Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC6658

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-03-2008
Datum publicatie
13-03-2008
Zaaknummer
10/601166-05 en 10/601085-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Megazaak Jasmijn. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren en spreekt verdachte vrij van eerdere drugstransporten.

Verwerping verweren inzake geldigheid dagvaarding, ontvankelijkheid van de officier van justitie. Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van wetenschap, opzet en medeplegen. Verwerping verweer dat teruggeplaatst blikje geen cocaïne bevat. Overweging redelijke termijn en opheffing bevel schorsing voorlopige hechtenis ter terechtzitting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zittinghoudende te Dordrecht

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummers: 10/601166-05 en 10/601085-06

Zittingsdata : 28 januari 2008, 29 januari 2008, 5 februari 2008, 6 februari 2008,

11 februari 2008 en 3 maart 2008.

Uitspraak : 13 maart 2008

STRAFVONNIS

De rechtbank heeft op grondslag van de tenlasteleggingen en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

[geboren in 1966],

niet als ingezetene ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen in de dagvaarding onder parketnummer 10/601166-05 is omschreven en zoals deze vervolgens ter terechtzitting op vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

Aan de verdachte is onder parketnummer 10/601085-06 ten laste gelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven.

Kopieën van de dagvaardingen en de vordering wijziging tenlastelegging zijn als bijlage 1, 1a en 2 aan dit vonnis gehecht en maken hiervan deel uit.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

De verdediging heeft naar voren gebracht dat de dagvaarding onder het primair ten laste gelegde nietig is omdat het feit dat de officier van justitie nalaat om te kiezen ofwel voor naakte invoer dan wel de verlengde invoer een situatie oplevert, waardoor het voor de verdediging volstrekt onhelder is waartegen in concreto verweer dient te worden gevoerd.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

De officier van justitie heeft bij aanvang van de voordracht van de zaak op 28 januari 2008 een wijziging tenlastelegging gevorderd onder meer inhoudende dat feit 1 wordt aangevuld met de verlengde invoer door aan de tenlastelegging toe te voegen “( daaronder mede begrepen invoer als bedoeld in de zin van artikel 1 lid 4 van de Opiumwet)”.

Tegen deze aanvulling is door de raadsman van verdachte noch door de andere raadslieden van de medeverdachten toen bezwaar gemaakt.

Om pas bij pleidooi dit verweer op te werpen komt dan ook als ongeloofwaardig over.

Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een innerlijke tegenstrijdigheid. Immers, onder invoer dient mede begrepen te worden verlengde invoer nu artikel 1 lid 4 van de Opiumwet een uitleg betreft van “binnen het grondgebied van Nederland brengen” zoals gebezigd in artikel 2 van de Opiumwet.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is voorts gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verdediging heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu er telefoongesprekken tussen verdachte en zijn raadsman in Peru zijn opgenomen. Deze gesprekken dienen te worden aangemerkt als geheimhoudersgesprekken. Een aantal gesprekken is aan de Peruviaanse autoriteiten beschikbaar gesteld. Deze gesprekken zijn tevens niet vernietigd.

Blijkens het zich in het dossier bevindende proces-verbaal van 4 februari 2008 zijn vijf te-lefoongesprekken met personen die zich op grond van artikel 218 Wetboek van Strafvordering zouden kunnen verschonen op grond van de aan hen toekomende geheimhoudingsplicht, niet terstond vernietigd. Eén van de gesprekken is op een geluidsdrager blijven staan welke ter beschikking is gesteld aan Peru. Van de andere vier gesprekken is de tekst van drie gesprekken aangetroffen in het registratiesysteem van de politie en is de uitwerking van alle vier gesprekken aangetroffen in het zogenoemde fysieke OM-dossier. Voor alle vijf gesprekken is een bevel tot vernietiging gegeven en geen van de gesprekken is op enigerlei wijze in het procesdossier terecht gekomen.

