Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC6653

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
13-03-2008
Zaaknummer
27 februari 2008
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Conclusie van eis in incident òf conclusie van antwoord met beperkte strekking? Uitleg van die conclusie en belangenafweging leidt ertoe de conclusie als een incidentele te beoordelen.

Incidentele vordering tot niet-ontvankelijk-verklaring wegens ontbinding vennootschap strandt op aanwezig vermogen in de vorm van de vordering in de hoofdzaak, zodat de vennootschap niet os opgehouden te bestaan . Volgt rolverwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 265183 / HA ZA 06-1957

Uitspraak: 27 februari 2008

Vonnis van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DOJO INTERNATIONAL BEHEER B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

procureur mr. D.L.A. van Voskuilen,

- tegen -

de naamloze vennootschap

POSTBANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

procureur mr. O.E. Meijer.

Eiseres wordt hierna aangeduid als “Dojo” en gedaagde als “Postbank”.

1 Het verdere verloop van het geding

1.1

De rechtbank verwijst naar haar tussenvonnis van 5 september 2007.

1.2

Ingevolge dat tussenvonnis heeft op 6 december 2007 een comparitie van partijen plaats gevonden. Van die terechtzitting is proces-verbaal opgemaakt. Daarvan heeft de rechtbank kennis genomen, alsmede van de brieven:

- van mr. J. van Andel, advocaat van Dojo, van 12 december 2007;

- van mr. H.D. Bonthuis, advocaat van Postbank, van 18 december 2007;

- van mr. Van Andel van 7 januari 2008

2 Incidentele conclusie of conclusie van antwoord?

2.1

Ter rolzitting van 27 juni 2007 heeft Postbank een conclusie genomen getiteld “Incidentele conclusie houdende vordering tot beëindiging procedure wegens het niet bestaan van de wederpartij, alsmede voorwaardelijke veroordeling in de proceskosten op grond van artikel 245 Rv” (hierna: de Conclusie). De rolrechter heeft de Conclusie aangemerkt als de conclusie van antwoord van Postbank.

2.2

Bij gelegenheid van de comparitie van partijen heeft Postbank aangevoerd dat de rolrechter de Conclusie ten onrechte als een conclusie van antwoord heeft aangemerkt. Postbank bedoelde met de Conclusie een incidentele vordering in te stellen, welke de rechtbank vooraf diende af te doen. Postbank verlangt dat de rechtbank terugkomt op de rolbeslissing en de Conclusie alsnog als een incidentele aanmerkt, voorts dat zij waar nodig nog de gelegenheid krijgt (nader) ten gronde te antwoorden.

Dojo stelt zich op het standpunt dat de Conclusie als de conclusie van antwoord dient te worden aangemerkt.

De rechtbank oordeelt daarover als volgt.

2.3.1

De processuele gang van zaken was de volgende.

Bij inleidend exploot van 4 juli 2006 heeft Dojo Postbank gedagvaard tegen 19 juli 2006. Op die eerst dienende dag heeft Postbank een incidentele conclusie houdende exceptie van relatieve onbevoegdheid genomen. Na antwoord van Dojo heeft de rechtbank zich bij vonnis van 14 februari 2007 bevoegd verklaard. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat Postbank op de rolzitting van 14 maart 2007 voor conclusie van antwoord stond. Na enige uitstellen stond Postbank ter rolzitting van 27 juni 2007 voor conclusie van antwoord met de aantekening allerlaatste uitstel; Dojo stemde niet met verder uitstel in. Toen heeft Postbank de Conclusie genomen.

2.3.2

In beginsel is de rechtbank aan de beslissing van de rolrechter gebonen. Echter, bijzondere omstandigheden kunnen het onaanvaardbaar maken dat de rechter aan een dergelijke beslissing gebonden blijft.

2.3.3

De maatstaf voor de beantwoording van de vraag of een (vordering in een) conclusie vanwege de gedaagde door de rechter dient te worden aangemerkt als een incidentele (vordering), dan wel als de conclusie van antwoord ligt besloten in het bepaalde in de artikelen 128 lid 3, 208 en 209 Rv in onderling verband en samenhang. In beginsel dient de gedaagde “alle excepties en zijn antwoord ten principale tegelijk naar voren [te brengen] op straffe van verval [..] van het recht dat alsnog te doen”, maar kan de rechter “indien de zaak dat medebrengt, eerst en vooraf” beslissen op een incidentele vordering.

Daarom brengt de enkele omstandigheid dat een gedaagde het processtuk betitelt als een incidentele vordering, of zijn conclusie tot afwijzing van de vordering formuleert als een incidentele vordering niet zonder meer mee dat zodanig processtuk als een incidentele (vordering bevattende) conclusie dient te worden aangemerkt. Het gaat om het antwoord op de vraag of de strekking van dat processtuk meebrengt dat op het betreffende verweer (c.q. de vordering bij wijze van verweer of de pseudo incidentele vordering) eerst en vooraf beslist dient te worden. De gedaagde kan derhalve niet zelfstandig bepalen of op een door hem ingediend processtuk eerst en vooraf dient te worden behandeld, maar het gaat om de strekking van dat processtuk, derhalve om uitleg ervan.

