Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC9952

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-04-2008
Datum publicatie
21-04-2008
Zaaknummer
10/600011-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Witwassen door middel van Hawala-bankieren.

1. Verwerping verweren strekkende tot nietigheid van de dagvaarding vanwege ontbreken in de tenlastelegging van een feitelijke omschrijving van de begrippen ‘verbergen’ en ‘verhullen’ als bedoeld in artikel 420bis Sr en het begrip ‘geldtransactie als bedoeld in de Wet inzake de geldtransactiekantoren.

2. Veroordeling terzake één van de twee tenlastegelegde witwasfeiten door middel van Hawala-bankieren.

Bewijs dat de geldbedragen afkomstig waren van de handel in verdovende middelen, althans uit enig misdrijf. Gelet op de specifieke werkwijze van Hawala-bankieren kan niet reeds vanuit het zich voordoen van witwastypologieën worden vastgesteld dat het gaat om transacties met criminele gelden. Uit het onderzoek is evenwel gebleken dat de verdachte ook geldtransacties heeft verricht onder omstandigheden die niet aansluiten bij het systeem van Hawala-bankieren zoals dat binnen bepaalde etnische groeperingen, in het geval van de verdachte de Pakistaanse gemeenschap, wordt gebruikt ter overmaking van geldbedragen uit legale inkomensbronnen naar het land van herkomst. De rechtbank ziet voorts in de inhoud van de voor het bewijs gebezigde stukken van twee genoemde opsporingsonderzoeken concreet bewijs dat de verdachte van een persoon geldbedragen afkomstig uit de handel in verdovende middelen in ontvangst heeft genomen en contacten had met een andere persoon die zich bezighoudt met de handel in verdovende middelen.

Wetsverwijzingen
Wet op de economische delicten 1, geldigheid: 2008-04-09
Wet op de economische delicten 2, geldigheid: 2008-04-09
Wet op de economische delicten 6, geldigheid: 2008-04-09
Wetboek van Strafrecht 420bis, geldigheid: 2008-04-09
Wetboek van Strafrecht 420ter, geldigheid: 2008-04-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2008, 151

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/600011-07

Datum uitspraak: 9 april 2008

Tegenspraak

VONNIS

van de meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1956 te [geboorteplaats] [Pakistan],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres: [adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Rijnmond, Huis van Bewaring De Noordsingel te Rotterdam,

raadsman mr. J.W.P. Beijen, advocaat te Amsterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2008.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Meissen heeft gerequireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 primair (gewoontewitwassen), 2 (opzettelijk begaan) en 3 impliciet primair (witwassen) ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar, met aftrek

van voorarrest.

GELDIGHEID DAGVAARDING

Ten aanzien van feit 1 en 3:

De raadsman heeft aangevoerd dat de in de tenlastelegging genoemde, aan artikel 420bis en 420quater van het Wetboek van Strafrecht ontleende termen ‘verborgen en/of verhuld’ niet nader zijn omschreven. Volgens de raadsman voldoet de tenlastelegging hierdoor wat betreft deze onderdelen in de feiten 1 en 3 (feit 1 primair 1e onderdeel, 1 subsidiair 1e onderdeel en feit 3, 1e onderdeel) niet aan het duidelijkheidsvereiste van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering en zal dan ook nietig dienen te worden verklaard.

Dit verweer wordt verworpen.

In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Strafbaarstelling witwassen (MvT, kamerstukken II, 1999-2000, 27 159, nr. 3, p. 14) wordt gesteld dat het bij ‘verbergen’ en ‘verhullen’ gaat om handelingen die tot doel hebben en geschikt zijn om de herkomst en vindplaats van een voorwerp te verbergen of verhullen. Het betreft handelen dat erop is gericht het zicht op de aard, herkomst, vindplaats, enzovoorts van voorwerpen te bemoeilijken en dat geschikt is om dat doel te bereiken.

De rechtbank leidt uit deze uitleg van de begrippen ‘verbergen’ en ‘verhullen’ in de Memorie van Toelichting af dat aan deze begrippen in de artikelen 420bis en 420quater van het Wetboek van Strafrecht mede feitelijke betekenis toekomt.

