Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC9880

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-04-2008
Datum publicatie
18-04-2008
Zaaknummer
07/2827
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overtredingen van artikel 2, eerste lid, juncto artikel 3, tweede lid van het Warenwetbesluit Speelgoed nu uit onderzoek blijkt dat speelgoed, te weten plastic bootje met vormpjes, auto en een houten tractor met aanhanger, niet voldoet aan de in het Warenwetbesluit Speelgoed opgenomen veiligheidseisen. Beroep op afwezigheid van alle schuld treft geen doel, omdat eiseres niet alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijze van haar kunnen worden verwacht om overtredingen van het Warenwetbesluit Speelgoed te voorkomen. Eiseres had moeten onderkennen dat nu de producten uit China kwamen, deze niet in alle gevallen voldoen aan de Europese norm. Niet gebleken is dat aan het testen van de producten in eigen laboratorium eisen zijn gesteld aan de inzichtelijkheid van de uitgevoerde testen, volgens de daarvoor geldende Europese normen en de verslaglegging daarvan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: BC 07/2827-NIFT

Uitspraak in het geding tussen

Koopman International B.V., gevestigd te Amsterdam, eiseres,

Gemachtigde [X] , directeur van eiseres en jhr.mr. A.N. Stoop,

advocaat te Amsterdam.

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 15 september 2006 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat haar een boete wordt opgelegd van € 675,-- wegens overtredingen van fundamentele veiligheidseisen die bij of krachtens de Warenwet voor speelgoed zijn gesteld.

Tegen dit besluit heeft de gemachtigde van eiseres bij brief van 27 oktober 2006 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 21 juni 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft de gemachtigde van eiseres bij brief van 31 juli 2007 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 14 december 2007 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2008. Eiseres was aanwezig bij gemachtigden, verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. D.J. Dernison en W.A. van Nimwegen.

2 Overwegingen

2.1. Feiten en omstandigheden

Eiseres is een groothandel en agentuur van en in galanterieën, papierwaren, speelgoed, staal- en lederwaren, huishoudelijke artikelen bijouterieën, feestartikelen, toiletartikelen textielkleinwaren en luxe artikelen. Eiseres importeert speelgoed uit onder andere China, en verhandelt dat vervolgens op onder meer de Nederlandse markt .

Op 24 oktober 2005 heeft bij [A] te Zeist een inspectie van de verkoopruimte plaatsgevonden, waarbij door de controleambtenaar voor nader onderzoek een monsterneming is verricht van speelgoed, te weten een plastic bootje met vormpjes, Yacht no 778. Bij onderzoek van het monster is een plastic randje van de romp van de boot los gekomen dat geheel in de testcilinder voor kleine onderdelen paste.

Op 24 oktober 2005 heeft bij [B] te Zeist een inspectie van de verkoopruimte plaatsgevonden, waarbij door de controleambtenaar voor nader onderzoek een monsterneming is verricht van speelgoed, te weten een Bump & Go auto. Bij onderzoek van het monster is de tankdop los van de auto gekomen. De tankdop paste geheel in de cilinder voor kleine onderdelen.

Op 1 december 2005 heeft bij [C] een inspectie van de verkoopruimte plaatsgevonden, waarbij door een controleambtenaar voor nader onderzoek een monsterneming is verricht van speelgoed, te weten een houten tractor met aanhanger. Bij onderzoek is een deuvel van de tractor losgekomen. De deuvel paste geheel in de testcilinder voor kleine onderdelen.

2.2. Standpunten van partijen

Eiseres heeft zich in het beroepschrift beroepen op afwezigheid van alle schuld. Namens eiseres is gesteld dat zij voldoende maatregelen heeft genomen om de kans dat er non-conform speelgoed op de markt wordt gebracht te minimaliseren. Namens eiseres is hierbij aangevoerd dat zij over een eigen laboratorium in China beschikt waar het speelgoed wordt getest aan de hand van de Europese normen. Namens eiseres wordt het standpunt van verweerder bestreden dat aan de uitgevoerde testen geen waarde kan worden gehecht omdat het laboratorium niet beschikt over een accreditatie. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de wet niet volgt dat een onderzoek door een geaccrediteerd bureau noodzakelijk is en dat de afwezigheid van accreditatie niet zonder meer met zich brengt dat er sprake is van een niet-objectief, partijdig of onjuist onderzoek.

