Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC9768

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
17-04-2008
Zaaknummer
280745 / HA ZA 07-761
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hennepkwekerij; illegale stroomonttrekking; overeenkomst tot leveren energie; schending zorgplicht contractant/huurder

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 280745 / HA ZA 07-761

Uitspraak: 2 april 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap ENECO ENERGIE SERVICES B.V., zaakdoende onder

de benaming ENECO ENERGIE,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

procureur mr. J. Kneppelhout,

advocaat mr. M.C. Veltkamp-van Paassen te Den Haag,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te Capelle aan den IJssel,

gedaagde,

procureur mr. A.W. Dolphijn.

Partijen worden hierna aangeduid als "Eneco" respectievelijk "[gedaagde]".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 20 maart 2007 en de door Eneco overgelegde producties;

- conclusie van antwoord;

tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 27 juni 2007, waarbij een comparitie van partijen

is gelast;

proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 22 augustus 2007;

de ter gelegenheid van de comparitie van partijen door mr. Veltkamp-van Paassen bij brief van 13 augustus 2007 overgelegde producties.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 Op 17 december 2006 trof de politie in het pand [straat] 24 D te Rotterdam een hennepkwekerij aan. De kwekerij was verdeeld over drie kamers van de woning.

2.2 Bij de ontmanteling van de kwekerij werd door een fraudemedewerker van Eneco geconstateerd dat de verzegeling van de elektriciteitsmeter was verbroken en dat op illegale wijze, buiten de elektriciteitsmeter om, elektriciteit werd afgenomen ten behoeve van de kwekerij. Eneco heeft hierdoor schade geleden.

2.3 [gedaagde] was huurder van de in 2.1 genoemde woning.

3 De vordering

De vordering luidt - zakelijk weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen om aan Eneco te voldoen een bedrag van € 14.525,30 vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 18 januari 2007 tot aan de voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en nakosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Eneco aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 Sinds 5 juli 1992 bestaat tussen Eneco en [gedaagde] een overeenkomst tot het leveren van energie aan het pand [straat] 24 D te Rotterdam. Op grond van deze overeenkomst is [gedaagde] aansprakelijk voor de illegale stroomonttrekking.

3.2 Op de in 3.1 genoemde overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden 2006 van Eneco van toepassing. Op grond van de algemene voorwaarden diende [gedaagde] de meetinrichting te beschermen tegen beschadiging en tegen verbreking van de door Eneco op de meetinrichting aangebrachte verzegeling. [gedaagde] heeft in strijd met de algemene voorwaarden gehandeld door de meetinrichting niet te beschermen tegen sabotage, althans tegen verbreking van de verzegeling van de meetinrichting.

3.3 De kosten van onbemeten energieverbruik bedragen € 13.832,80.

De kosten voor ontoelaatbaar handelen bedragen € 692,50 en betreffen een nieuwe meetinrichting, de kosten van de fraudemedewerker en de administratiemedewerker en een boete.

3.4 Eneco vordert wettelijke rente over de gevorderde bedragen, te rekenen vanaf 18 januari 2007.

3.5 Eneco vordert voorts nakosten, in die zin dat de executie van het vonnis tevens het nasalaris van de procureur omvat.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot nietigheid van de dagvaarding, althans, afwijzing van de vordering, met veroordeling van Eneco in de kosten van het geding en in de nakosten.

[gedaagde] heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 [gedaagde] betwist dat hij een overeenkomst strekkende tot levering van energie met Eneco is aangegaan.

4.2 Indien en voor zover er sprake zou zijn van een tussen [gedaagde] en Eneco gesloten overeenkomst tot levering van energie, dan zijn aan [gedaagde] geen algemene voorwaarden ter hand gesteld. In ieder geval gelden de “toepasselijke algemene voorwaarden elektriciteit 2006” niet.

4.3 [gedaagde] is niet in gebreke gesteld, laat staan in verzuim geraakt met het nakomen van verplichtingen uit een overeenkomst. De ingebrekestelling is niet rechtsgeldig, omdat deze is verzonden aan het adres aan de [straat] terwijl [gedaagde] woonachtig was aan de Wingerd te Capelle aan den IJssel. Van een opeisbare vordering kan daarom geen sprake zijn.

4.4 [gedaagde] betwist de schadeberekening.