Ten aanzien van feit 2:

De raadsman heeft betoogd dat de in de tenlastelegging gebezigde term ‘geldtransactie’, gelet op de hoeveelheid activiteiten die volgens artikel 1, lid 1 onder c van de Wet inzake de geldtransacties hieronder kunnen worden verstaan, onvoldoende feitelijk is. Om deze reden moet de dagvaarding ten aanzien van feit 2 op grond van artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering nietig worden verklaard, aldus de raadsman.

Dit verweer wordt verworpen.

De stelling van de raadsman miskent dat de tenlastelegging van feit 2 vermeldt dat aan de gebezigde termen en begrippen, waaronder de term ‘geldtransactie’, de in de Wet inzake de geldtransactiekantoren gegeven betekenis toekomt. In artikel 1 lid onder c van de Wet inzake de geldtransactiekantoren is het begrip geldtransactie feitelijk omschreven. De tenlastelegging voldoet dan ook aan de eisen die artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering daaraan stelt.

ONTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 (primair en subsidiair) en feit 2 betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is ten aanzien van de genoemde pleegplaatsen buiten Nederland, nu niet is gebleken dat er ten aanzien van deze buitenlandse pleegplaatsen op grond van de artikelen 2 tot en met 8 van het Wetboek van Strafrecht rechtsmacht bestond.

Dit verweer wordt verworpen.

De tenlastelegging van feit 1 en feit 2 ziet op feiten die door de verdachte als (mede-)pleger in Nederland en/of de genoemde plaatsen in het buitenland zijn begaan. Volgens vaste rechtspraak (onder andere Hoge Raad 30 september 1997, NJ 1998, 117) is vervolging van zowel in Nederland als in het buitenland gepleegde strafbare feiten op grond van artikel 2 Sr mogelijk, ook ten aanzien van de van het strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden. De officier van justitie is dan ook ontvankelijk in de vervolging.

VRIJSPRAAK

Het onder 3 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt ten aanzien van deze vrijspraak in het bijzonder het volgende.

De tenlastelegging ziet, blijkens de inhoud van het dossier, op diverse geldbedragen die de verdachte op 17 april 2007 heeft ontvangen van en afgegeven aan de in de tenlastelegging genoemde personen.

De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte de van/aan de in de tenlastelegging genoemde personen ontvangen/afgegeven geldbedragen heeft witgewassen.

De rechtbank overweegt daartoe ten aanzien van de verschillende personen het volgende.

- Ten aanzien van [naam persoon 1] en [naam persoon 2]:

De rechtbank acht, om redenen uiteengezet in hun respectievelijke vonnissen, niet bewezen dat het door [naam persoon 1] en [naam persoon 2] op 17 april 2007 aan de verdachte afgegeven geldbedrag van € 256.700 van misdrijf afkomstig is.

- Ten aanzien van [naam persoon 3] en [naam persoon 4]:

Uit de stukken van het dossier blijkt dat [naam persoon 3] en [naam persoon 4] op 17 april 2007 zijn aangehouden op het moment dat zij het pand van de verdachte aan de Zeeburgerdijk 492 in Amsterdam betraden. Op het moment van de aanhouding had [naam persoon 3], zo blijkt uit de stukken, de plastic tas met daarin het geldbedrag van € 70.000,- nog in zijn handen en had er nog geen begin van overdracht van het geld aan de verdachte plaatsgevonden. Gelet hierop kan niet worden bewezen dat de verdachte - zoals tenlastegelegd - het geldbedrag van [naam persoon 3] heeft ontvangen en witgewassen.

- Ten aanzien van [naam persoon 5] en [naam persoon 6]:

De rechtbank acht niet bewezen dat het door de verdachte van deze personen ontvangen geldbedrag van misdrijf afkomstig is. Hoewel de transactie aan de uiterlijke verschijningsvorm van witwassen voldeed en de heren [naam persoon 5] en [naam persoon 6] desgevraagd geen concrete, verifieerbare verklaring voor de herkomst van het geld hebben gegeven, is van deze personen en hun persoonlijke omstandigheden, in relatie tot het betreffende geldbedrag, te weinig bekend geworden om tot een bewezenverklaring van een illegale herkomst van het geld te kunnen leiden.