Ter zitting heeft eiseres benadrukt dat er sprake is van een eigen laboratorium in Amsterdam waar 12 personen werkzaam zijn. In dit laboratorium worden veel proeven zelf gedaan, sommige worden uitbesteed. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder deze in eigen beheer uitgevoerde proeven op juiste waarde moet schatten en niet zomaar terzijde mag schuiven.

Eisers kan zich niet vinden in de overweging van verweerder dat er pas waarde aan een onderzoek kan worden gehecht indien dit is uitgevoerd door een geaccrediteerd bureau.

Verweerder heeft hetgeen namens eiseres is aangevoerd in het verweerschrift gemotiveerd bestreden. Verweerder heeft hierbij overwogen dat een ondernemer verantwoordelijk is voor een goede bedrijfsvoering en steeds dient te voldoen aan de in de Warenwet gestelde voorschriften. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het een goede zaak is dat eiseres over een eigen onderzoekslaboratorium beschikt, maar hieraan niet afdoet dat niet aannemelijk is gemaakt dat de producten op voorgeschreven wijze zijn getest. Verweerder heeft opgemerkt dat accreditatie niet voortvloeit uit de wet, maar dat onderzoeksresultaten van een geaccrediteerd laboratorium eerder kunnen leiden tot acceptatie van een beroep op afwezigheid van alle schuld.

Ter zitting heeft verweerder benadrukt dat het ontbreken van accreditatie geen onderdeel is van de delictsomschrijving. Verweerder heeft slechts willen aangeven dat afwezigheid van alle schuld eerder zou kunnen worden aangenomen indien de kwaliteitscontrole door een laboratorium wordt gedaan dat geaccrediteerd is. Omdat niet is komen vast te staan dat de onderzoeken door het laboratorium van eiseres conform de voorgeschreven methode zijn uitgevoerd heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt al het mogelijke te hebben gedaan om te voorkomen dat speelgoedartikelen werden verhandeld die niet voldoen aan de in het Warenwetbesluit Speelgoed en kinderwaren opgenomen fundamentele veiligheidseisen.

Volgens verweerder is algemeen bekend dat speelgoed uit China met enige regelmaat niet aan de Europese veiligheidseisen voldoet.

2.3. Wettelijk kader

Artikel 32a, eerste lid, van de Warenwet bepaalt dat ter zake van de in de bijlage bij die wet omschreven overtredingen de minister een boete kan opleggen aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan welke de overtreding kan worden toegerekend.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit Speelgoed is het verboden speelgoed en kinderwaren te verhandelen indien die niet voldoen aan de eisen gesteld bij of krachtens dit besluit met betrekking tot hun samenstelling, uitvoering, hoedanigheid of eigenschappen.

In artikel 3, eerste lid van het Warenwetbesluit Speelgoed is bepaald dat speelgoed en kinderwaren zodanig dienen te zijn samengesteld en zodanige eigenschappen te hebben alsmede van zodanige vermeldingen te zijn voorzien, dat zij bij gebruik overeenkomstig de bestemming of bij gebruik op een wijze die gezien het gangbare gedrag van kinderen te verwachten is, geen bijzonder gevaar opleveren voor de veiligheid of gezondheid van de gebruiker of van derden. Ingevolge het tweede lid van dit artikel moeten speelgoed en kinderwaren voldoen aan de in bijlage 2 vermelde voorschriften.

In bijlage 2 is onder 1, aanhef en e, bepaald dat speelgoed en kinderwaren geen gevaar voor verstikking of verwurging dienen op te leveren. Onder 2 van bijlage 2 is bepaald dat speelgoed en kinderwaren, kennelijk bestemd voor kinderen jonger dan 36 maanden, zo groot moeten zijn dat zij niet door hen kunnen worden ingeslikt of ingeademd.