Voorts heeft de officier van justitie bij brief van 19 februari 2008 aan verdachtes raads-vrouw meegedeeld dat tevens drie telefoongesprekken tussen verdachte en zijn Peruviaanse advocaat op een geluidsdrager zijn blijven staan die aan Peru ter beschikking is ge-steld. Eén van die gesprekken is kort samengevat in het procesdossier opgenomen. Ook is een telefoongesprek tussen medeverdachte [medeverdachte 1] en deze Peruviaanse advocaat op een aan Peru ter beschikking gestelde geluidsdrager blijven staan. Dit gesprek is eveneens in het procesdossier opgenomen.

De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat naar aanleiding van deze gesprekken nade-re onderzoekshandelingen zijn verricht en evenmin dat die gesprekken in de bewijssfeer tot resultaten hebben geleid. De rechtbank heeft van de inhoud van de betreffende tapgesprekken, voor zover deze niet in het dossier zijn opgenomen, geen kennis genomen.

Deze tapgesprekken spelen derhalve op geen enkele wijze een rol bij enige op de voet van de artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering te nemen beslissing. Ook de in het dossier opgenomen gesprekken spelen, gelet op de uitermate beperkte omvang en inhoud, geen enkele rol bij enig door rechtbank te nemen beslissing in deze zaak. Naar het oordeel van de rechtbank is met het niet tijdig vernietigen van de gesprekken met geheimhouders een vormverzuim begaan dat niet meer kan worden hersteld. Evenwel is niet gebleken dat de verdachte in enig rechtens te respecteren belang is geschaad. Het verzuim is dan ook niet van dien aard dat het tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou dienen te leiden. De rechtbank volstaat met het oordeel dat sprake is van een vormverzuim zonder dat daaraan enige consequentie behoeft te worden verbonden.

Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

De raadsvrouw van verdachte heeft met betrekking tot de omvang van het dossier naar voren gebracht dat door het ontbreken van het Latas- en het Engelse Copybook-dossier en de onvolledigheid van het Spaanse Despenza-dossier, inclusief het ontbreken van alle Despenza-taps hem ontlastend materiaal aangaande de handel en wandel van haar cliënt in de ten laste gelegde periode wordt onthouden hetgeen schending van het recht op een eerlijk proces oplevert.

Bovendien citeert het Openbaar Ministerie uit bevindingen van buitenlandse opsporings-diensten, welke bevindingen voor de verdediging niet toetsbaar zijn door welke situatie er geen sprake is van “equality of arms”.

Aangezien de telefoongesprekken uit het Dispenza-onderzoek de ruggengraat vormen van de vervolging, een en ander in samenhang met het Copybook-onderzoek, leidt het ontbre-ken van de volledige dossiers tot een zodanige schending van de meest fundamentele rechten van de verdediging dat het Openbaar Ministerie de vervolging zou moeten worden ontzegd.

De rechtbank verwerpt het verweer op de volgende gronden:

Over het verstrekken van het Latas-dossier heeft de rechtbank al in een eerder stadium een gemotiveerde afwijzende beslissing gegeven. Er zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden hieromtrent door de verdediging naar voren gebracht die een andere beslissing doen rechtvaardigen.

Ten aanzien van de taps uit het Despenza-onderzoek heeft de officier van justitie navraag gedaan bij het Spaans onderzoekteam, die alles wat zij in de Despenza-zaak hadden, naar de Spaanse rechter-commissaris hadden gestuurd. En ook de Spaanse rechter-commissaris heeft verteld dat hij niets meer van deze zaak heeft liggen. De officier heeft dan ook vol-doende inspanning verricht om het Despenza-dossier zo compleet mogelijk aan het Asperge-dossier toe te voegen.

De rechtbank gaat er dan ook van uit dat zowel de officier, als de verdediging en de rechtbank over dezelfde stukken uit het Despenza-onderzoek zoals opgenomen in het Asperge dossier de beschikking hebben. Het verweer met betrekking tot de “equality of arms” wordt daarmee verworpen.

Ten aanzien van het Engelse Copybook-onderzoek heeft de rechtbank zich voor de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting reeds uitgelaten over de noodzaak tot horen van de Engelse getuigen. De rechtbank achtte de noodzaak niet aanwezig. Bovendien zullen die onderdelen van het Engels onderzoek die opgenomen zijn in het Asperge-dossier niet bijdragen tot het wettig en overtuigende bewijs van het ten laste gelegde.