- Ten aanzien van [naam persoon 7] en [naam persoon 8]:

Door [naam persoon 7] en [naam persoon 8] is een verifieerbare verklaring gegeven die duidt op een legale herkomst van dit geldbedrag. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat dit geldbedrag door misdrijf is verkregen.

Voorts is niet gebleken dat op 17 april 2007 nog andere dan de hiervoor genoemde personen bij de verdachte geldbedragen hebben afgegeven of opgehaald.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 april 2006

tot en met 16 april 2007, te Amsterdam, (telkens) tezamen

en in vereniging met anderen, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers

heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), toen en daar (telkens)

(krachtens die gewoonte), meermalen, (grote) geldbedragen (telkens)

(in contanten),

ontvangen van

- één of meer perso(o)n(en) en(meermalen) (een) (grote) geldbedrag(en) verzonden en/of afgegeven aan

- één of meer andere perso(o)n(en),

terwijl

- hij, verdachte en zijn mededader(s), (telkens) die geldbedragen

hebben verworven en voorhanden gehad en overgedragen en/of

omgezet, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) ten tijde van het

verwerven en/of het voorhanden krijgen en/of overdragen en/of omzetten van

die/dat geldbedrag(en), , wist(en) dat

die/dat geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren van

de handel in verdovende middelen, althans uit enig misdrijf;

De rechtbank leest in de bewezenverklaring in plaats van het woord “onbekend gebleven” het woord ‘anderen”. Niet is gebleken dat de verdachte hierdoor in zijn verdedigingsbelang is geschaad.

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 april

2006 tot en met 17 april 2007, te Amsterdam, althans (elders) in Nederland

en/of te Parijs, althans (elders) in Frankrijk en/of te Dubai, althans

(elders) in de Verenigde Arabische Emiraten en/of Pakistan (telkens) tezamen

en in vereniging met anderen meermalen, (telkens), opzettelijk als geldtransactiekantoor

werkzaam is geweest, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn

mededader(s) toen en daar beroepsmatig en/of bedrijfsmatig ten behoeve van

en/of op verzoek van [persoon 7] en/of [medeverdachte 1]en/of [medeverdachte 2] en/of

[medeverdachte 3] en/of [persoon 5]en/of één of meer (onbekend gebleven) ander(en) (opzettelijk) één of meer geldtransactie(s) uitgevoerd

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

NADERE BEWIJSOVERWEGINGEN

Feit 1 (witwassen):

Het bestanddeel afkomstig uit enig misdrijf:

Ten aanzien van het bewijs dat de geldbedragen afkomstig waren van de handel in verdovende middelen, althans uit enig misdrijf, wordt, in aanvulling op de bewijsmiddelen, het volgende overwogen.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte zich op zeer omvangrijke schaal heeft beziggehouden met Hawala-bankieren. De verdachte heeft als Hawala-bankier een groot aantal malen aanzienlijke geldbedragen ontvangen van of afgegeven aan verscheidene personen.

Hawala-bankieren is - zo blijkt uit de bestaande literatuur op dit punt en valt uit het dossier op te maken - een systeem van ondergronds bankieren dat binnen bepaalde etnische groeperingen, onder andere binnen Pakistaanse gemeenschappen, wordt gebruikt voor het transfereren van gelden tussen personen in migratielanden en personen in het land van herkomst. Uit onderzoeken is gebleken dat door middel van Hawala-bankieren wereldwijd zeer grote geldstromen afkomstig uit legale inkomensbronnen worden verplaatst. De motieven voor het Hawala-bankieren zijn onder meer de snelheid en de lage kosten ten opzichte van het officiële bancaire systeem. Hawala-bankieren is als zodanig niet (primair) gericht op criminele gelden en transacties via het systeem van Hawala-bankieren vormen, hoewel indien zonder registratie verricht wel in strijd met Wet inzake de geldtransactiekantoren, op zich geen vorm van witwassen. Uit het onderzoek in de onderhavige zaak is ook gebleken dat de verdachte als Hawala-bankier transacties heeft verricht met betrekking tot geldbedragen van legale herkomst (zoals de aan [persoon 5]en [persoon 6] uitgekeerde geldbedragen).

