Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC7442

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-03-2008
Datum publicatie
25-03-2008
Zaaknummer
10/690110-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afrekening naar aanleiding van verdwijning partij cocaïne. Ontkenning en verweer dat derde de moord zou hebben gepleegd niet aannemelijk geacht.

Bewezenverklaring van moord; opgelegd 15 jaar gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289, geldigheid: 2008-03-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/690110-07

Datum uitspraak: 20 maart 2008

Tegenspraak

VONNIS

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Zuid West, De Dordtse Poorten te Dordrecht,

raadsman mr. R.V. Hagenaars, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2008.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Het ten laste gelegde komt er op neer dat aan de verdachte het verwijt wordt gemaakt dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan moord, dan wel doodslag.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie heeft gerequireerd tot:

- bewezenverklaring van de impliciet ten laste gelegde moord;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek

van voorarrest.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

Namens de verdachte is aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde omdat hij niets te maken heeft gehad met de dood van [slachtoffer].

Uit het onderzoek ter terechtzitting en het procesdossier is het navolgende gebleken.(1)

De verdachte heeft een hoeveelheid cocaïne geleverd die door het slachtoffer in bewaring is genomen. De verdachte is kwaad geworden toen hem bekend werd dat een hoeveelheid door hem geleverde, maar nog niet door de afnemer betaalde cocaïne was gestolen uit de opslagplaats, het huis van het slachtoffer. Tijdens een gesprek met het slachtoffer en enkele andere betrokkenen hierover heeft hij een pistool getrokken.(2) Een of twee dagen daarna, op 8 maart 2007, is hij naar een cafe gegaan, waar hij een bijeenkomst had met een aantal personen die betrokken waren bij de cocaïnedeal, waaronder het slachtoffer. Het slachtoffer was in de nacht van 7 op 8 maart 2007 zeer bang; hij vreesde voor zijn leven.(3) Op een gegeven moment heeft de verdachte het cafe samen met het slachtoffer verlaten. Samen zijn ze in de auto van het slachtoffer gestapt en weggereden.(4) Kort voordat de verdachte en het slachtoffer het cafe verlieten heeft het slachtoffer aan zijn broer gevraagd om hem iedere twee minuten te bellen.(5) Vervolgens heeft [getuige 3] het slachtoffer om 19.15 uur gebeld.(6) Het slachtoffer vertelde [getuige 3] in dit telefoongesprek dat ze op dat moment nog in de auto reden.(7) Bij dit gesprek maakte de telefoon gebruik van de zendmast aan het Stieltjesplein te Rotterdam(8) welke locatie zich bevindt in de onmiddellijke nabijheid van het cafe.(9)

De verdachte en het slachtoffer zijn in de richting van de Persoonshaven gereden. Immers, de telefoon van de verdachte maakte om 19.21 uur gebruik maakte van de zendmast aan de Koperslagerstraat-IJzerwerkerkade te Rotterdam, welke locatie zich bevindt in de nabijheid van de Persoonshaven. Om 19.31 uur maakte de telefoon van de verdachte wederom gebruik van de zendmast aan de Stieltjesstraat.(10)

Om 19.32 uur kwam bij de meldkamer van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond de melding binnen dat in een personenauto welke geparkeerd stond op de Persoonshaven te Rotterdam, een persoon levenloos aangetroffen was.(11) Deze melding is gedaan naar aanleiding van een kort daarvoor aan medewerkers van Stadstoezicht van de Gemeente Rotterdam gedane mededeling dat de ruit van een auto stuk was en dat er iemand in die auto lag.(12) Een medewerker van Stadstoezicht nam om 19.30 uur waar dat er een persoon in de auto lag en dat deze persoon bloedde uit zijn hoofd. Naar aanleiding van deze melding is de politie om 19.33 uur naar de Persoonshaven gereden, waar zij om 19.35 uur het levenloze lichaam van het slachtoffer aantrof.(13) Het slachtoffer bleek bij leven te zijn genaamd [naam slachtoffer](14) en was overleden tengevolge van 4 doorschotverwondingen.(15)

Uit het voorgaande volgt op zichzelf reeds dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat de verdachte het slachtoffer met voorbedachte rade heeft doodgeschoten. Immers is de verdachte – die één of twee dagen eerder al een pistool had getrokken toen hij hoorde dat de door hem geleverde cocaïne uit het huis van het slachtoffer was verdwenen – samen met het slachtoffer in diens auto in de richting van de Persoonshaven gereden, terwijl het slachtoffer ongeveer een kwartier later doodgeschoten in zijn auto is aangetroffen. Tussen het verlaten van het cafe en het aanstralen van een gsm-antenne nabij de Persoonshaven door de telefoon van verdachte zijn ongeveer zes minuten verstreken. Ongeveer 9 minuten daarna straalt verdachtes telefoontoestel weer de zendmast nabij het cafe aan. Deze zendmast ligt ook op de route van de plaats waar het slachtoffer werd aangetroffen naar de woning van de verdachte. Rekening houdend met de tijd die nodig is om van (de directe omgeving van) de eerste zendmast naar de Persoonshaven te rijden en weer terug, resteren ongeveer 3 á 4 minuten tijd waarin het slachtoffer en de verdachte op of nabij de Persoonshaven zijn geweest. Nu het slachtoffer daar is aangetroffen in de auto waarin hij en verdachte zijn weggereden, heeft de verdachte ook tijd moeten hebben om uit de auto te stappen en zich van de auto te verwijderen. De tijdspanne waarbinnen het slachtoffer moet zijn beschoten is derhalve beperkt tot 2 á 3 minuten.