2.4. Beoordeling

Bij besluit van 15 september 2006 is aan eiseres een bestuurlijke boete van € 675,-- opgelegd voor de volgende overtredingen:

- artikel 2, eerste lid, juncto artikel 3, tweede lid, van het Warenwetbesluit Speelgoed (code C-30.1.2A), te weten een plastic bootje met vormpjes (Yacht no. 278) voldeed niet aan de in bijlage 2 van het Warenwetbesluit Speelgoed opgenomen fundamentele veiligheidseisen. Bij onderzoek bleek dat bij de valproef een plastic randje van de romp van de boot loskwam en in de testcilinder voor kleine onderdelen paste. Hierdoor levert de Yacht no. 278 gevaar op voor verstikking en/of gehemelte beschadiging;

- artikel 2, eerste lid, juncto artikel 3, tweede lid, van het Warenwetbesluit Speelgoed, te weten een Bump & Go auto, voldeed niet aan de in bijlage 2 van het Warenwet besluit Speelgoed opgenomen fundamentele veiligheidseisen. Bij onderzoek bleek tijdens de trekproef dat de tankdop loskwam van het speelgoed en in de testcilinder voor kleine onderdelen paste. Hierdoor levert de Bump & Go auto gevaar op voor verstikking en/of gehemelte beschadiging;

- artikel 2, eerste lid, juncto artikel 3, tweede lid, van het Warenwetbesluit Speelgoed, te weten een houten tractor met aanhanger, voldeed niet aan de in bijlage 2 van het Warenwetbesluit Speelgoed opgenomen fundamentele veiligheidseisen. Bij onderzoek bleek tijdens de trekproef dat een deuvel loskwam van de tractor en in de testcilinder voor kleine onderdelen paste. Hierdoor levert de houten tractor met aanhanger gevaar op voor verstikking en/of gehemelte beschadiging.

Bij vaststelling van de hoogte van de boete heeft verweerder er rekening mee gehouden dat de beboetbare feiten een dusdanige samenhang vertonen dat slechts eenmaal een boetebedrag is opgelegd. Voorts is het boetebedrag voor de beboetbare feiten met 50 percent verhoogd omdat eiseres op 17 juni 2004 eerder beboet is voor een soortgelijke overtreding en er nog geen twee jaren verlopen zijn sinds die eerste boete onherroepelijk is geworden.

Niet in geding is dat eiseres artikel 2, eerste lid, juncto artikel 3, tweede lid, van het Warenwetbesluit Speelgoed heeft overtreden doordat het door haar geïmporteerde en verhandelde speelgoed op de Nederlandse markt niet voldoet aan de in bijlage 2 van het Warenwetbesluit Speelgoed opgenomen fundamentele veiligheidseisen.

Eiseres heeft een beroep gedaan op afwezigheid van alle schuld omdat zij alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijze van haar kunnen worden verwacht om overtredingen van het Warenwetbesluit Speelgoed te voorkomen.

De rechtbank overweegt dat in het Warenwetbesluit Speelgoed overtreding van artikel 2, eerste lid, en artikel 3, tweede lid, is aangemerkt als beboetbaar feit zonder dat daartoe opzet of schuld is vereist. Derhalve staat de overtreding, indien niet is voldaan aan de materiele voorschriften van deze artikelen, vast. In beginsel mag dan van verwijtbaarheid van de overtreding worden uitgegaan. Indien een betrokkene betoogd dat hem terzake van die overtreding geen verwijt valt te maken en hij in dit verband schulduitsluitingsgronden aanvoert, zal dat door hem aannemelijk worden gemaakt.

Niet in geding is dat op basis van het CEN bericht CR 14379:2202 (E) “Classification of toys – Guidelines”van april 2002, tabel 7 , Categorie F, het speelgoed is ingedeeld in de groep voor kinderen onder de 36 maanden. Hiervoor zijn de volgende functies of kenmerken van het speelgoed bepalend:

- Large elements, easy to manipulate;

- Limited number of elements;

- Puzzles with e few large pieces;

- Rounded shapes;

- Simple images of human beings, animals, houses, vehicles etc.;

- Easy to stack or lock;

- En het volgende voorbeeld: plastic blocks en elements that fit together.

