Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC8047

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-03-2008
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
864940
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde is lid bij een sportschool. Hij zegt zijn lidmaatschap per gewone brief op, op de laatste dag vóór het verstrijken van de opzegtermijn. De brief wordt twee dagen nadien bij de sportschool bezorgd. De sportschool stelt zich op het standpunt dat het lidmaatschap te laat, en bovendien niet bij aangetekende brief, is opgezegd. De sportschool verlengt vervolgens het lidmaatschap van gedaagde, conform de algemene voorwaarden, met een jaar.

De kantonrechter acht op wettelijke gronden redenen aanwezig om de vordering van de sportschool, grotendeels, af te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 297
RCR 2008, 70
Prg. 2008, 124

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

Locatie Rotterdam

vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

David Lloyd Health & Fitness B.V.,

gevestigd te Eindhoven, kantoorhoudende te Veldhoven,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 21 januari 2008

gemachtigde: Groenewegen en Partners Gerechtsdeurwaarders,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats]

gedaagde,

in persoon.

1. Het verloop van de procedure

Eiseres heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen aan eiseres te betalen € 1.136,51 met rente en kosten zoals in de dagvaarding omschreven

Gedaagde heeft onder overlegging van producties op de eis geantwoord.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 22 februari 2008 een comparitie van partijen bepaald. Deze is gehouden op 18 maart 2008. Verschenen is de gemachtigde van eiseres

X. van Twist. Gedaagde is niet verschenen. Eiseres heeft tijdens de comparitie van partijen producties overgelegd. Van het verhandelde is proces-verbaal opgemaakt dat tezamen met voornoemde producties aan partijen is toegezonden.

De uitspraak van het vonnis is door de kantonrechter bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties staat tussen partijen -zakelijk weergegeven en voorzover thans van belang- het volgende vast:

2.1. Tussen partijen is op 3 juli 2003 voor de duur van 12 maanden een overeenkomst gesloten met ingangsdatum 7 juli 2003 waarbij eiseres zich heeft verplicht gedaagde gebruik te laten maken van haar (sport)faciliteiten tegen betaling van maandelijkse contributie door gedaagde.

2.2. Op de overeenkomst zijn de lidmaatschapsvoorwaarden van Cannons Health Clubs B.V. van toepassing. Ingevolge artikel 5.2. van die algemene voorwaarden geldt een opzegtermijn van drie maanden, bij gebreke waarvan de overeenkomst automatisch en telkenmale met een periode van één jaar wordt verlengd

2.3. Gedaagde heeft de overeenkomst opgezegd bij, niet aangetekende, brief van 30 april 2007. Eiseres heeft de ontvangst van die opzegging bevestigd bij brief van 14 mei 2007, waarbij zij gedaagde erop gewezen heeft dat de einddatum van zijn contract 31 juli 2007 is en dat hij de geldende opzegtermijn van drie maanden niet in acht heeft genomen, zodat de overeenkomst in haar ogen eindigt per 31 juli 2008.

Gedaagde heeft van zijn kant gereageerd bij brief van 5 juni 2007, waarbij hij heeft gesteld dat hij wel degelijk de opzegtermijn van drie maanden heeft gerespecteerd, aangezien de opzegging op 30 april 2007 verstuurd is. Bij brief van 11 juni 2007 heeft gedaagde haar standpunt herhaald dat de overeenkomst eerst eindigt op 31 juli 2008.

2.4. Gedaagde heeft na 31 juli 2007 geen gebruik meer gemaakt van de sportschool faciliteiten van eiseres. Eiseres heeft de gewoonte om de pas die toegang geeft tot de sportschool te blokkeren in het geval er sprake is van een betalingsachterstand van meer dan één maand.

3. De stellingen van partijen

3.1. Aan de eis is naast de hiervoor vermelde vaststaande feiten - zakelijk weergegeven - ten grondslag gelegd dat gedaagde heeft nagelaten de verschuldigde contributiegelden ten bedrage van € 934,00 te voldoen over de periode van 1 juli 2007 tot 1 augustus 2008.

Gedaagde wenste opzegging van het contract per 1 augustus 2007, maar heeft niet de, op grond van de algemene voorwaarden, geldende opzegtermijn van drie kalendermaanden in acht genomen. Bovendien is de brief niet aangetekend verzonden. De brief met de opzegging door gedaagde is eerst op 3 mei 2007 door eiseres ontvangen. Het lidmaatschap loopt derhalve door tot 1 augustus 2008. Eiseres zal het contract per die datum ontbinden en stelt dat de contributie over de resterende looptijd ineens opeisbaar is.

Eiseres stelt zich voorts op het standpunt dat gedaagde heeft getekend voor ontvangst van de algemene voorwaarden en daarom kennis heeft genomen, althans had kunnen nemen, van de inhoud van die voorwaarden. Gedaagde had de opzegging eerder moeten versturen.

Eiseres vordert tevens betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 150,00 en de vervallen rente van € 52,51 waarbij zij stelt dat zij genoodzaakt was haar vordering ter incasso uit handen te geven aan haar gemachtigde nu gedaagde in gebreke is gebleven met de betaling van het verschuldigde.

3.2. Gedaagde heeft tegen de eis -zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd.

Hij heeft de overeenkomst tijdig opgezegd middels de brief van 30 april 2007. Hij heeft wel degelijk de opzegtermijn van drie maanden in acht genomen, zodat hij geen contributie meer verschuldigd is na 1 augustus 2007.

Gedaagde is niet ter comparitie verschenen en heeft derhalve geen (aanvullend) verweer meer gevoerd.