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de door de verdachte in het kader van Hawala-bankieren verrichte geldtransacties hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die onmiskenbaar gelden als zogenoemde typologieën van witwassen. Een groot aantal onbekende personen heeft zeer grote geldbedragen, variërende van tien- tot honderdduizenden euro’s, in contanten en (deels) kleine coupures bij de verdachte gebracht en opgehaald. Geldbedragen werden ongeteld aangeleverd en verstrekt en door geldkoeriers vervoerd in (plastic) tassen of verstopt in kleden, doeken, ordners en kussenslopen. Door de verdachte en andere personen werd over de telefoon in versluierde en gecodeerde taal over de geldbedragen gesproken. Van het overgrote deel van de gelden is niets bekend geworden omtrent een mogelijke legale herkomst.

De rechtbank overweegt hierover dat deze omstandigheden tezamen een sterke aanwijzing vormen voor een mogelijke criminele herkomst van geldbedragen.

Uit het dossier en de bestaande literatuur over Hawala-bankieren valt echter ook op te maken dat deze omstandigheden deels kunnen worden verklaard vanuit de werkwijze van Hawala-bankieren op zichzelf, waarbij contante geldbedragen door geldkoeriers fysiek worden vervoerd naar en opgehaald bij Hawala-bankiers en geldbedragen zonder legitimatie op basis van vertrouwen worden verstrekt. Gelet op de specifieke werkwijze van Hawala-bankieren kan daarom niet reeds vanuit het zich voordoen van deze witwastypologieën worden vastgesteld dat het gaat om transacties met criminele gelden.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is evenwel gebleken dat de verdachte ook geldtransacties heeft verricht onder omstandigheden die niet aansluiten bij het systeem van Hawala-bankieren zoals dat binnen bepaalde etnische groeperingen, in het geval van de verdachte de Pakistaanse gemeenschap, wordt gebruikt ter overmaking van geldbedragen uit legale inkomensbronnen naar het land van herkomst. De verdachte heeft ook geldtransacties verricht voor personen van niet Pakistaanse afkomst, waaronder onbekend gebleven Engelse en Nederlandse personen, in diverse valuta, zoals Schotse Ponden.

In het dossier bevinden zich voorts stukken met betrekking tot het genaamde onderzoek ‘Bayer’ van de Nationale Recherche. Uit het proces-verbaal van bevindingen Bayer (bijlage 97, pagina 1118 van het dossier) blijkt dat een persoon genaamd [persoon 8] met een aantal personen betrokken is bij de invoer in Nederland van verdovende middelen. De rechtbank ziet in de inhoud van de voor het bewijs gebezigde stukken van het onderzoek Bayer - voornoemd proces verbaal van bevindingen en het aanvullende proces-verbaal (Zaaksdossier B03 Witwassen, PV-nummer 0616) met de vermelde afgeluisterde telefoongesprekken en bevindingen van het observatieteam, concreet bewijs dat de verdachte in de tenlastegelegde periode van deze [persoon 8] geldbedragen afkomstig uit de handel in verdovende middelen in ontvangst heeft genomen.

Verder blijkt uit het dossier dat op 17 april 2007 [persoon 1] een geldbedrag van

€ 70.000,- bij de verdachte als Hawala-bankier wilde afleveren. Uit de voor het bewijs gebezigde processen-verbaal met betrekking tot het opsporingsonderzoek Wasbord leidt de rechtbank af dat ook deze [persoon 1] zich bezighoudt met de handel in verdovende middelen. Hoewel niet is komen vast te staan dat de verdachte daadwerkelijk geldbedragen heeft ontvangen van [persoon 1], staat wel vast dat de verdachte contacten had met [persoon 1]. Dit ondersteunt het gegeven dat de verdachte door middel van Hawala-bankieren ook te maken kreeg met geldbedragen met een criminele herkomst, waaronder de geldbedragen van genoemde [persoon 8].

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank bewezen dat de verdachte in ieder geval geldbedragen van voornoemde [persoon], afkomstig uit de handel in verdovende middelen, heeft witgewassen, en concludeert de rechtbank, gelet op de werkwijze van de verdachte, dat hij ook van andere onbekend gebleven personen gelden afkomstig uit enig misdrijf heeft ontvangen of aan deze personen heeft afgegeven.