Aan de officier van justitie kan dan ook niet het verwijt gemaakt worden dat zij doelbewust dan wel grovelijk onachtzaam tekort heeft gedaan aan verdachtes recht op een eerlijk proces door na te laten ontlastende feiten en omstandigheden aan het Asperge-dossier toe te voegen.

Ook overigens zijn bij het onderzoek ter terechtzitting geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het onder 10/601166-05 primair en het onder 10/601085-06 primair ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De vrijspraak

Ten aanzien van parketnummer 10/601085-06

De officier van justitie acht het medeplegen van opzettelijke invoer van cocaïne, meermalen gepleegd, wettig en overtuigend bewezen. Hij stelt zich op het standpunt dat verdachte als organisator van begin tot eind betrokken is geweest bij een smokkellijn voor cocaïne. Verdachte verzorgde de deklading, was aanwezig bij de binnenkomst van partijen conserven, had de benodigde papieren en bepaalde welke pallets met goederen naar de loodsen moesten. Daarbij stuurde verdachte zijn medeverdachten aan.

Uit het onderzoek ter terechtzitting en het procesdossier is gebleken dat verdachte in de periode van 1 juli 2004 tot 1 april 2005 drie conserventransporten vanuit Peru naar Nederland heeft georganiseerd. Het eerste transport betrof 2 containers (40 pallets conserven) afkomstig van Las Palmas SAC Peru en bestemd voor Aarts Conserven (namens Improver). Het tweede transport bestond uit 3 containers (60 pallets conserven) eveneens afkomstig van Las Palmas en bestemd voor Improver. Het derde transport bestond uit 4 containers (80 pallets conserven) afkomstig van Genesis SAC en eveneens bestemd voor Improver. De directeur van Improver is een bekende van verdachte en zijn broer. Zij kennen elkaar al een aantal jaren uit de levensmiddelenbranche. De eerste containers zijn in opdracht van Improver opgeslagen bij Aarts conserven te Horst en de overige containers bij Welsi in Venlo. De conserven bestonden uit asperges, paprika’s en artisjokken in blik en glas. Vanuit deze opslagplaatsen werden de pallets op verschillende tijdstippen naar verschillende afnemers waaronder LOT Trade in Almelo en Oscar de Miguel SA , gevestigd in Spanje, vervoerd. Verder heeft verdachte medeverdachten, die als helpers waren ingehuurd, geïnstrueerd welke pallets met blikken naar de verschillende Shurgard loods-jes in Amsterdam en Devon loodsjes in Diemen moesten worden vervoerd. Evenwel is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat met genoemde transporten cocaïne is vervoerd. Sporenonderzoek in een Devonloods heeft niets opgeleverd. Uit de wijze van verpakken van de blikken, het selecteren en scheiden van blikken na aankomst in Nederland en het ontbreken van blikken op de aangetroffen pallets, blijkt niet dat bepaalde blikken gevuld zijn geweest met cocaïne. Ook de opmerking van de chauffeur in Nederland tegen medeverdachte [medeverdachte 2] na het laatste transport dat hij dacht dat er iets niet goed zat en dat er toen over de eventuele aanwezigheid van verdovende middelen is gespeculeerd kan niet tot het bewijs van de aanwezigheid van cocaïne dienen nu daarvoor geen steun is te vinden in andere bewijsmiddelen.

Voor zover de officier van justitie heeft bedoeld dat bewezenverklaring mogelijk is op grond van schakelbewijs met de Aspergezaak, bij welk transport wel cocaïne is aangetroffen, volgt de rechtbank deze redenering niet. Niet alleen is de groep van betrokken personen in de Aspergezaak veel uitgebreider en anders samengesteld, ook is gebruik gemaakt van een andere loods in een andere plaats en zijn er andere bedrijven bij betrokken. Op grond daarvan kan niet worden gesteld dat er sprake is van een modus operandi die bij alle transporten dezelfde is of op essentiële onderdelen overeenkomt.

Nu er geen wettig bewijs is dat met de transporten in de periode van 1 juli 2004 tot 1 april 2005 cocaïne is vervoerd, zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het tenlastegelegde onder 2 primair en subsidiair.