Ten eerste blijkt uit de berekening van Eneco dat er gebruik is gemaakt van een afzuigmotor in een houten kist, een ventilator en assimilatielampen. Uit het proces-verbaal blijkt echter niet van de aanwezigheid van een afzuigmotor in een houten kist en een ventilator.

Ten tweede is het niet geregistreerde elektriciteitsverbruik in de drie ruimtes onjuist opgeteld.

Ten derde wordt de hoogte van de vordering gebaseerd op de aanname dat één volledige hennepkweek 70 dagen beslaat. [gedaagde] betwist dit.

Ten vierde stelt [gedaagde] dat op basis van artikel 4.7 van de algemene voorwaarden geen boete kan worden opgelegd als door Eneco al schadevergoeding is gevorderd.

Ten vijfde wordt de vordering voor kosten voor ontoelaatbaar handelen op geen enkele manier onderbouwd.

4.5 [gedaagde] betwist de hoogte van het openstaande saldo. Uit het saldo-overzicht dat Eneco heeft gestuurd naar [gedaagde] (productie 1 bij dagvaarding) blijkt een openstaand saldo van

€ 236,38. Hieruit wordt geconcludeerd dat geen sprake (meer) is van een opeisbare vordering van € 14.525,29.

4.6 [gedaagde] beroept zich op het matigingsrecht van artikel 6:109 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW).

4.7 Eneco komt geen vergoeding voor buitengerechtelijke kosten toe, omdat Eneco niet aannemelijk heeft gemaakt dat het nemen van de maatregelen en de hoogte van de hieraan verbonden kosten redelijk zijn en dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.

5 De beoordeling

5.1 Uit het door Eneco overgelegde saldo-overzicht blijkt dat over de periode 23 februari 2005 tot en met 24 januari 2007 aan [gedaagde] bedragen voor levering van energie in rekening zijn gebracht en dat [gedaagde] betalingen heeft gedaan. [gedaagde] acht het door Eneco overgelegde saldo-overzicht onbetrouwbaar vanwege de vele stortingen van onder andere € 1,00 en

€ 3,00, maar onderbouwt deze stelling verder niet. Eneco stelt dat alle betalingen zijn overgezet vanuit een oud computersysteem en dat daarbij deze bedragen zijn ontstaan, maar dat het totaal van de bedragen wel overeenkomt met de door [gedaagde] gedane betalingen. Het ter comparitie opgeworpen verweer van [gedaagde] dat hij dacht dat de door Eneco in rekening gebrachte bedragen zagen op onder andere te betalen belastingen, kosten voor het gebruik van de kabel, diensten van UPC, althans, op alles behalve de levering van energie, wordt door [gedaagde] niet dan wel onvoldoende onderbouwd. Ook het verweer dat hij in het verleden regelmatig van energieleverancier is gewisseld en hij – door het zoekraken van zijn administratie – niet kan nagaan bij welke leverancier hij vóór en ten tijde van het aanwezig zijn van de hennepkwekerij in het pand [straat] 24 D klant was, wordt door hem niet verder onderbouwd. De rechtbank acht gelet op het voorgaande voldoende aannemelijk dat [gedaagde] aan Eneco betalingen heeft gedaan voor levering van energie. De door Eneco, ter onderbouwing van haar stelling dat tussen haar en [gedaagde] een overeenkomst bestaat, overgelegde uitdraai van haar klantenbestand wordt door [gedaagde] niet weersproken, zodat van de juistheid daarvan dient te worden uitgegaan.

5.2 Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat tussen Eneco en [gedaagde], in ieder geval sedert 23 februari 2005, een overeenkomst tot het leveren van energie door Eneco bestaat.

5.3 Vast staat tevens dat in het pand [straat] 24 D te Rotterdam ten behoeve van de kwekerij elektriciteit werd afgenomen die niet door de elektriciteitsmeter werd geregistreerd. [gedaagde] is aansprakelijk voor de schade die Eneco daardoor heeft geleden. [gedaagde] is immers, zowel als huurder van het pand en als contractuele wederpartij van Eneco, jegens Eneco verplicht om de in het pand aanwezige meetinstallatie op legale wijze te (laten) gebruiken en te beschermen tegen manipulatie. Op [gedaagde] rustte een zorgplicht jegens Eneco om erop toe te zien dat niet op illegale wijze stroom werd afgetapt in de door hem gehuurde woning. Het buiten de registratie van de meetinstallatie om illegaal afnemen van elektriciteit levert een tekortkoming in de nakoming van deze zorgplicht op. Deze tekortkoming kan [gedaagde] bovendien worden toegerekend, nu deze krachtens de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. Dat [gedaagde] – zoals hij stelt – niet woonachtig is geweest in het pand en daarvan ook geen gebruik heeft gemaakt, doet er niet aan af dat de onderhavige schade voor zijn rekening en risico dient te komen.

