Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC6668

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-02-2008
Datum publicatie
13-03-2008
Zaaknummer
273763 / HA ZA 06-3306
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bevoegdheidsincident, arbitraal beding, partij bij overeenkomst?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 273763 / HA ZA 06-3306

Uitspraak: 13 februari 2008

Vonnis van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres sub 1],

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres sub 2],

beide gevestigd te Vlaardingen,

eiseressen in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

procureur mr. J. Kneppelhout,

advocaat mr. P. van der Velden,

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde],

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

procureur en advocaat mr. P.C. Ouwendijk.

Eiseressen blijven hierna gezamenlijk aangeduid als “[eiseressen]” en separaat als “Deelnemingen” en “KBS”. Gedaagde blijft aangeduid als “[gedaagde]”.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken in het griffiedossier. Uit die stukken blijkt het procesverloop.

De verdere beoordeling in het incident

Bij tussenvonnis in het incident van deze rechtbank d.d. 20 juni 2007 is de zaak naar de

rol verwezen opdat [gedaagde] zich kon uitlaten over de stellingen van [eiseressen] dat

– kort gezegd – in het verleden geen relatie heeft bestaan tussen [gedaagde] en Deelnemingen, dat de ALIB ’92 niet ter hand zijn gesteld aan [eiseressen] en dat het beroep van [gedaagde] op de ALIB ’92 tardief, althans in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid is.

[gedaagde] heeft een akte genomen en [eiseressen] heeft een antwoordakte genomen.

[gedaagde] heeft allereerst betwist dat zij de aan de hoofdzaak ten grondslag liggende

mondelinge overeenkomst heeft gesloten met Deelnemingen. Zij heeft aangevoerd uitsluitend zaken te hebben gedaan met [eiseressen], zijnde KTB. Haar facturen, ook ten aanzien van de onderhavige overeenkomst, heeft ze altijd naar [eiseressen] B.V. gestuurd, waarmee zij KTB heeft bedoeld. Ter onderbouwing van deze laatste stelling heeft [gedaagde] een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel d.d. 28 juni 2007 overgelegd. Hierin is onder meer de handelsnaam van KTB opgenomen, zijnde [eiseressen].

[eiseressen] heeft hiertegen aangevoerd dat [gedaagde] óók facturen naar Deelnemingen heeft gestuurd. [eiseressen] heeft tevens verwezen naar de door haar bij dagvaarding overgelegde productie 5 en 6. Deze producties betreffen een aansprakelijkstelling van [gedaagde] door Deelnemingen (productie 5), waarop door [gedaagde] afwijzend is gereageerd (productie 6). Anders dan [eiseressen] heeft betoogd, kan in deze correspondentie geen erkenning worden gelezen dat de overeenkomst tussen [gedaagde] en Deelnemingen is gesloten. In dit verband is van belang dat de voorafgaande correspondentie, een aangetekende brief van 24 mei 2005 en de reactie daarop van 25 mei 2005 (producties 3 en 4 bij dagvaarding), tussen KTB en [gedaagde] plaatsvond. Dat [gedaagde] ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten behoorde te begrijpen dat zij niet met haar bekende relatie KTB, maar met Deelnemingen een overeenkomst sloot, heeft [eiseressen] in het licht van de gemotiveerde stellingen van [gedaagde] niet voldoende gemotiveerd aangevoerd. De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van [eiseressen] had gelegen om er vóór het sluiten van de overeenkomst voor zorg te dragen dat voor [gedaagde] duidelijk was dat zij – anders dan in het verleden – niet met KTB zou contracteren, maar met Deelnemingen. Nu [eiseressen] daar niet voor heeft zorggedragen, kan zij zich er niet op beroepen dat het haar bedoeling was dat Deelnemingen contractspartij zou worden.

Gelet op het voorgaande wordt de onderhavige overeenkomst geacht te zijn gesloten

tussen [gedaagde] en KTB. Dit brengt met zich mee dat Deelnemingen geen beroep toekomt op de vernietigbaarheid van de op die overeenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden.

1.4 De stelling van [gedaagde] dat KTB geen beroep op vernietiging van de ALIB ’92 toekomt omdat zij valt onder de categorie grote wederpartij (aan wie geen beroep op de vernietigingsgrond openstaat) is door [eiseressen] niet weersproken zodat van de juistheid daarvan zal worden uitgegaan.

1.5 Mede gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] – onder meer door te stellen dat hantering van de ALIB ’92 in de onderhavige branche zeer gebruikelijk is – zijn de stellingen van [eiseressen] die erop neer komen dat [gedaagde] zich in de aanloop naar de onderhavige procedure niet eerder op de ALIB ’92 heeft beroepen, onvoldoende om aan te kunnen nemen dat de toepasselijkheid van het arbitraal beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

1.6 Op grond van het voorgaande zal de incidentele vordering van [gedaagde] worden toegewezen. [eiseressen] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding.

2. De beslissing

De rechtbank,

in het incident en in de hoofdzaak

verklaart zich onbevoegd van de vordering van [eiseressen] kennis te nemen;

veroordeelt [eiseressen] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 452,00 aan salaris procureur en € 1.475,00 aan vast recht.

verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman.

Uitgesproken in het openbaar.

625/1729