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

ten aanzien van parketnummer 10/601166-05

(primair)

in of omstreeks de periode van 1 oktober 2005 tot en met 12 november 2005,

te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (daaronder mede begrepen invoer als bedoeld in de zin van artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), ongeveer 1623 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.3 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zijn als bijlage 3 aan dit vonnis gehecht.

4.4. Nadere bewijsoverweging

De verdediging heeft – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde omdat hij geen wetenschap heeft gehad van de cocaïne in de groenteblikken.

Uit het onderzoek ter terechtzitting en het procesdossier is het navolgende gebleken:

- het bedrijf Proin SAC gevestigd in Peru de verzender is van de containers CAXU 235096-9 en MLCU 272215-6 waar de cocaïne in was verborgen;

- de containers bestemd waren voor [getuige 1] die zaken doet in en vanuit Duitsland;

- verdachte reeds lange tijd zowel vriendschappelijk als zakelijk contact heeft met medeverdachte [medeverdachte 3] die samenwerkte met [getuige 1] in het kader van de-ze en andere conserventransporten;

- in een woning van verdachte in Lyon (Frankrijk) in een map genaamd “Clientes [getuige 1]” de originele packinglists van Proin SAC zijn gevonden behorende bij de containers CAXU 235096-9 en MLCU 272215-6;

- verdachte op 11 november 2005 medeverdachte [medeverdachte 4] heeft gebeld om pallets te stapelen;

- [medeverdachte 4] vervolgens medeverdachte [medeverdachte 2] heeft gebeld om een bus te huren en blikken zouden ophalen;

- [medeverdachte 4] een van de personen is die op 12 november ’s ochtends in de loods instructies geeft;

- [medeverdachte 4] op voornoemde ochtend telefonisch contact heeft gehad met verdachte (pagina 4075 zaaksdossier Asperge);

- [medeverdachte 4] aan het begin van de middag, als hij nog in de loods is, drie keer belt naar verdachte (pagina 935 zaaksdossier Asperge);

- verdachte op 12 november 2005 ’s ochtends een zakelijke bespreking heeft in een hotel bij Den Bosch alwaar hij regelmatig wordt gebeld en de bijeenkomst in de eerste helft van de middag abrupt afbreekt om vervolgens naar de loods in Zwanenburg te gaan;

- de groep personen, die die ochtend in de loods aanwezig is, in de lading niet vindt waarnaar wordt gezocht;

- verdachte later op 12 november 2005 in genoemde loods aanwezig is geweest waar de pallets van Proin SAC waren uitgeladen en aldaar beschikte over een envelop met daarin (kopieën van de) “Packinglists” van Proin SAC en kruisjestabellen die betrekking hadden op de pallets;

- verdachte in de loods mensen aanstuurde om te zoeken naar blikken met een bepaalde code;

- toen deze blikken niet werden gevonden verdachte heeft gezegd dat het niet zijn pallets waren en dat het niet de blikken met zijn stempel/code betrof (pagina 1133 zaaksdossier Apserge);

- bij verdachte op 12 november 2005 een blaadje met aantekeningen in beslag is genomen waarop onder meer staat vermeld ‘codigo 3 februero’;

- op de blikken met asperges als datum 2 februari (2008) stond gestempeld terwijl op de blikken met cocaïne 3 februari en 3 maart (2008) stond gestempeld (pagina’s 388-394 zaaksdossier Asperge);

- blikken van de deklading afkomstig zijn van verdachtes bedrijf La Casita;

- verdachte op 12 november 2005 is aangehouden in de loods.

Medeplegen

Naar het oordeel van de rechtbank hebben verdachte en zijn medeverdachten tezamen en in vereniging gehandeld. Immers is uit het voorgaande af te leiden dat sprake is geweest van bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering.

