Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC7942

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
27-03-2008
Zaaknummer
302564/KG ZA 08-169
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Krant weigert ingezonden stuk (alsnog) integraal te plaatsen. Geen speodeisend belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer 302564/KG ZA 08-169

Uitspraak: 25 maart 2008

VONNIS in kort geding in de zaak van:

[eiser]

wonende te Rotterdam,

eiser,

procureur mr. G. Kaai,

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NRC/HANDELSBLAD,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

procureur mr. J. Kneppelhout,

advocaat mr. E.M. Polak (te Amsterdam).

Partijen worden hierna verder aangeduid als “[eiser]” respectievelijk “het NRC”.

1. Het verloop van het geding

De voorzieningenrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 27 februari 2008;

- pleitnotities en producties van mr. Kaai;

- pleitnotities en producties van mr. Polak.

De raadslieden van partijen hebben de respectieve standpunten toegelicht ter zitting van 11 maart 2008.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende bestreden alsmede op grond van de inhoud van de door partijen overgelegde producties, kan in dit kort geding van de volgende feiten worden uitgegaan.

2.1

[eiser] heeft op 14 juni 2007 een bijdrage ter plaatsing in het NRC ingezonden, waarin hij onder de titel “De misslag van Piet Borst” bedenkingen inbrengt tegen een artikel van colum- Piet Borst in het NRC van 13 juni 2007. [eiser] heeft zijn inzending vergezeld doen gaan van een email, waarin hij onder meer het volgende schrijft:

Ik heb van U begrepen dat een bijdrage met een omvang van meer dan 300 woorden niet als een ingezonden brief kan worden geplaatst. Omdat mijn bijdrage meer dan 300 woorden beslaat, verzoek ik U hierbij aan mijn pennevrucht bij plaatsing in Uw krant dezelfde status te verlenen als het artikel van Borst. Ik verzoek u voor eventuele wijzigingen en/of ingrepen uwerzijds wel eerst contact met mij te willen opnemen.

2.2

Het NRC heeft de bijdrage van [eiser] op 23 juni 2007 in gewijzigde en ingekorte vorm geplaatst. De wijzigingen betreffen een andere kopregel en één zin. De inkorting betreft de elf laatste regels van de bijdrage. Het NRC heeft [eiser] niet vooraf in kennis gesteld van de wijzigingen en inkorting.

2.3

Partijen hebben hierna met elkaar gecorrespondeerd. Het gaat daarbij om de volgende brief- en emailwisseling.

2.3.1

Een brief van [eiser] d.d. 25 juni 2007 waarin hij zich (onder meer) beklaagt over de door het NRC toegepaste ingrepen. [eiser] verzoekt het NRC alsnog tot integrale plaatsing van zijn bijdrage over te gaan.

Een email van 28 juni 2007 waarin het NRC (onder meer) antwoordt dat de nieuwe kop de lading van het artikel dekt en dat de inkorting geen afbreuk heeft gedaan aan de essentie van de bijdrage van [eiser].

2.3.2

Een brief van [eiser] d.d. 28 juni 2007 waarin [eiser] (onder meer) aan het NRC mede-deelt dat hij geen genoegen neemt met het antwoord en dat hij verontschuldigingen eist van de redacteur die zijn bijdrage heeft gewijzigd en ingekort.

Een antwoordbrief van het NRC d.d. 22 augustus 2007 waarin het NRC aan [eiser] mede-deelt dat het NRC de klacht van [eiser] ongegrond acht.

2.3.3

Een brief van [eiser] d.d. 6 september 2007, waarin hij van het NRC verontschuldiging verlangt voor de trage beantwoording van zijn brieven en voor de onzorgvuldige wijze waarop dat gebeurt, en waarin hij alsnog integrale gegrondverklaring van zijn klacht ver-langt, zulks met medeondertekening van de redacteur die zijn bijdrage heeft gewijzigd en ingekort.