4. De beoordeling van de vordering

4.1. Gelijk hiervoor ook al overwogen heeft de gevorderde hoofdsom ten bedrage van

€ 934,- betrekking op de periode van 1 juli 2007 tot 1 augustus 2008. Tussen partijen staat vast dat de verjaardag van het contract 31 juli 2007 was. Gedaagde heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de overeenkomst per 31 juli 2007 heeft opgezegd. Een en ander impliceert dat gedaagde de contributie over de maand juli 2007 nog verschuldigd is, zodat 1/13 deel van de gevorderde hoofdsom, derhalve € 71,85 toewijsbaar is.

Tevens is toewijsbaar de niet weersproken contractuele rente van 18% per jaar vanaf

24 september 2007 tot de dag der algehele voldoening.

4.2. Uitgaande van 31 juli 2007 als verjaardag van het contract, was 30 april 2007 de laatste dag, waarop tijdige opzegging mogelijk was, rekening houdend met het feit dat 30 april een nationale feestdag is. De mededeling van gedaagde diende op grond van artikel 3:37 BW op die dag door eiseres te zijn ontvangen. Eiseres heeft ter comparitie onweersproken gesteld dat de opzegging pas door haar ontvangen is op 3 mei 2007. Derhalve moet worden geconcludeerd dat de opzegging twee dagen te laat is gedaan door gedaagde.

Eiseres heeft zich vervolgens, mede gezien artikel 5.2. van de algemene voorwaarden, op standpunt gesteld dat de overeenkomst per 31 juli 2007 weer verlengd is met de duur van één jaar, derhalve tot 1 augustus 2008.

4.3. In de eerste plaats dient ambtshalve te worden getoetst of het hiervoor bedoelde artikel 5.2. van de algemene voorwaarden als een onredelijk beding in de zin van de Europese Richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (93/13) dient te worden beschouwd (NJ 2000, 730). Volgens artikel 3 van de Richtlijn is er sprake van een oneerlijk beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wanneer het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.

De bijlage van artikel 3 geeft een indicatieve opsomming van bedingen waarbij daarvan sprake kan zijn, zoals onder h: “bedingen die tot doel of tot gevolg hebben een overeenkomst van bepaalde duur automatisch te verlengen bij ontbreken van een tegengestelde kennisgeving van de consument, terwijl een al te ver van het einde van de overeenkomst verwijderde datum is vastgesteld als uiterste datum voor de kennisgeving van de wil van de consument om de overeenkomst niet te verlengen”.

Bedoelde Richtlijn is in de nationale wetgeving geïmplementeerd onder meer door de Wet van 28 oktober 1999 tot aanpassing van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aan de richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (Stbl. 1999, 468).

4.4. Beoordeeld dient te worden of eiseres een beroep toekomt op het in de algemene voorwaarden opgenomen beding met betrekking tot de opzegtermijn van drie maanden. In dat verband overweegt de kantonrechter het volgende.

Uitgangspunt is dat krachtens artikel 6:237 onder l BW een opzegtermijn van drie maanden

niet als onredelijk bezwarend geldt. Of een beding al dan niet onredelijk bezwarend is, dient beoordeeld te worden aan de hand van de omstandigheden die golden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Nu in dit geval de opzegtermijn niet langer is dan drie maanden en bovendien gesteld noch gebleken is dat ten tijde van het afsluiten van de overeenkomst sprake was van bijkomende omstandigheden, kan niet worden gezegd dat het beding onredelijk bezwarend is

Een en ander neemt niet weg dat daarnaast de algemene regel van art. 6:248 lid 2 BW geldt, ingevolge welke bepaling een tussen partijen als gevolg van een overeenkomst geldende regel niet van toepassing is, voor zover dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Die situatie doet zich in dit geval voor en in de gegeven omstandigheden acht de kantonrechter het beroep van eiseres op de opzegtermijn van drie maanden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. In dit verband acht de kantonrechter van belang de omstandigheid dat gedaagde de opzegtermijn slechts met twee dagen heeft overschreden, hij reeds vier jaar lid is van de sportschool en de overeenkomst wederom voor de periode van één jaar verlengd is zonder dat gedaagde daadwerkelijk gebruik heeft kunnen maken van de sportfaciliteiten wegens blokkering van de toegangspas. Bovendien is van belang dat gedaagde in de correspondentie die hij met eiseres gevoerd heeft nadrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij bedoelde op te zeggen tegen 31 juli 2007 en dat gesteld noch gebleken is dat eiseres speciaal ten behoeve van gedaagde kosten heeft gemaakt met betrekking tot het lidmaatschap van gedaagde na 31 juli 2007.

Op grond van vorenstaande overwegingen is de kantonrechter van oordeel dat de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid zich verzet tegen het beroep van eiseres op het beding met betrekking tot de opzegtermijn, zodat haar vordering, voor zover deze de contributie over de maand juli 2007 te boven gaat, afgewezen dient te worden.

4.5. Nu eiseres gedaagde voorafgaande aan de procedure steeds heeft aangemaand voor een veel te hoog bedrag, bestaat er geen aanleiding voor toewijzing van de gevorderde buitengerechtelijke kosten.

4.6. In de omstandigheid dat partijen over en weer in het ongelijk worden gesteld, vindt de kantonrechter aanleiding om de kosten van het geding te compenseren in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt gedaagde om aan eiseres tegen behoorlijke kwijting te voldoen de somma van

€ 71,85, vermeerderd met de contactuele rente van 18% per jaar vanaf 24 september 2007 tot de dag der algehele voldoening

compenseert de kosten van het geding, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.