2.3.4

Ingevolge artikel 3:59 BW zijn de artikelen 3:33 en 3:35 BW op deze uitleg van overeenkomstige toepassing. Derhalve gaat het om de vraag of Dojo als wederpartij van Postbank c.q. de rechtbank onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs de Conclusie als een conclusie van antwoord heeft mogen opvatten, dan wel heeft moeten opvatten als een conclusie waarin een incident werd geopend waarop de rechter eerst en vooraf zou moeten beslissen.

2.3.5

Aan de hand van het vorenstaande onderzoekt de rechtbank de Conclusie nader.

De Conclusie heeft als opschrift “Incidentele conclusie houdende vordering tot beëindiging procedure wegens het niet bestaan van de wederpartij, alsmede voorwaardelijke veroordeling in de proceskosten op grond van artikel 245 Rv”. De Conclusie bevat onder meer de volgende inhoud:

“(1) [..] Postbank ontkent al hetgeen Dojo in haar inleidende dagvaarding heeft gesteld, tenzij hierna onvoorwaardelijk het tegendeel blijkt.

(2) Het is Postbank echter onlangs gebleken dat Dojo door de Kamer van Koophandel is ontbonden en zodoende is opgehouden te bestaan. Daarmee is de procedure tussen Dojo en Postbank van rechtswege geëindigd, wegens het niet bestaan van de wederpartij.

(3) Vandaar dat Postbank in dit incident vordert dat uw rechtbank zal verstaan dat de procedure is geëindigd, althans dat de eisende partij niet kan worden ontvangen in haar vorderingen [..].

[..]

(10) Volledigheidshalve merkt de Postbank op dat zij het recht reserveert om alsnog op een nader door uw rechtbank te bepalen roldatum en nadat uw rechtbank op onderhavig incident heeft beslist, van antwoord (en eventuele eis in reconventie) te dienen.

(11) Postbank vordert in dit incident, zoveel als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

(1) dat uw rechtbank verstaat dat de procedure is geëindigd, althans dat de eisende partij niet kan worden ontvangen in haar vorderingen;

[..];

(3) indien uw rechtbank niet zal verstaan dat de procedure is geëindigd, een nieuwe roldatum te bepalen waarop de Postbank voor antwoord staat.”

Uit deze teksten in onderling verband blijkt duidelijk dat Postbank niet heeft bedoeld om met de Conclusie haar conclusie van antwoord in te dienen. Dat moet Dojo redelijkerwijs ook zo begrepen hebben. De uitlegregel van artikel 3:35 BW leidt er daarom toe de Conclusie niet als een conclusie van antwoord aan te merken.

Voorts is in de literatuur wel verdedigd (Van Rossem/Cleveringa, 4de druk, Zwolle 1972, aantekening 4 bij artikel 141 Rv, noot 17) dat het verweer dat de eisende partij niet (meer) als een exceptie dient te worden aangemerkt, ook al is evenzeer verdedigbaar dat zodanig verweer niet een regel van processuele aard aan de orde stelt en daarom buiten de categorie “excepties” van artikel 128 lid 3 BW valt.

Daarom lag het niet voor de hand dat de rolrechter de Conclusie als de conclusie van antwoord aanmerkte.

2.3.6

Door de Conclusie als de conclusie van antwoord (met beperkte inhoud) aan te merken werd Postbank in beginsel de gelegenheid ontnomen verder inhoudelijk te antwoorden. Die kwalificatie kan daarom ernstige gevolgen hebben voor Postbank.

2.3.7

Echter, gelet op het bepaalde in artikel 208 lid 3 Rv “Incidentele vorderingen worden zoveel mogelijk tegelijk ingesteld”, gegeven het eerdere onbevoegdheidsincident, gelet op de bepaling in het vonnis van 14 februari 2007 dat Postbank voor conclusie van antwoord stond en gegeven de omstandigheid dat Dojo geen verder uitstel ter rolle meer toestond, lag het voor de hand dat Postbank ter rolle van 27 juni 2007 haar conclusie van antwoord zou nemen.

2.3.8

Een en ander afwegende oordeelt de rechtbank dat de consequenties van het aanmerken van de Conclusie, die kennelijk niet de strekking van een conclusie van antwoord ten gronde had, als de conclusie van antwoord voor Postbank zodanige nadelige gevolgen heeft, dat het in dit geval onaanvaardbaar zou zijn haar aan de beslissing van de rolrechter gebonden te achten. Daarom komt de rechtbank op die rolbeslissing terug en zal zij

- de Conclusie alsnog als een incidentele conclusie behandelen; en

- Postbank de gelegenheid bieden alsnog (nader) van antwoord te dienen.

2.3.9

Gegeven het verlangen van Dojo tot doorprocederen en het tijdsverloop in de procedure tot nu toe, zal de rechtbank Postbank geen verder uitstel voor het nemen van de conclusie van antwoord meer toestaan.