Een antwoordbrief d.d. 24 oktober 2007, waarin het NRC excuses aanbiedt voor de niet snelle beantwoording, en waarin het NRC erkent dat het juister was geweest om [eiser] vooraf in kennis te stellen van de wijziging en inkorting van zijn bijdrage.

2.3.4

Een brief van [eiser] d.d. 26 november 2007, waarin hij onder meer verwijst naar een telefoongesprek met het NRC waarin [eiser] rechtsmaatregelen aankondigt als het NRC niet alsnog overstag gaat, en waarin hij van het NRC eist dat binnen twee weken tegemoet wordt gekomen aan de eis van [eiser] tot “openbare redactionele rechtzetting”, bij gebreke waarvan [eiser] de door hem aangekondigde gerechtelijke stappen tegen het NRC onder-neemt.

Een email van het NRC d.d. 11 december 2007, waarin het NRC verwijst naar de eerder aangeboden excuses voor de vertraging en voor het feit dat de bewerkte en ingekorte versie van de bijdrage van [eiser] niet eerst aan hem is voorgelegd.

2.3.5

Een brief van [eiser] d.d. 6 januari 2008, waarin hij (onder meer) aankondigt zich tot de rechter te wenden, tenzij het NRC per omgaande verontschuldigingen aanbiedt voor alle redactionele ingrepen.

Een brief van de raadsman van [eiser] d.d. 4 februari 2008, waarin deze het NRC som-meert tot het aanbieden van verontschuldigen voor het niet integraal plaatsen van zijn bij-drage, bij gebreke waarvan rechtsmaatregelen zullen volgen.

Een brief van het NRC aan (de raadsman van) [eiser] d.d.12 februari 2008, waarin het NRC zulks weigert.

3. Het geschil

3.1

Op gronden als in de dagvaarding vermeld en ter zitting toegelicht vordert [eiser], dat de voorzieningenrechter tegen het NRC de volgende veroordeling uitspreekt:

primair: NRC veroordeelt tot het binnen 10 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, integraal plaatsen van de bijdrage van [eiser] getiteld “De misslag van Piet Borst” in het NRC onder vermelding van de reden van deze rectificatie;

subsidiair: NRC veroordeelt tot het aanbieden van schriftelijke verontschuldigingen aan [eiser] ter zake van alle in het lichaam van de dagvaarding omschreven redactionele ingrepen in zijn bijdrage,

dit alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat het NRC daarmee in gebreke blijft, en met veroordeling van het NRC in de kosten van dit kort geding.

3.1.2

Naast de hiervoor onder 2. vermelde vaststaande feiten, legt [eiser] aan zijn vordering in essentie ten grondslag de stelling, dat de bijdrage van [eiser] als gevolg van de inkorting door het NRC een inferieur artikel is geworden waaraan [eiser] zijn naam niet wil ver-binden. [eiser] voegt daaraan toe dat hij ook vakinhoudelijk bezwaren heeft tegen het ar-tikel van Borst, omdat het ongepast is dat een gezaghebbend hoogleraar/collega in het open-baar scheldt op degene die hij in zijn column op de korrel neemt; daarmee is de publieke be-schaving in het geding, aldus de Vries.

3.2

Het NRC heeft de vordering gemotiveerd weersproken. Het NRC concludeert tot afwijzing van de vordering en veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure. Naast de hiervoor onder 2. vermelde vaststaande feiten heeft Het NRC daartoe in essentie aangevoerd (zakelijk weergegeven en voorzover van belang):

- dat [eiser] geen spoedeisend belang meer heeft bij de gevorderde voorziening omdat het gaat om een geschil dat al vanaf medio juni 2007 dateert;

- dat indien een auteur van een ingezonden bijdrage zich tekort gedaan voelt door het medi-um dat zijn bijdrage in verkorte vorm heeft afgedrukt, de auteur zich met zijn klacht niet dient te wenden tot de burgerlijke rechter maar tot de Raad voor de Journalistiek als de daar-toe geëigende instantie;