Door de verdachte is verklaard dat hij het slachtoffer op de Persoonshaven in contact heeft gebracht met zijn leverancier, een zekere Jay, en dat hij vervolgens de Persoonshaven heeft verlaten. De suggestie van verdachte dat het slachtoffer nadat verdachte was vertrokken en nadat hij hem met deze Jay in contact had gebracht, is doodgeschoten, kan gelet op het hiervoor uiteengezette tijdspad, niet juist zijn. Aan dit verhaal van de verdachte wordt geen waarde gehecht nu daaromtrent niets is gebleken uit de voorhanden zijnde feiten en/of omstandigheden. Daarbij komt ook betekenis toe aan het feit dat de verdachte iedere naspeuring door de politie naar deze persoon onmogelijk heeft gemaakt.

Het bewijs dat de verdachte het slachtoffer met voorbedachte rade heeft doodgeschoten wordt nog versterkt door de verklaringen die [getuige 6] bij de politie heeft afgelegd.(16) [Getuige 6] heeft verklaard dat hij de verdachte naar cafe[naam cafe] heeft gebracht, maar dat hij niet mee naar binnen is gegaan. Vervolgens heeft de verdachte [getuige 6] gebeld, waarna deze wederom naar het cafe is gereden. Daar zag hij dat de verdachte samen met een jongen in een auto stapte. [Getuige 6] verklaart dat hij de auto is gevolgd, totdat deze parkeerde. [Getuige 6] heeft zijn auto eveneens geparkeerd, op korte afstand van de auto die door hem was gevolgd. Daar heeft hij in zijn auto zitten wachten. Op een gegeven moment hoorde [getuige 6] een klap, waarna hij zag dat de verdachte aan de passagierszijde uit de auto stapte. De verdachte liep naar de auto van [getuige 6] en stapte in. Toen de verdachte naar de auto van [getuige 6] liep, zag [getuige 6] dat de verdachte een zwart pistool in zijn hand had. Omdat [getuige 6] een klap had gehoord vroeg hij aan de verdachte of hij de jongen had doodgeschoten, waarop deze tegen hem zei dat hij het niet meer pikte dat mensen hem in de maling nemen. [getuige 6] heeft voorts verklaard dat er twee personen in de auto zaten en dat hij verder niemand heeft zien in- of uitstappen terwijl hij wel goed zicht had op de auto.

Namens de verdachte is betoogd dat de tegenover de politie afgelegde verklaringen van [getuige 6] van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Daartoe is in de eerste plaats aangevoerd dat [getuige 6] op onrechtmatige wijze door de politie is verhoord, nu de verslaglegging op ondeugdelijke wijze heeft plaatsgevonden, ontlastend materiaal niet in het proces-verbaal is vermeld en er op zeer sturende wijze vragen zijn gesteld. In de tweede plaats is aangevoerd dat de verdediging nooit de gelegenheid heeft gehad de getuige te ondervragen en er buiten de verklaringen van [getuige 6] onvoldoende steunbewijs voorhanden is voor deze belastende verklaringen.

Beide verweren worden verworpen.

Niet aannemelijk is geworden dat er ten aanzien van de verhoren van [getuige 6] door de politie onrechtmatig is gehandeld. Ten aanzien van de verslaglegging van het getuigenverhoor geldt dat de rechtbank bij haar oordeel met name heeft gelet op de volledig uitgewerkte verslagen van de verhoren. Voorts moge het zo zijn dat er door de intensiteit van de bevraging mogelijk enige druk op de getuige is uitgeoefend, maar dit betekent – mede gelet op de aard van het gepleegde delict – geenszins dat de handelwijze van de politie als ontoelaatbaar moet worden beoordeeld. Daarbij komt tevens betekenis toe aan de omstandigheid dat hetgeen de getuige heeft verklaard bevestiging vindt in de uit andere verklaringen af te leiden gang van zaken. Niet aannemelijk is dat de getuige door deze mogelijke druk is gedwongen tot een andere verklaring dan hij had willen afleggen.