Opzet:

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte mogelijk verwijtbaar aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld ten aanzien van de criminele herkomst van de geldbedragen, maar dat niet kan worden bewezen dat bij de verdachte opzet, vereist voor witwassen ex artikel 420bis Sr, heeft bestaan.

Hiertoe is aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat de omstandigheden waaronder de verdachte gelden ontving en afdroeg, zoals de grote hoeveelheden contant geld en het verhullend taalgebruik, passen bij het illegale (strijd met de Wet inzake de geldtransactiekantoren) karakter van het Hawala-bankieren, zodat die omstandigheden niet tot het oordeel kunnen leiden dat de verdachte willens en wetens de kans heeft geaccepteerd dat het geld afkomstig was van criminele activiteiten.

Dit verweer faalt.

Indien al juist is dat de door de verdediging genoemde omstandigheden passen bij Hawala-bankieren, dan laat dat onverlet dat diezelfde omstandigheden kunnen duiden op witwassen en dat de verdachte zich hier bewust van had dienen te zijn. Hier komt bij dat uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken van omstandigheden die zich niet, althans niet zonder meer, laten rijmen met het ondergronds overboeken van legaal verkregen gelden. Zo werden de geldbedragen niet altijd nageteld en ontving de verdachte niet alleen euro’s, maar ook andere valuta, zoals Engelse en Schotse ponden.

Door zich onder al deze omstandigheden en wetende dat de transacties volledig aan het zicht van de autoriteiten waren onttrokken, niet te bekommeren om de herkomst van het geld, heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de gelden, of een deel ervan, afkomstig was van criminele activiteiten.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1.

Medeplegen van gewoontewitwassen

2.

Medeplegen van overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 3 van de Wet inzake de geldtransactiekantoren, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft gedurende een periode van ten minste een jaar als Hawala-bankier zijn diensten aangeboden. Deze dienstverlening werd niet beperkt tot het betaalbaar stellen van gelden met een legale oorsprong ten behoeve van personen met een zelfde etnische achtergrond als de verdachte, maar was ook dienstbaar aan andere, waaronder malafide personen. Op deze wijze heeft de verdachte op meer dan geringe schaal gelden uit misdrijf witgewassen en daarmee de onderliggende criminaliteit, zoals de handel in harddrugs, gefaciliteerd. Het is dankzij personen als de verdachte dat de opbrengsten van dergelijke vormen van criminaliteit, buiten het zicht van de toezichthoudende (overheids-)instanties om, uiteindelijk in het legale economische circuit vloeien. Hierdoor wordt niet alleen het plegen van criminaliteit lucratief maar wordt tegelijkertijd de economie geïnfecteerd en het vertrouwen dat de maatschappij heeft in (de integriteit van) het financiële stelsel ondermijnd. Mede om deze redenen is het aanbieden van financiële diensten zoals de verdachte dat heeft gedaan, ook in strijd met de Wet inzake de geldtransactiekantoren.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 19 april 2007 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het omtrent de verdachte opgemaakte voorlichtingsrapport van de Stichting Reclassering d.d. 31 augustus 2008. De door de reclassering ter overweging gegeven straf acht de rechtbank niet passend bij de ernst van de feiten. De rechtbank zal wel een deel van de straf voorwaardelijk opleggen, teneinde de noodzakelijke begeleiding door de reclassering mogelijk te maken.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

Van de Lijst met inbeslaggenomen voorwerpen is een kopie als bijlage, aangeduid als A1 tot en met A3, aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

De officier van justitie heeft gevorderd om de op de Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen genoemde geldbedragen verbeurd te verklaren en de overige op de Lijst van inbeslagggenomen voorwerpen genoemde voorwerpen terug te geven aan de verdachte.

De rechtbank overweegt het volgende:

De op de Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen genoemde voorwerpen nummers 1 tot en met 8, 12, 13 en 21 tot en met 24 zullen worden verbeurd verklaard.

Het bewezen feit is met betrekking tot en met behulp van deze voorwerpen begaan.

Niet is kunnen worden vastgesteld aan wie deze voorwerpen toebehoren.

