoldoende gesteld om tot een andersluidende conclusie te komen.

2.5 Uit het vorenstaande volgt dat de door MCRZ gestelde grondslagen haar vordering niet kunnen dragen. Uit de stellingen van MCRZ kan echter ook worden opgemaakt dat zij van mening is de belangen van [gedaagde] te hebben behartigd door hem de nodige medische hulp te verlenen. Hoewel geen expliciet beroep is gedaan op zaakwaarneming, vult de kantonrechter op grond van artikel 25 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering deze grondslag aan en overweegt daarover het volgende.

2.6 Zaakwaarneming is het zich willens en wetens en op redelijke grond inlaten met de behartiging van eens anders belang, zonder de bevoegdheid daartoe aan een rechtshandeling of een elders in de wet geregelde rechtsverhouding te ontlenen. De belanghebbende, in casu [gedaagde], is, voor zover zijn belang naar behoren is behartigd, gehouden de schade van de zaakwaarnemer te vergoeden die deze als gevolg van de waarneming heeft geleden.

2.7 Voor zaakwaarneming als grondslag voor een vordering tot betaling is derhalve in elk geval vereist dat een redelijke grond voor het behartigen van eens anders belang aanwezig is. De vraag doet zich dan voor in hoeverre er in de gegeven omstandigheden een redelijke grond voor ingrijpen aanwezig was. De parlementaire geschiedenis (Parlementaire Geschiedenis van boek 6, pagina 791) geeft aan dat het daarbij gaat om de omstandigheden die de handelende persoon ertoe gebracht hebben ten behoeve van de ander in diens belang in te grijpen.

2.8 De (vermoedelijke) wil van de belanghebbende is een factor waarmee rekening kan worden gehouden bij de beantwoording van de vraag of een redelijke grond aanwezig is. [gedaagde] heeft daarover gesteld dat, vóórdat MCRZ met de medische behandelingen was gestart, hij deze heeft geweigerd en dat de medische behandelingen tegen zijn wil zijn uitgevoerd. MCRZ heeft dit onbetwist gelaten, waardoor dit tussen partijen vast is komen te staan.

2.9 In het arrest van de Hoge Raad van 19 april 1996 (NJ 1997, 24) is overwogen dat belangenbehartiging tegen de wil van degene wiens belang wordt behartigd, niet kan gelden als zaakwaarneming in de zin der wet, behoudens uitzonderlijke omstandigheden. Deze uitzonderlijke omstandigheden zijn door de Hoge Raad in het aangehaalde arrest niet nader gespecificeerd. Wel geldt in de doctrine (Asser-Hartkamp, Verbintenissenrecht 4-III (2006) nr. 301, en Parlementaire Geschiedenis van boek 6, pagina 791) het uitgangspunt dat de belangenbehartiging van een persoon die een poging tot zelfmoord heeft gepleegd, één van deze uitzonderlijke omstandigheden is en daarbij dus wel sprake is van zaakwaarneming. Dit is gelegen in het feit dat er in zo’n geval twijfel zal bestaan over de vraag of de poging tot zelfmoord een schreeuw om aandacht was of uitvoering van een diep gewortelde wens. Voor degene die te hulp schiet, is het antwoord onbekend. Ook in het geval waarin degene wiens belangen behartigd gaan worden, voorafgaand aan de behartiging dit uitdrukkelijk heeft geweigerd, doet de weigering niet af aan de twijfel die de belangenbehartiger heeft over het antwoord op de vraag of de op dat moment geopenbaarde wil in overeenstemming is met de daadwerkelijke wil. Ook in dit geval zal er dan ook sprake zijn van belangenbehartiging en heeft de belangenbehartiger recht op vergoeding van zijn schade. Hoewel andere omstandigheden wellicht tot een uitzondering op dit uitgangspunt zouden kunnen leiden, doen dergelijke omstandigheden zich in deze zaak niet voor. Nu de hoogte van de door MCRZ gevorderde vergoeding van haar kosten onweersproken is gebleven, wordt de hoofdsom toegewezen.

2.10 De nevenvorderingen tot vergoeding van de rente en de buitengerechtelijke kosten worden als niet betwist en op de wet gegrond toegewezen, met uitzondering van het volgende. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten - onder welke benaming ook in de vordering opgenomen - zal worden toegewezen tot een bedrag van € 535,50, dat jegens [gedaagde] redelijk is, gelet op de tarieven volgens welke zodanige kosten aan de opdrachtgevers gewoonlijk in rekening worden gebracht.

2.11 [gedaagde] wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kantonrechter zal MCRZ echter slechts één punt salaris gemachtigde toewijzen nu de inhoud van haar processtukken zo summier was dat het niet heeft bijgedragen aan de juridische onderbouwing van de zaak.

3. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan MCRZ tegen kwijting te betalen € 4.050,77, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 3.232,69 vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van MCRZ vastgesteld op € 290,31 aan verschotten en € 200,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.