Opzettelijk

De rechtbank stelt vast dat de containers vanuit Peru zijn verzonden door het aldaar gevestigde bedrijf Proin Sac en dat verdachte over zowel de originele als kopieën van de bijbehorende zogenoemde “Packinglists” beschikte. Met deze containers is 1623 kilo cocaïne in Nederland binnengebracht. Daarbij is verdachte eigenaar van het Peruaanse bedrijf La Casita waarvan het stempel op een deel van de blikken uit de deklading is aangetroffen. Verdachte heeft vanaf 11 november 2005, toen hij in Nederland is gearriveerd, in nauw telefonisch contact gestaan met medeverdachte [medeverdachte 4]. Op 12 novem-ber 2005 is [medeverdachte 4] ’s ochtends in de loods te Zwanenburg aanwezig geweest en heeft daar instructies gegeven bij het selecteren van bepaalde pallets en/of blikken. Tevens is daar duidelijk geworden dat in de lading niet werd gevonden waarnaar werd ge-zocht. Aan het begin van de middag heeft [medeverdachte 4], toen hij nog in de loods was, verschillende keren verdachte gebeld. Verdachte is die ochtend met een aantal medeverdachten naar Den Bosch vertrokken voor een zakelijke bespreking. Tijdens die bespreking is hij regelmatig gebeld en heeft de bespreking in de eerste helft van de middag abrupt afgebroken en is met de medeverdachten naar de loods gereden. Deze groep is daar later die middag aangekomen. Verdachte heeft in de loods gezegd dat het niet zijn blikken en/of codes waren die hij aantrof. Hij was in het bezit van een briefje met daarop de aantekening “codigo 3 februero”. Op een deel van de op 8 en 9 november 2005 in beslag genomen blikken met cocaïne stond als datum 03-02(-2008) gestempeld. Verdachte is op 12 november 2005 aangehouden in de loods.

Uit het vorenstaande leidt de rechtbank het volgende af. Verdachte is nauw betrokken geweest bij de verzending van de containers waaruit 1623 kilo cocaïne is verwijderd. Toen deze eenmaal in Zwanenburg waren aangekomen, heeft verdachte in nauw contact gestaan met medeverdachte [medeverdachte 4]. Met zijn komst naar de loods op zaterdagmiddag 12 november 2005, zijn gedrag van kennelijk gericht zoeken en uitlatingen aldaar heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank laten blijken op de hoogte te zijn geweest dat in de lading cocaïne aanwezig is geweest. Verdachte is in de loods op zoek geweest naar blikken met een bepaalde code en heeft het briefje met daarop als code 3 februari bij zich gehad. Aangezien hij heeft aangegeven dat het niet de blikken waren met zijn code moet het er voor worden gehouden dat hij tevergeefs heeft gezocht naar blikken met als code 03-02. Deze waren voor hem immers niet te vinden aangezien blikken met die datum gevuld waren met cocaïne en reeds op 8 en 9 november 2005 uit de la-ding waren verwijderd. Verdachte heeft zich dan ook willens en wetens bezig gehouden met de invoer van 1623 kilo cocaïne.

Eigen verklaringen

Verdachte heeft onder meer verklaard dat hij slechts een potentiële koper van de blikken met conservengroenten is geweest en eerst kort voor 12 november 2005 van het bestaan van de containers met asperges en paprika’s door medeverdachte [medeverdachte 3] op de hoogte is gesteld. Uit de bewijsmiddelen is echter af te leiden dat verdachte in het bezit was van papieren behorende bij dit transport. Zo zijn de originele “Packinglists” in verdachtes woning in Lyon, Frankrijk in beslag genomen en kopieën daarvan onder verdachte op 12 november 2005 in de loods. De rechtbank hecht dan ook geen geloof aan deze verklaring van verdachte en is van oordeel dat deze kennelijk leugenachtig is en bedoeld om de waarheid te bemantelen. De rechtbank zal deze verklaring bezigen tot het bewijs.

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden vervat in de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte in de periode van 1 oktober 2005 tot en met 12 november 2005 tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk 1623 kilo cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.

Teruggeplaatst blikje

De verdediging heeft verder aangevoerd dat niet vast is komen is dat het teruggeplaatste blik daadwerkelijk cocaïne bevatte. De verdediging voert daartoe onder meer aan dat er geen proces-verbaal is opgesteld dat het blik is teruggeplaatst en in welke toestand het blik is teruggeplaatst en hoe het blik er uit zag.