Juist is dat de verdediging geen gelegenheid heeft gehad de getuige te ondervragen. Dit kan in dit geval echter niet leiden tot uitsluiting van diens verklaringen voor het bewijs, nu deze verklaringen slechts een bevestiging vormen van datgene wat reeds op grond van andere bewijsmiddelen bewezen wordt geacht.

Namens de verdachte is verder (subsidiair) betoogd dat er geen sprake is van moord, nu er geen enkele indicatie is dat de verdachte tijdens het verlaten van cafe [naam cafe] reeds een voornemen had om het slachtoffer van het leven te beroven.

Uit het voorgaande blijkt reeds dat ook dit verweer moet worden verworpen. Hierbij is nog van belang dat de verdachte bij het verlaten van het cafe telefonisch contact heeft opgenomen met [getuige 6], die de auto van het slachtoffer vervolgens heeft gevolgd. Toen de verdachte het slachtoffer had doodgeschoten is hij bij [getuige 6] in de auto gestapt en zijn ze samen weggereden. Hieruit wordt afgeleid dat de verdachte reeds bij het verlaten van het cafe wist dat hij vervoer moest regelen. Afgezien van andere bewijsmiddelen, ondersteunt deze voorzorgsmaatregel van verdachte de gedachte dat hij [het slachtoffer] wilde gaan doodschieten.

Wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte op 08 maart 2007 te Rotterdam opzettelijk en met voorbedachten rade, een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen kogels afgevuurd op het hoofd en het (boven)lichaam van [het slachtoffer], tengevolge waarvan [het slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor als bewezenverklaard is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

Moord.

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft het slachtoffer in koelen bloede op lafhartige wijze gedood. Volgens een tevoren opgevat plan heeft de verdachte in een auto vier kogels afgevuurd op het slachtoffer. Daarbij heeft hij het slachtoffer van dichtbij in het hoofd en in het bovenlichaam geschoten, ten gevolge waarvan deze is overleden. Hij pleegde dit feit uit woede over de verdwijning van een hoeveelheid door hem geleverde maar nog niet (geheel) betaalde drugs, waarvoor hij het slachtoffer verantwoordelijk hield. Los van de betaling vond verdachte, zo blijkt uit de stukken, dat hij niet met voldoende respect behandeld werd, hetgeen hem zo woedend maakte dat hij (ook eerder) naar een vuurwapen heeft gegrepen en dat uiteindelijk daadwerkelijk heeft gebruikt.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een delict waarop de wet de zwaarst mogelijke strafbedreiging heeft gesteld. Door zijn handelen heeft de verdachte niet alleen het leven ontnomen aan iemand die nog een heel leven voor zich had, maar heeft hij tevens onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer. Dit soort delicten versterkt de reeds in de samenleving bestaande gevoelens van onveiligheid. Dit geldt te meer voor de bewoners van de flats in de onmiddellijke nabijheid waarvan de verdachte het feit heeft gepleegd en in het bijzonder voor de personen die het slachtoffer bloedend en levenloos aantroffen.

Op een dergelijk feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij in het verleden in het buitenland is veroordeeld voor een geweldsdelict.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 15 (vijftien) jaren;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Puite, voorzitter,

en mrs. Van den Hurk en Schols, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Castelein, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 maart 2008.

(1) Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde pagina’s betreft dit delen van ambtsedig processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het zaakdossier Persoonshaven, proces-verbaal nr. 59/2007, politie Rotterdam-Rijnmond, gedateerd 14 mei 2007

(2) De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 25 september 2007

(3) De verklaringen van [getuige 1], pagina 45, en van [getuige 2], pagina 389

(4) De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 25 september 2007

(5) De verklaring van [getuige 3], afgelegd op de terechtzitting van 25 september 2007

(6) Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam- Rijnmond nr. 59/2007, documentcode 0710081439, pagina 2

(7) Doorgenummerde dossier pagina 64

(8) Proces-verbaal van bevindingen nr. 2007083477-142, pagina 1

(9) Doorgenummerde dossier pagina 191

(10) Doorgenummerde dossier pagina’s 190, 192 en 343 en 344

(11) Proces-verbaal van bevindingen nr. 2007083477-142, pagina 1

(12) De verklaringen van [getuige 4], pagina 33, en van [getuige 5], opgenomen in proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 1 en 2

(13) Doorgenummerde dossier pagina 5

(14) Doorgenummerde pagina’s 418 t/m 424

(15) NFI rapport d.d. 20 april 2007, zaaknummer 2007.03.09.019, sectie nummer 2007-092/VS018

(16) Doorgenummerde pagina’s 356 t/m 363

Bijlage bij vonnis van 20 maart 2008

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 08 maart 2007 te Rotterdam opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, een persoon genaamd [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, met een vuurwapen een of meer kogels afgevuurd op/in het hoofd en/of het (boven)lichaam van [het slachtoffer], tengevolge waarvan [het slachtoffer] is overleden;

(artikel 289/287 Wetboek van Strafrecht)