Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC9389

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
14-04-2008
Zaaknummer
261831 / HA ZA 06-1492
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geldige wissel tot stand gekomen? toestemming echtgenote vereist?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 261831 / HA ZA 06-1492

Uitspraak: 12 maart 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

De rechtspersoon naar Duits recht GERSTEL GMBH & CO KG,

gevestigd te Mülheim (Duitsland),

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. O.E. Meijer,

advocaat mr. R.J. Leijssen te Enschede,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te Oostvoorne (gemeente Westvoorne),

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. W. Th. Van Dijk.

Partijen blijven verder aangeduid als "Gerstel" respectievelijk "[gedaagde]".

1 Het verdere verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 28 maart 2007 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

de door [gedaagde] genomen akte na tussenvonnis;

de door Gerstel genomen akte na tussenvonnis, met producties;

2 De verdere beoordeling

in conventie

2.1

Bij voormeld vonnis is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten als bedoeld in r.o. 5.2, 5.4 en 5.5 van voormeld vonnis.

2.2

Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] de Nederlandse nationaliteit heeft en dat hij de onderhavige documenten in Nederland heeft ondertekend. Krachtens het bepaalde in de artikelen 2 en 3 van “Het verdrag tot regeling van zekere wetsconflicten ten aanzien van wisselbrieven en orderbriefjes gedaan te Genève op 7 juni 1930 “, (Stb 1933/699) (hierna: het verdrag) is Nederlands recht van toepasssing met betrekking tot de bekwaamheid van [gedaagde] om zich te verbinden en de vorm van de verbintenissen ten aanzien van wisselbrieven.

2.3

De vraag of de bij productie 3 en 4 bij dagvaarding in kopie overgelegde geschriften als wissels dienen te worden beschouwd dient te worden beantwoord aan de hand van hetgeen daaromtrent is bepaald in artikel 100 Wetboek van Koophandel (hierna: WvK).

2.4

Deze vraag dient bevestigend te worden beantwoord, immers beide stukken:

- zijn in de Duitse taal gesteld en noemen de term “Wechsel”;

- bevatten een onvoorwaardelijke opdracht tot betaling van een bepaald bedrag (€ 100.000,-- respectievelijk € 130.000,--) aan Gerstel;

- geven een “Bezogener” aan (Analytical Applications Brielle BV (hierna: AAB) en K. [gedaagde] (de wissel uitgegeven 30 juni 2003), respectievelijk [gedaagde], Karel (privat) (de wissel uitgegeven 25 juli 2003)), als degene(n) die dien(t)(en) te betalen (de betrtokkenen);

- vermelden dat de wissels betaalbaar zijn op zicht;

- vermelden een door de betrokkene aangewezen plaats waar de betaling moet worden gedaan: Brielle (ten kantore van de ABN Amro Bank);

- vermelden de naam van degene aan wie de betaling moet geschieden: Gerstel;

- noemen als datum en plaats van uitgifte Brielle, 30 juni 2003, respectievelijk Mülheim am Ruhr, 25 juli 2003;

- zijn door de bestuurder van de trekker ondertekend.

2.5

Anders dan [gedaagde] aanvoert blijkt uit voornoemde wissels dat [gedaagde] (respectievelijk AAB) niet de trekker is, maar de betrokkene, degene die de opdracht tot betalen heeft gekregen, welke opdracht door hem is geaccepteerd. Artikel 102 lid 1 WvK staat toe dat de trekker de betrokkene opdraagt om aan haar zelf te betalen. Trekker en nemer zijn in dat geval, gelijk als in de onderhavige situatie, één.

Gelet op het bepaalde in artikel 126 WvK staat het de betrokkene vrij, zoals [gedaagde] in casu ook heeft gedaan, bij de acceptatie een adres aan wijzen gelegen binnen zijn domicilie als plaats waar de betaling zal geschieden, in casu de ABN Amrobank te Brielle. Dit leidt er niet toe dat de bank daardoor wisselschuldenaar is geworden.

Op grond hiervan passeert de rechtbank het verweer van [gedaagde] dat geen geldige wissels tot stand zouden zijn gekomen.

2.6

[gedaagde] voert verder aan dat uit de achterzijde van de wissels blijkt dat de wissels door Gerstel zijn geëndosseerd aan de National Bank, zodat Gerstel niet meer gerechtigd is tot inning van de wissels.

Gerstel stelt dat er sprake is van een zogenaamd incasso endossement en dat de National Bank de wissels weer heeft teruggegeven aan Gerstel, nadat was geprotesteerd van non-betaling. Ter adstructie van haar stellingen heeft zij twee brieven - gedateerd 9 september 2003, respectievelijk 15 september 2003 - van de National Bank aan Gerstel overgelegd.

2.7

De rechtbank overweegt dat op de achterzijde van de wissels een stempel is geplaatst met de woorden “Wert zum Einzug-value for collection”. Daaruit volgt dat de wissels kennelijk zijn geëndosseerd ter incasso van de vorderingen als bedoeld in artikel 117 WvK. Dit brengt met zich dat de schuldvorderingen niet zijn overgedragen aan de National Bank, maar slechts dat het endossement de bank vertegenwoordigende bevoegdheid verschafte om namens Gerstel de vordering te incasseren. Vast staat dat de in de wissels genoemde bedragen niet konden worden geïncasseerd.