- dat het NRC meermalen excuses heeft aangeboden voor de late beantwoording van de klacht, maar dat excuses niet op zijn plaats zijn (en ook niet rechtens afdwingbaar) voor de wijze waarop het NRC in de bijdrage van [eiser] heeft ingegrepen;

- dat de essentie van de oorspronkelijke bijdrage van [eiser] is terug te lezen in de door het NRC gepubliceerde tekst;

- dat de vordering tot integrale plaatsing onder vermelding van de reden niet toewijsbaar is omdat het NRC daarmee haar lezers ongevraagd in een dispuut betrekt tussen de hoofd-redactie en één lezer.

3.3

Voorzover nodig zal op hetgeen partijen overigens over en weer hebben aangevoerd, bij de beoordeling worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1

Het NRC heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de burgerlijke rechter in dit soort ge-schillen niet de aangewezen instantie is, omdat het hier niet gaat om een onrechtmatige publicatie in de gebruikelijke zin waarover “het slachtoffer” van de publicatie zich beklaagt

omdat zijn reputatie door die publicatie is geschaad, maar omdat het hier gaat om een auteur die zich tekort gedaan voelt door het medium dat zijn bijdrage in verkorte vorm heeft af-gedrukt en die zich met die klacht dient te wenden tot de Raad voor de Journalistiek.

De voorzieningenrechter begrijpt deze stelling aldus, dat het NRC daarmee een beroep doet op de onbevoegdheid van de voorzieningenrechter om van de vorderingen van [eiser] kennis te nemen.

De voorzieningenrechter kan het NRC niet in die stelling volgen. In het algemeen zijn de stellingen in de inleidende dagvaarding beslissend voor de beoordeling van de rechtsmacht van de rechter (HvJ EG 4-3-1982), tenzij door een gedaagde een verweer gevoerd wordt op een terrein waarvoor een exclusieve bevoegdheidsregel bestaat. Dit laatste doet zich hier niet voor. Nu [eiser] in de dagvaarding stelt dat de handelwijze van het NRC onrecht-matig jegens hem is en hem schade toebrengt, is de voorzieningenrechter bevoegd om van de vorderingen van [eiser] kennis te nemen.

4.2

Met betrekking tot het door het NRC gevoerde verweer dat [eiser] geen spoedeisend be-lang heeft bij de gevorderde voorziening, wordt het volgende vooropgesteld.

De vraag of een eisende partij in kort geding spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorziening dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. De omstandigheid dat een eisende partij lang heeft gewacht alvorens zich tot de kort geding rechter te wenden kan bij die afweging een rol spelen, maar rechtvaardigt niet zonder meer het oordeel dat de eisende partij geen spoedeisend belang (meer) heeft bij de gevorderde voorzieningen. Er kunnen immers goede gronden zijn voor de eiser om nog niet te procederen, bijvoorbeeld omdat er uitzicht bestond op een minnelijke regeling; een kwestie kan ook ineens acuut worden na lange tijd sluimerend te zijn geweest.

4.3

In dit kort geding staat vast dat [eiser] bij brief van 25 juni 2007 zich bij het NRC heeft beklaagd over de door het NRC toegepaste partijen ingrepen en dat hij het NRC daarbij heeft verzocht om alsnog tot integrale plaatsing van zijn bijdrage over te gaan. Tevens staat vast dat het NRC dat verzoek niet heeft gehonoreerd en dat het NRC bij brief van 22 au-gustus 2007 aan [eiser] expliciet heeft medegedeeld dat diens klacht door het NRC als ongegrond is afgewezen. Voorts staat vast dat het NRC nadien telkenmale zijn (reeds in de zomer van 2007 aan [eiser] kenbaar gemaakte) standpunt met betrekking tot het alsnog integraal plaatsen van diens bijdrage heeft kenbaar gemaakt, namelijk dat het NRC zulks weigerde.