5.4 Gelet op de hiervoor vastgestelde schending van de zorgplicht, welke [gedaagde], als contractuele wederpartij van Eneco en als huurder van het pand, waaraan door Eneco energie werd geleverd, jegens Eneco in acht had te nemen, behoeft de vraag of de door Eneco gehanteerde algemene voorwaarden al dan niet van toepassing zijn in de relatie [gedaagde]/Eneco, geen beantwoording en is [gedaagde] gehouden de schade die Eneco door zijn tekortkoming heeft geleden te vergoeden.

5.5 Eneco vordert in hoofdsom een bedrag van in totaal € 14.525,30. Dit bedrag omvat het niet geregistreerde elektriciteitsverbruik (€ 13.832,80 inclusief BTW), vermeerderd met de technische en administratieve kosten (€ 692,50): de zogenoemde kosten ontoelaatbaar handelen.

5.6 Voor de berekening van niet geregistreerd elektriciteitsverbruik wordt door Eneco het vermogen van een drietal in de hennepkwekerij aangetroffen elektrisch geïnstalleerde apparaten, te weten een assimilatielamp (incl. VSA) 680, een afzuigmotor in een houten kist en een ventilator, bij elkaar opgeteld. [gedaagde] acht deze berekening onjuist omdat het proces verbaal (naar de rechtbank begrijpt: de rapportage diefstal energie) niet spreekt over een afzuigmotor in houten kist en een ventilator. Hoewel door de heer [X.] in de rapportage diefstal energie niet wordt gesproken van een afzuigmotor in houten kist en een ventilator, zijn op een tweetal door Eneco overgelegde en door [gedaagde] niet betwiste foto’s van de hennepkwekerij een ventilator en een houten kist te zien. Tussen partijen is niet in geschil dat deze foto’s gemaakt zijn in de door [gedaagde] gehuurde woning. De rechtbank acht het derhalve juist dat de ventilator en afzuigmotor worden meegenomen in de schadeberekening.

5.7 Op grond van vorenstaande acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat de aan de berekening van Eneco ten grondslag gelegde apparatuur zich in de hennepkwekerij bevond, zodat van de juistheid van daarvan dient te worden uitgegaan.

5.8 Eneco heeft aan haar berekening van het niet geregistreerde elektriciteitsverbruik ten grondslag gelegd dat de illegale elektriciteitsafname ten behoeve van de hennepkwekerij voor een periode van drie hennepoogsten van elk 70 dagen, dus in totaal 210 dagen heeft plaatsgevonden, zodat – volgens Eneco – in totaal 94.374 kWh aan elektriciteit is weggenomen, hetgeen een waarde vertegenwoordigd van 13.832,80. [gedaagde] betwist dat een volledige kweekperiode 70 dagen beslaat en dat er gedurende een periode van 210 dagen is gekweekt. Eneco heeft ter gelegenheid van de comparitie haar berekening nader onderbouwd en verklaard dat zij naar aanleiding van de situatie ter plaatse – waaronder de aangetroffen hoeveelheid restafval, de kalkaanslag op de vloer en de afvoergoten, en de aanwezige koolstoffilters en de vervuiling daarvan – tot de conclusie is gekomen dat er (vermoedelijk) sprake is geweest van 3 oogsten. Uit een rapport van de Universiteit van Wageningen, waarin het groeiproces van hennepplanten wordt beschreven, volgt dat een volledige kweekperiode gemiddeld 119 dagen bedraagt. In het kader van berekeningen van het niet geregistreerde elektriciteitsverbruik wordt door Eneco uitgegaan van drie kweekperioden van elk 70 dagen. Deze berekening is niet onbegrijpelijk. De onzekerheid die inherent is aan het schatten van het aantal hennepoogsten, dient voor rekening van [gedaagde] te worden gebrac ht, nu bedoelde onzekerheid het rechtstreekse gevolg is van diens handelen in strijd met zijn zorgplicht jegens Eneco. Tegenover de door Eneco gegeven nadere onderbouwing van de duur van de kweekperiode heeft [gedaagde] geen concreet verweer gevoerd.