Ten aanzien van de overige op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen genoemde voorwerpen (nummers 9, 10, 11, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 25, 26 en 27) zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op het reeds genoemde artikel, is gelet op de artikelen 33, 33a, 33b, 47, 57, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1 (onder 2), 2 en 6 van de Wet op de Economische Delicten.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de dagvaarding geldig;

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, voor zover het betreft pleegplaatsen buiten Nederland en voor het overige;

- verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 36 (zesendertig) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

- stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit

schuldig maakt;

- de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit noodzakelijk vindt;

- verstrekt aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarde;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

- beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de Lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- verklaart verbeurd: de nummers 1 tot en met 8, 12, 13 en 21 tot en met 24

- gelast de teruggave aan verdachte van: de nummers 9, 10, 11, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 25, 26 en 27.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Mul, voorzitter,

en mrs. Rijperman en Van der Ven, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Van Erve, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 april 2008.

Bijlage bij vonnis d.d. 9 april 2008 van [verdachte], parketnummer 10/600011-07:

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 april 2006

tot en met 16 april 2007, te Amsterdam, althans (elders) in Nederland

en/of te Parijs, althans (elders) in Frankrijk en/of te Dubai, althans

(elders) in de Verenigde Arabische Emiraten en/of Pakistan, (telkens) tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, immers

heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), toen en daar (telkens)

(krachtens die gewoonte), meermalen, (een) (grote) geldbedrag(en) (telkens)

(in contanten),

te weten in totaal tenminste 53.000.000,- euro, althans (een) (grote)

geldbedrag(en), ontvangen van (onder meer)

- [medeverdachte 1]en/of

- [medeverdachte 2] en/of

- [persoon 2] en/of

- [persoon 1] en/of

- [persoon 3] en/of

- [persoon 4] en/of

- [medeverdachte 3] en/of

- één of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) en/of

(meermalen) (een) (grote) geldbedrag(en) verzonden en/of afgegeven aan (onder

meer)

- [persoon 5], en/of

- één of meer onbekend gebleven perso(o)n(en),

terwijl ten aanzien van die/dat (grote) geldbedrag(en)

- (telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de

vervreemding en/of de verplaatsing werd(en) verborgen en/of verhuld, althans

heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), verborgen en/of verhuld

wie de rechthebbende(n) was/waren van die/dat geldbedrag(en), of wie die/dat

geldbedrag(en), voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij, verdachte en/of

zijn mededader(s) wist(en) dat die/dat geldbedrag(en) - onmiddellijk of

middellijk - afkomstig was/waren van de handel in verdovende middelen, althans

uit enig misdrijf

en/of

- hij, verdachte en/of zijn mededader(s), (telkens) die/dat geldbedrag(en)

heeft/hebben verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of

omgezet, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) ten tijde van het

verwerven en/of het voorhanden krijgen en/of overdragen en/of omzetten van

die/dat geldbedrag(en), althans van enig(e) geldbedrag(en), wist(en) dat

die/dat geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren van

de handel in verdovende middelen, althans uit enig misdrijf;

artikel 420ter Wetboek van Strafrecht

artikel 47 Wetboek van strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 april 2006

tot en met 16 april 2007 te Amsterdam, althans (elders) in Nederland

en/of te Parijs, althans (elders) in Frankrijk en/of te Dubai, althans

(elders) in de Verenigde Arabische Emiraten en/of Pakistan, (telkens) tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) voorwerp(en),

te weten (een) (grote) geldbedrag(en), in die periode (telkens) (in

contanten), te weten in totaal tenminste 53.000.000,- euro, althans (een)

(grote) geldbedrag(en), (telkens) heeft/hebben ontvangen van (onder meer)

- [medeverdachte 1]en/of

- [medeverdachte 2] en/of

- [persoon 2] en/of

- [persoon 1] en/of

- [persoon 3] en/of

- [persoon 4] en/of

- [medeverdachte 3] en/of

- één of meer, onbekend gebleven perso(o)n(en) en/of

verzonden en/of afgegeven aan (onder meer)

- [persoon 5]en/of

- één of meer, onbekend gebleven perso(o)n(en),

terwijl ten aanzien van die/dat (grote) geldbedrag(en)