3 De vordering en het verweer in het incident

3.1.1

Postbank stelt dat Dojo is opgehouden te bestaan en daarom niet in haar vorderingen kan worden ontvangen. Postbank voert daartoe het volgende aan.

3.1.2

De Kamer van koophandel heeft ten aanzien van Dojo de procedure van artikel 2:19a BW gevolgd. Bij beschikking van de Kamer van koophandel van 23 januari 2007 is Dojo ontbonden. In die beschikking heeft de Kamer van koophandel vastgesteld dat Dojo niet meer over baten beschikt. Omdat Dojo niet (meer) over baten beschikte, bestond geen aanleiding over te gaan tot vereffening van Dojo, zodat zij daarmee ophield te bestaan.

3.1.3

Het vanwege Dojo ingestelde beroep bij het Cbb is ongegrond verklaard. Daarmee staat definitief vast dat Dojo is opgehouden te bestaan. Dat zo zijnde heeft (een medewerker van) de Kamer van koophandel niet de bevoegdheid alsnog te verklaren dat de rechtspersoon Dojo nog wel bestaat, of dat er vereffend moet worden.

3.1.4

Daarom was Dojo niet (meer) in staat om als eiser op te treden, zodat zij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

3.2.1

Dojo voert gemotiveerd verweer. Daartoe voert zij het volgende aan.

3.2.2

Weliswaar is Dojo ontbonden, maar bij schrijven van 14 augustus 2007 heeft de Kamer van koophandel aan haar bestuurder J. Donkersloot meegedeeld dat uit het dossier genoegzaam is gebleken dat Dojo nog baten heeft en dat die vereffend moeten worden. Die mededeling dient te worden gekwalificeerd als een aanvulling op het ontbindingsbesluit. Uit de uittreksels uit het handelsregister van 20 augustus 2007 en 18 oktober 2007 blijkt dat Dojo een rechtspersoon in liquidatie is. Een rechtspersoon in liquidatie kan in rechte optreden.

4 De beoordeling in het incident

4.1

Over de stelling dat Dojo is opgehouden te bestaan en daarom niet in haar vorderingen kan worden ontvangen, oordeelt de rechtbank als volgt.

4.2

Gesteld noch gebleken is dat Dojo ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding, 14 juli 2006, was opgehouden te bestaan.

De door Postbank geponeerde stelling dient daarom te worden beperkt tot de vragen (a) of de rechtspersoon Dojo nadien is opgehouden te bestaan, en in bevestigend geval (b) of een rechtspersoon, die rechtsgeldig als eiser een procedure is begonnen maar daarna is opgehouden te bestaan, daarom niet (meer) in zijn vordering kan worden ontvangen.

4.3

Kennelijk is de rechtspersoon Dojo bij besluit van de Kamer van koophandel van 23 januari 2007 ontbonden ingevolge artikel 2:19a lid 4 BW en heeft het tegen dat besluit ingestelde beroep bij het Cbb niet geleid tot vernietiging van dat besluit. Daarmee staat vast dat Dojo per de genoemde datum is ontbonden.

4.4

Het bestaan van een rechtspersoon eindigt niet door de ontbinding. Ingevolge artikel 2:19 lid 5 BW blijft een rechtspersoon na haar ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is.

Gegeven de (vóór het ontbindingsbesluit aanhangig gemaakte) onderhavige vordering van Dojo op Postbank, had Dojo ten tijde van de ontbinding enig vermogen, daargelaten eventuele andere vermogensbestanddelen.

De enkele opmerking in het ontbindingsbesluit van de Kamer van koophandel “Aan de hand van de ter beschikking staande gegevens, hebben wij niet kunnen constateren dat de rechtspersoon nog baten had” is ten aanzien van de vraag of de rechtspersoon ten tijde van de ontbinding vermogen had niet doorslaggevend. In ieder geval komt Postbank, die ten tijde van de ontbinding met de onderhavige vordering van Dojo op de hoogte was, op de opmerking in het ontbindingsbesluit niet zonder meer beroep toe (vgl.: HR 26 maart 2004, NJ 2004, 330).

Derhalve is Dojo niet opgehouden te bestaan met (het onherroepelijk worden van) het ontbindingsbesluit.

4.5

Op het vorenstaande stuit de incidentele vordering van Postbank af.

5 De beslissing

De rechtbank,

in het incident

wijst de vordering van Postbank af;

veroordeelt Postbank in de aan de zijde van Dojo gevallen kosten, tot en met deze uitspraak bepaald op nihil aan verschotten en € 1.356,- aan salaris van de procureur;

verklaart dit vonnis voor zover het de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak

bepaalt dat deze zaak wederom zal worden uitgeroepen ter rolle van woensdag 26 maart 2008 voor conclusie van antwoord te nemen door Postbank ambtshalve peremptoir;

bepaalt dat Postbank geen verder uitstel zal worden verleend voor het nemen van de conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger.

Uitgesproken in het openbaar.

1928