5.9 Gelet op voorgaande gemotiveerde stellingen van Eneco, had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van [gedaagde] gelegen deze stellingen gemotiveerd te betwisten en kon zij niet volstaan met een blote ontkenning daarvan.

Door dit na te laten, dient als niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken van de juistheid van de door Eneco gemaakte berekening van het niet geregistreerde elektriciteitsverbruik te worden uitgegaan. De vordering ligt dan ook in zoverre voor toewijzing gereed.

5.10 Eneco heeft ter gelegenheid van de comparitie de – door [gedaagde] betwiste – hoogte van de opeisbare vordering onderbouwd. Het in het saldo-overzicht opgenomen bedrag van

€ 236,38 is de reguliere nota van Eneco Energie Retail BV voor de levering van energie aan het pand [straat] 24 D te Rotterdam. De factuur van € 14.525,30 ziet op de ontstolen energie welke aan Eneco Netbeheer BV blijft toebehoren en die door Eneco Energie Services BV als haar lasthebber in deze procedure wordt gevorderd, aldus Eneco. Tegenover de door Eneco gegeven nadere onderbouwing van de hoogte van de opeisbare vordering heeft [gedaagde] geen concreet verweer gevoerd, zodat van de juistheid daarvan dient te worden uitgegaan.

5.11 Eneco heeft in haar berekening van het niet geregistreerde elektriciteitsverbruik een bedrag van € 692,50 voor kosten ontoelaatbaar handelen opgenomen. Eneco heeft ter gelegenheid van de comparitie haar kosten voor ontoelaatbaar handelen nader onderbouwd en verklaard dat in dit forfaitaire bedrag onder andere voorrijkosten, uren van de fraudebehandelaar en administratiemedewerker, en wederaansluiting van de elektriciteitsmeter in de woning zijn opgenomen. Tegenover de door Eneco gegeven onderbouwing van de kosten, heeft [gedaagde] onvoldoende concreet verweer gevoerd. Vast staat dat Eneco door de fraude aan de meetinrichting in de woning van [gedaagde] kosten heeft moeten maken. Deze schade dient te worden aangemerkt als gevolgschade ten gevolge van het toerekenbaar tekortkomen in de zorgplicht door [gedaagde]. [gedaagde] is aansprakelijk voor deze kosten. De hoogte van de kosten wordt door [gedaagde] niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist.

Gelet op bovenstaande overwegingen zullen de kosten voor ontoelaatbaar handelen volledig worden toegewezen.

5.12 Ter comparitie heeft Eneco gesteld dat zij in haar vordering geen bedrag ter zake boete heeft opgenomen. [gedaagde] heeft deze stelling niet betwist, zodat van het ontbreken van een boete in de vordering van Eneco dient te worden uitgegaan.

5.13 Eneco vordert van [gedaagde] onder meer nakosten, in die zin dat de executie van dit vonnis tevens het nasalaris van de procureur omvat. Nu kosten in verband met de tenuitvoerlegging van het vonnis vallen onder de regeling van artikel 237 lid 4 Rv, dient de vordering ter zake van deze kosten als prematuur en derhalve ongegrond te worden afgewezen.

5.14 [gedaagde] heeft de rechtbank verzocht de schadevergoeding op grond van artikel 6:109 BW te matigen. [gedaagde] draagt daartoe geen, dan wel onvoldoende gemotiveerde gronden aan, zodat de gevorderde matiging van schadevergoeding zal worden afgewezen.

6 De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Eneco te betalen het bedrag van € 14.525,30 (zegge: veertienduizend vijfhonderd vijfentwintig euro en dertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW over dit bedrag vanaf 18 januari 2007 tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten tot aan deze uitspraak aan de zijde van Eneco bepaald op € 320,00 aan vast recht, op € 70,85 aan overige verschotten en op € 904,00 aan salaris voor de procureur;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Overbosch.

Uitgesproken in het openbaar.

1902/547