- (telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de

vervreemding en/of de verplaatsing werd(en) verborgen en/of verhuld, althans

heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), verborgen en/of verhuld

wie de rechthebbende(n) was/waren van die/dat geldbedrag(en)

en/of die/dat geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad terwijl hij,

verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den)

moeten vermoeden, dat die/dat geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk -

afkomstig was/waren uit de opbrengst van de handel in verdovende middelen,

in elk geval afkomstig was/waren van enig misdrijf

en/of

- hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) die/dat geldbedrag(en)

heeft/hebben verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of

omgezet, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) ten tijde van het

verwerven en/of het voorhanden krijgen en/of overdragen en/of omzetten van

die/dat geldbedrag(en), althans van enig(e) geldbedrag(en), wist(en), althans

redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat die/dat geldbedrag(en) -

onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit de opbrengst van de

handel in verdovende middelen, in elk geval afkomstig was/waren van enig

misdrijf;

artikel 420bis lid 1 aanhef en onder b Wetboek van Strafrecht

artikel 420quater lid 1 aanhef en onder b Wetboek van Strafrecht

artikel 47 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 april

2006 tot en met 17 april 2007, te Amsterdam, althans (elders) in Nederland

en/of te Parijs, althans (elders) in Frankrijk en/of te Dubai, althans

(elders) in de Verenigde Arabische Emiraten en/of Pakistan (telkens) tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans

éénmaal, (telkens), al dan niet opzettelijk als geldtransactiekantoor

werkzaam is geweest, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn

mededader(s) toen en daar beroepsmatig en/of bedrijfsmatig ten behoeve van

en/of op verzoek van [persoon 7] en/of [medeverdachte 1]en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [persoon 5]en/of één of meer (onbekend

gebleven) ander(en) (opzettelijk) één of meer geldtransactie(s) uitgevoerd

(met een totale waarde van ongeveer 53.000.000,- euro)

De in de tenlastelegging van dit feit gebezigde termen en begrippen worden

voor zover daar in de Wet inzake de geldtransactiekantoren betekenis aan is

gegeven, in die betekenis gebezigd.

Artikel 3 Wet inzake de geldtransactiekantoren en artikelen 1, 2 en 6 van de

Wet op de economische delicten.

3.

hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 17 april 2007 te Amsterdam,

althans (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, (een) voorwerp(en), te weten (een) (grote)

geldbedrag(en) van (in totaal) 266.700,- euro, althans (een) (groot)

geldrag(en), (telkens) (in contanten) heeft/hebben ontvangen van (onder meer)

- [medeverdachte 1]en/of [medeverdachte 2], te weten een geldbedrag van in totaal

256.700,- euro, althans enig(e) geldbedrag(en) en/of

- [persoon 1] en/of [persoon 2], te weten een geldbedrag van in totaal 70.000,- euro en/of

- [persoon 3] en/of [persoon 4], te weten een geldbedrag van in totaal 70.000

euro, althans enig(e) geldbedrag(en) en/of

- één of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) en/of

verzonden en/of afgegeven aan (onder meer)

- [persoon 5], te weten een geldbedrag van in totaal 30.000,- euro, althans enig(e) geldbedrag(en) en/of

- één of meer onbekend gebleven perso(o)n(en),

terwijl ten aanzien van (onder meer) die/dat (grote) geldbedrag(en)

- (telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de

vervreemding en/of de verplaatsing werd(en) verborgen en/of verhuld, althans

heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld

wie de rechthebbende(n) was/waren van die/dat geldbedrag(en) en/of die/dat

geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij, verdachte en/of

zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden,

dat die/dat geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren

uit de opbrengst van de handel in verdovende middelen, in elk geval afkomstig

was/waren van enig misdrijf

en/of

- hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) die/dat geldbedrag(en)

heeft/hebben verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of

omgezet, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) ten tijde van het

verwerven en/of het voorhanden krijgen en/of overdragen en/of omzetten van

die/dat geldbedrag(en), geldbedrag(en), wist(en), althans redelijkerwijs

had(den) moeten vermoeden, dat die/dat geldbedrag(en) - onmiddellijk of

middellijk - afkomstig was/waren uit de opbrengst van de handel in verdovende

middelen, in elk geval afkomstig was/waren van enig misdrijf;

artikel 420bis lid 1 aanhef en onder b Wetboek van Strafrecht

artikel 420quater lid 1 aanhef en onder b Wetboek van Strafrecht

artikel 47 Wetboek van Strafrecht