De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

Op 8 november 2005 heeft de douane te Rotterdam een container met nummer MLCU 272215-6, gelost uit het MS Elqui, gecontroleerd.

Tijdens die controle bleek dat de inhoud van de container 20 pallets met blikken ongeëtiketteerde blikken betrof. In één van deze pallets zijn op de derde slag van boven blikken aangetroffen met een andere vorm en kleur.

De verbalisant heeft een dergelijk blik geopend en trof vervolgens een witte substantie in doorzichtig folie gewikkeld aan. De witte substantie is getest middels de Narcotest Dispo-sakit testbuis nummer 13 bestemd voor het testen van cocaïne, welke positief reageerde. (pagina’s 245-246 van het zaaksdossier Asperge)

Op 8 november 2005 kreeg de Dienst Nationale Recherche, vestiging Rotterdam een con-tainer voorzien van het nummer MLCU 272215-6 overgedragen.

Uit onderzoek is gebleken dat in de pallets 14 tot en met 20 telkens op de 3e tot en met de 6e slag blikken met vermoedelijk cocaïne werd aangetroffen, waarop deze blikken in be-slag zijn genomen. De in beslag genomen blikken waren ten opzichte van de overige blikken afwijkend van kleur. In opdracht van de officier van justitie is 1 van de in beslag genomen blikken teruggeplaatst op de 6e slag van pallet nummer 17.

(pagina’s 28-31 van het zaaksdossier Asperge)

Op 9 november 2005 zijn de blikken waarin cocaïne vermoed werd, door de Technische Recherche geopend.

Van elke pallet, die genummerd waren van 14 t/m 20 heeft de verbalisant een van de in plastic gewikkelde pakjes bemonsterd en vervolgens gewaarmerkt als SVO 001 tot en met SVO 007, voor nader onderzoek naar het Nederlands Forensisch Instituut overgebracht. (pagina’s 292-294 van het zaaksdossier Asperge)

Uit het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut is vast komen te staan dat alle aangeboden monsters cocaïne bevatten.

Uit observaties op 11 november 2005 is vast komen te staan dat de container met nummer MLCU 272215-6 is afgeleverd in een loods aan de Lijnderdijk 103 te Zwanenburg. (pa-gina’s 1271-1272 van het zaaksdossier Asperge)

Nadat de verdachten op 12 november 2005 in de loods te Zwanenburg waren aangehou-den is gebleken dat 2 pallets met nummer 17 afgesloten zijn aangetroffen, Van 1 pallet was slechts de verpakking van de bovenzijde verwijderd. (pagina’s 124-133 van het zaaksdossier Asperge)

De rechtbank stelt voorop dat het de voorkeur had verdiend wanneer de Nationale Recherche in een (uitvoeriger) proces-verbaal de wijze van handelen met betrekking tot het terugplaatsen van het betreffende blik en over het na de aanhouding van verdachten het weer aantreffen van het betreffende blik had vermeld.

Echter kan op grond van hetgeen hierboven is overwogen worden geoordeeld dat het op de 6e slag van pallet 17 teruggeplaatste blik een afwijkende kleur had dan de blikken die behoorden tot de deklading. Gelet voorts op de bemonstering en het hiervoor aangehaalde deskundigenrapport moet het er dan ook voor worden gehouden dat het teruggeplaatste blik cocaïne bevatte, nu niet zodanige feiten en/of omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan het tegendeel moet worden aangenomen.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van parketnummer 10/601166-05

(primair)

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2 ONDER A VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte moet worden gezien als één van de organisatoren van deze grootscheepse cocaïne-import vanuit Peru, waarbij hij zich omringd heeft met een kleine kring van familieleden en andere vertrouwenspersonen uit Peru, Spanje, Duitsland en Nederland.

In Peru was hij medeeigenaar van La Casita, een bedrijf dat zich onder meer bezig hield met het inblikken van conserven. De in de Rotterdamse haven onderschepte cocaïne werd ingeblikt en voorzien van specifieke codering, in het hart van pallets met blikken asperges en paprika aangetroffen. Hoewel de hele partij met blikken afkomstig was van een “lege” in Peru gevestigde besloten vennootschap, Proin SAC, bleken enkele blikken gestempeld te zijn met “La Casita”.