Voorts is niet in geding dat het speelgoed beproefd dient te worden naar de (Europese) norm NEN-EN 71-1:1998, waarbij is bepaald dat voor kinderen jonger dan 36 maanden onder andere de volgende eis wordt gesteld:

“Bij beproeving volgens 8.3 (torsieproef), 8.4 (trekproef, algemeen), 8.5 (valproef), 8.7 (stootproef) en 8.8. (drukproef), mag het speelgoed geen onderdelen produceren die, ongeacht de positie, geheel in de in 8.2 gespecificeerde cilinder passen. Op grond van 8.1. dient een exemplaar van het speelgoed te worden beproefd in genoemde volgorde. Verlijmd houten speelgoed en speelgoed met opgelijmde kunstof plakplaatsjes moeten op grond van 5.l e worden onderworpen aan 8.9. (inweekproef) voordat ze worden beproefd volgens 5.1b hierboven.”

Ter ondersteuning van haar standpunt heeft eiseres testrapporten van Yangzhou Imp. & Exp. Inspection Institute of P.R.C. te Jiangsu, China overgelegd terzake volgens eiseres de tractor met aanhanger, de Bump & Go auto, en het plastic bootje met vormpjes.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat uit de testrapporten niet blijkt of zij betrekking hebben op het speelgoed dat door verweerder is bemonsterd. Terzake de houten tractor met aanhanger stelt de rechtbank vast dat alleen een voorblad is overgelegd. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank met de testrapporten niet aannemelijk geworden dat de producten zijn beproefd naar de Europese norm NEN-EN 71:1998. De rechtbank heeft in dit verband geconstateerd dat uit de Nederlandse versie volgt dat de producten zijn getest aan de hand van de trekproef en de valproef, en in het geval van de tractor met aanhanger, aan de inweekproef, maar dat daarbij niet is vermeld of ook de overige proeven, te weten de drukproef en de torsieproef, zoals is voorgeschreven in norm NEN-EN 71:1998 zijn verricht. Tot slot merkt de rechtbank op dat evenmin inzichtelijk is de wijze waarop en de volgorde waarin de proeven zijn verricht en of conform de eisen zoals neergelegd in vorenbedoelde norm is gehandeld.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat eiseres alles heeft gedaan wat in redelijkheid van haar mag worden verwacht om overtreding van het Warenwetbesluit Speelgoed te voorkomen. De rechtbank merkt hierbij op dat het de verantwoordelijkheid is van de ondernemer om te voldoen aan de eisen van de wet en dat, nu de producten uit China komen, eiseres heeft moeten onderkennen, dat deze producten niet in alle gevallen voldoen aan de Europese normen. Nu eiseres er voor heeft gekozen de producten in eigen laboratorium te testen, is hij als ondernemer gehouden eisen te stellen aan de inzichtelijkheid van de uitgevoerde testen, volgens de daarvoor geldende Europese normen en de verslaglegging daarvan. Dat hiervan sprake is geweest is de rechtbank niet gebleken.

Op grond van het door eiseres overgelegde Certificaat van Goedkeuring terzake van ISO 9001.2000 kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangenomen dat de testen zijn uitgevoerd aan de hand van de beproevingsmethoden die in de norm NEN-EN 71:1998 zijn opgenomen.

De rechtbank merkt nog op dat de eis van accreditatie van een testlaboratorium niet uit de wettelijke bepalingen voortvloeit, maar dat verweerders standpunt dat bij een geaccrediteerd laboratorium eerder een beroep op afwezigheid van schuld kan worden aangenomen, de rechtbank op zich zelf niet onjuist voorkomt.

In het onderhavige geval is de rechtbank niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder van oplegging van de boete heeft moeten afzien. Verweerder heeft derhalve in redelijkheid kunnen besluiten eiseres een boete van € 675,-- op te leggen.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar op goede gronden ongegrond heeft verklaard. Het bestreden besluit houdt dan ook in rechte stand, zodat het daartegen gerichte beroep ongegrond is.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, rechter, en door deze en mr. A.J.J. van der Vlist, griffier, ondertekend.

De griffier: De rechter:

Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2008.

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.