Nu de National Bank de wissels kennelijk weer heeft overgedragen aan Gerstel, is deze weer houder van de wissels geworden en daarmee inningsbevoegd.

2.8

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of [gedaagde] bekwaam was om zich te verbinden. [gedaagde] heeft in dit kader aangevoerd dat hij de onderhavige rechtshandelingen zonder de toestemming van zijn echtgenote is aangegaan en dat hij mitsdien heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 1:88 lid 1 onder c Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en voorts dat zijn echtgenote een beroep op de in artikel 1:89 lid 1 BW gegeven vernietigingsgrond heeft gedaan. Gerstel heeft erkend dat zij een beroep op vernietiging heeft ontvangen, maar heeft betwist dat er grond voor vernietiging zou zijn.

2.9

Een echtgenote komt een beroep op de vernietiging ex artikel 1:89 BW slechts toe voor zover haar echtgenoot een rechtshandeling verricht als genoemd in 88 lid 1 BW, terwijl de in dit lid en volgende leden genoemde uitzonderingen zich niet voordoen.

[gedaagde] is in de eerste wissel (van juni 2003) als betrokkene aangewezen, samen met AAB, en heeft door ondertekening de wissel geaccepteerd. De rechtbank maakt dit op uit het woord “und” dat staat bij “Bezogner”. [gedaagde] heeft zich hierdoor verbonden als hoofdelijk medeschuldenaar. Bij de tweede wissel (van juli 2003) is [gedaagde] genoemd als enige “Bezogner”. Ook deze wissel heeft hij geaccepteerd. Door acceptatie is [gedaagde] in beginsel gehouden de op de wissels genoemde bedragen aan Gerstel te voldoen.

Het antwoord op de vraag of deze rechtshandelingen van [gedaagde] rechtshandelingen zijn zoals genoemd in artikel 1:88 lid 1 BW waarvoor toestemming nodig is van zijn echtgenote, kan in het midden blijven, omdat de rechtshandelingen zijn verricht ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van AAB, zodat de uitzondering van artikel 1:88 lid 5 BW zich voordoet. De betalingsopdrachten door Gerstel hadden immers betrekking op door haar aan AAB verrichte leveranties, welke leveranties, zoals tussen partijen niet in geschil is, reeds gedurende enkele jaren geschiedden. Voor dergelijke rechtshandelingen is de toestemming van de echtgenote van [gedaagde] niet vereist. In rechte dient er dus van uit te worden gegaan dat [gedaagde] bekwaam was om zich te verbinden.

2.10

Gelet op het bepaalde in artikel 127 lid 1WvK leidt het voorgaande er toe dat [gedaagde] door acceptatie van de wissels, zich heeft verbonden de in de wissels genoemde bedragen op zicht te betalen. Omdat [gedaagde] niet tot betaling is overgegaan heeft de houder, Gerstel, op grond van het bepaalde in het tweede lid van artikel 127 WvK, uit hoofde van de wissels een rechtstreekse vordering op [gedaagde] voor al hetgeen gevorderd kan worden krachtens de artikelen 147 en 148 WvK.

2.11

Met betrekking tot het verweer van [gedaagde] dat er door Gerstel gebrekkig zou zijn geleverd overweegt de rechtbank als volgt.

In het tussenvonnis is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten als bedoeld in r.o. 5.4 en 5.5 van dat vonnis. Nu de door [gedaagde] tot dusver in het geding gebrachte producties onvoldoende zijn om zijn stellingen voldoende te onderbouwen en [gedaagde] er bij akte van heeft afgezien nader aan te tonen dat Gerstel tekort is geschoten in de nakoming van haar garantieverplichting is, gelet op de gemotiveerde betwisting van Gerstel op dit punt, in rechte niet komen vast te staan dat Gerstel tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de garantieregeling.

2.12

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van Gerstel dient te worden toegewezen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding in conventie aan de zijde van Gerstel.

in reconventie

2.13

Nu de vordering in conventie zal worden toegewezen is de rechtbank van oordeel dat de door Gerstel gelegde beslagen op de onroerende zaak aan de Steenhoven 7 te Oostvoorne en op de door [gedaagde] gehouden aandelen in [Holding B.V.]. niet ten onrechte zijn gelegd.

2.14

Dit leidt er toe dat de vordering in reconventie dient te worden afgewezen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding in reconventie aan de zijde van Gerstel.

De beslissing

De rechtbank,

in conventie

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Gerstel te betalen het bedrag van € 230.500,-- (zegge: tweehonderddertigduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 2 BW over € 230.000,-- vanaf 1 december 2003 tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die van de beslagen daaronder begrepen, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Gerstel bepaald op € 4.471,-- aan vast recht, op € 937,32 aan overige verschotten en op € 6.000,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

in reconventie

wijst af de vordering [gedaagde];

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Gerstel bepaald op € 452,-- aan salaris voor de procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.T Frima.

Uitgesproken in het openbaar.

1452/1659