Verdachte blijkt dan ook ruim voor het betreffende transport naar Nederland, in Peru met de voorbereidingen bezig geweest te zijn. Naast zijn bedrijf in Peru heeft hij gebruik gemaakt van zijn naam in en kennis van de conservenmarkt in Europa, in het bijzonder in Duitsland en Nederland. Ook zijn ruime netwerk in de levensmiddelenwereld heeft hem in de gelegenheid gesteld om deze drugspartij onder een legale vlag te laten importeren.

Bij de aflevering op de Europese markt vervulde hij eveneens een leidende rol. Als in Peru geboren Nederlander had hij ook vertrouwelingen in Nederland. Hij liet het ompakken in de loods in Zwanenburg regelen, onderhield die morgen van zaterdag 12 november 2005 veelvuldig telefonisch contact met een van de aanwezigen in de loods en bleek ’s middags, toen hij zelf naar de loods ging, te beschikken over de ladingpapieren en aantekeningen met aantallen en coderingen er op vermeld, die correspondeerden met de aantal-len en de coderingen van de onderschepte blikken met cocaïne.

Een strafbaar feit als onderhavige draagt bij aan de handel in en het gebruik van cocaïne, waardoor de volksgezondheid wordt bedreigd en waardoor ook onder de gebruikers het plegen van vermogensdelicten wordt bevorderd, teneinde de voor het gebruik benodigde gelden te verkrijgen. Dit veroorzaakt veel schade en onrust in de samenleving. Bovendien leidt de grootschalige handel in verdovende middelen tot samenhangende vormen van ernstige criminaliteit. Er is sprake van een ernstige inbreuk op de rechtsorde.

Bij haar oordeelsvorming omtrent de uiteindelijke strafmodaliteit alsmede de duur daarvan betrekt de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze ter terechtzitting zijn gebleken en blijkende uit het omtrent verdachte opgemaakte reclasseringsrapport d.d. 29 juni 2007. Gelet op de ernst van het feit acht de rechtbank een onvoorwaardelijke straf onontkoombaar.

Voorts heeft de rechtbank in het bijzonder acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 januari 2008. Uit dat uittreksel blijkt dat de verdachte niet eerder met de Nederlandse justitie en politie in aanraking is gekomen. De rechtbank zal vorenstaande in het voordeel van verdachte meewegen.

Alles afwegend acht de rechtbank het opleggen van een vrijheidsstraf van na te melden duur passend en geboden.

7.2 Redelijke termijn

De verdachte is op 12 november 2005 aangehouden en in verzekering gesteld, zodat de redelijke termijn op 12 november 2005 een aanvang heeft genomen.

Het betreft een grote, gecompliceerde strafzaak, met meerdere, gelijktijdig terecht staande verdachten, waarin mede op verzoek van de verdachte diverse nadere onderzoeken - mede in het buitenland - hebben plaatsgevonden.

De rechtbank ziet daarom aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de berechting in eerste aanleg binnen twee jaar moet zijn afgerond en is van oordeel dat er geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.

8. Overige beslissingen

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw van verdachte het verzoek gedaan, strekkende tot opheffing van het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte. Nu de rechtbank echter gronden aanwezig acht, met name vanwege de op te leggen onvoor-waardelijke gevangenisstraf, het voornoemde bevel met onmiddellijke ingang op te heffen, wordt het verzoek van de raadsvrouw wordt derhalve afgewezen.

9. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder parketnummer 10/601085-06 ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart bewezen dat de verdachte het primair onder parketnummer 10/601166-05 het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals vermeld onder 4.2 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens dit feit tot:

een GEVANGENISSTRAF voor de duur van NEGEN (9) JAREN;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

HEFT OP het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte met onmiddellijke ingang;

beveelt de teruggave van de gestorte geldswaarde aan degene die de zekerheid heeft gesteld.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. K.H.J. Puite, voorzitter,

mr. M.M. Moolenburgh – Pelser en mr. R.W. van Zuijlen, rechters,

in tegenwoordigheid van P.J.F.M. Vermaat en R. van Andel, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 maart 2008.