Dat op basis van de vermelde correspondentie of de tussen partijen gevoerde telefoonge-spekken of anderszins aan de zijde van [eiser] mocht of kon worden aangenomen dat het NRC zou terugkomen op het van meet of aan ingenomen standpunt en dat een minnelijke regeling alsnog in het verschiet lag of zou kunnen liggen, is gesteld noch gebleken.

Onder deze omstandigheden, en daarbij in aanmerking dat zijdens de Vries ook overigens geen feiten en omstandigheden zijn gesteld die zijn late gang naar de kort geding rechter kunnen verontschuldigen, valt niet in te zien welk spoedeisend belang [eiser] heeft bij de in dit kort geding primair gevorderde voorziening tot integrale plaatsing van diens bijdrage.

Daarbij komt dat zeer twijfelachtig is of lezers na 9 maanden zich nog weten te herinneren waar het artikel van Borst over ging, laat staan dat ze zich de reactie van [eiser] daarop herinneren.

4.4

[eiser] heeft nog aangevoerd dat het NRC de brieven van [eiser] stelselmatig en wel-bewust laat heeft beantwoord en dat zulks het instellen van een rechtsvordering heeft ver-traagd, maar ook dat standpunt kan niet worden gevolgd. Het mag zo zijn, gezien het onder 2.3 beschreven tijdpad, dat het schriftelijke antwoord van het NRC in een tweetal gevallen (2.3.2 en 2.3.3) langer op zich heeft laten wachten dan wenselijk is (het NRC beaamt dat ook en heeft daarvoor ook excuses aangeboden), maar dat neemt niet weg dat het NRC steeds heeft herhaald dat zij niet aan de eis van [eiser] tegemoet zou komen. [eiser] had zich dus al in een veel eerder stadium tot de kort geding rechter kunnen en moeten wenden. Daarbij komt dat partijen ook telefonisch nog diverse malen contact met elkaar hebben ge-had, onder meer in november 2007 (2.3.4). Van een welbewuste vertraging is naar voorlopig oordeel dan ook geen sprake.

4.5

Deze overwegingen leiden tot de conclusie, dat de primaire vordering reeds bij gebrek aan spoedeisend belang dient te worden afgewezen.

Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op, dat, blijkens de richtlijnen voor bijdragen van lezers, het NRC zich het recht heeft voorbehouden om ingezonden artikelen te weigeren dan wel te redigeren of in te korten. Een gebod om het artikel van [eiser] alsnog in volle omvang te publiceren verdraagt zich niet met dat recht. Dat het NRC niet vooraf met [eiser] contact heeft opgenomen, zoals [eiser] in zijn email van 14 juni 2007 heeft verzocht (2.1), maakt dit niet anders.

4.6

De subsidiaire vordering is evenmin toewijsbaar. Daargelaten dat ook ten aanzien van deze vordering (om voormelde redenen) niet valt in te zien welk spoedeisend belang [eiser] heeft, kan een vordering tot het aanbieden van excuses niet worden toegewezen.

Anders dan bijvoorbeeld een rectificatie, waarbij, gelet op de vrijheid van meningsuiting, duidelijk wordt gemaakt dat het gaat om een beslissing van de rechter die tot rectificatie noopt, gaat het bij excuses om het spontaan en oprecht berouw tonen over eigen tekort-schieten. Afgedwongen excuses behoren niet tot deze categorie. Een vordering tot het aan-bieden van excuses kan in rechte dan ook niet worden afgedwongen.

4.7

Deze overwegingen leiden tot de slotsom, dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen. [eiser] zal daarbij, als de in het ongelijk gestelde partij, de proceskosten moe-ten dragen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter,

wijst af de vordering de vordering van [eiser];

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit kort geding, tot aan de uitspraak aan de zijde van het NRC bepaald op € 254,- aan verschotten en op € 816,- aan salaris voor de procureur;

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes, voorzieningenrechter, in bijzijn van

mr. T.M. Rijppaert, griffier.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

220/676