Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC6652

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-03-2008
Datum publicatie
13-03-2008
Zaaknummer
10/601175-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Megazaak Jasmijn. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren wegens cocaïnetransport vanuit Peru. Verwerping niet-ontvankelijk OM, herhaalde verzoeken door raadsman ondanks eerdere afwijzingen door rechtbank tijdens pro forma-zittingen. Nadere bewijsoverweging over aangetroffen blik met cocaïne en wetenschap. Overweging met betrekking tot redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zittinghoudende te Dordrecht

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

[Tegenspraak]

Parketnummer: 10/601175-05

Zittingsdata : 28 januari 2008, 30 januari 2008, 5 februari 2008, 6 februari 2008,

12 februari 2008 en 3 maart 2008.

Uitspraak : 13 maart 2008

STRAFVONNIS

De rechtbank heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onder-zoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren in 1949

wonende te [adres en woonplaats]

niet als ingezetene ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens,

zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen in de ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering nader omschreven dagvaarding is omschreven en zoals deze vervolgens ter terechtzitting op vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

Een kopie van de dagvaarding, vordering tot nadere omschrijving en de vordering wijziging tenlastelegging zijn als bijlage 1, 1a en 1b aan dit vonnis gehecht en maken hiervan deel uit.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering nader omschreven dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde ken-nis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De rechtbank overweegt ambtshalve het navolgende.

Blijkens het zich in het dossier bevindende proces-verbaal van 4 februari 2008 zijn vijf telefoongesprekken met personen die zich op grond van artikel 218 Wetboek van Strafvordering zouden kunnen verschonen op grond van de aan hen toekomende geheimhoudingsplicht, niet terstond vernietigd. Eén van de gesprekken is op een geluidsdrager blijven staan welke ter beschikking is gesteld aan Peru. Van de andere vier gesprekken is de tekst van drie gesprekken aangetroffen in het registratiesysteem van de politie en is de uitwerking van alle vier gesprekken aangetroffen in het zogenoemde fysieke OM-dossier. Voor alle vijf gesprekken is een bevel tot vernietiging gegeven en geen van de gesprekken is op enigerlei wijze in het procesdossier terecht gekomen.

De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat naar aanleiding van deze gesprekken nadere onderzoekshandelingen zijn verricht en evenmin dat die gesprekken in de bewijssfeer tot resultaten hebben geleid. De rechtbank heeft van de inhoud van de betreffende tapgesprekken geen kennis genomen. Deze tapgesprekken spelen derhalve op geen enkele wij-ze een rol bij enige op de voet van de artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering te nemen beslissing. Naar het oordeel van de rechtbank is met het niet tijdig vernietigen van de gesprekken met geheimhouders een vormverzuim begaan dat niet meer kan worden hersteld. Evenwel is niet gebleken dat de verdachte in enig rechtens te respecteren belang is geschaad. Het verzuim is dan ook niet van dien aard dat het tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou dienen te leiden. De rechtbank volstaat met het oordeel dat sprake is van een vormverzuim zonder dat daaraan enige consequentie behoeft te worden verbonden.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het primair ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en voorts dat aan verdachte een geldboete wordt opgelegd van EUR 3.000,00.

De officier van justitie vordert voorts dat bij vonnis het bevel tot schorsing van de voor-lopige hechtenis wordt opgeheven.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht de verzoeken inzake het horen van getuigen en het toevoegen van de volledige Latas-, Bilbao- en Britse dossiers zoals die tijdens de zittingen in de afgelopen jaren zijn gedaan en afgewezen, alsnog toe te wijzen.

De rechtbank stelt het navolgende vast:

- de raadsman heeft tijdens vorige regiezittingen een aantal verzoeken om getuigen te horen dan wel stukken aan het procesdossier toe te voegen aan de rechtbank gedaan, welke in de processen-verbaal van de terechtzitting gemotiveerd zijn afgewezen;

- bij faxbericht d.d. 14 januari 2008, ontvangen ter griffie van de rechtbank op 17 januari 2008, heeft de raadsman verzocht om de verstrekking van een aantal stukken en de oproeping van getuigen om ter terechtzitting te worden gehoord op één of meer van de ingeplande zittingsdagen;

- de raadsman heeft op 28 januari 2008 wederom een aantal onderzoekswensen naar voren gebracht die zijn vermeld in zijn pleitnotities. Deze pleitnotities zijn aan het proces-verbaal ter terechtzitting gehecht.

Bij Wet van 10 november 2004, Stb. 579, tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Wet op de rechterlijke organisatie in verband met het horen van getuigen en enkele aanverwante onderwerpen, is aan art. 322 van het Wetboek van Strafvordering een vierde lid toegevoegd. Deze wet is in werking getreden op 1 januari 2005. De dagvaarding in onderhavige zaak is uitgebracht na 1 januari 2005. Het te dezen toepasselijke art. 322, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering luidt als volgt:

"Ook in het geval het onderzoek ter terechtzitting opnieuw wordt aangevangen blijven be-slissingen van de rechtbank inzake de geldigheid van de uitreiking van de dagvaarding uit hoofde van artikel 278, eerste lid, beslissingen op verweren van de verdachte uit hoofde van artikel 283, eerste lid, beslissingen op vorderingen tot wijziging van de telastlegging alsmede beslissingen inzake het horen of de oproeping van getuigen of deskundigen ter terechtzitting uit hoofde van artikel 287 of artikel 288 in stand."

De rechtbank overweegt dat niet alle handelingen van het eerder onderzoek ter terechtzit-ting behoeven te worden overgedaan. Naar het oordeel van de rechtbank wordt op een regiezitting, dus voorafgaand aan de terechtzitting(en) waarop de zaak inhoudelijk wordt behandeld, een definitieve beslissing gegeven op de verzoeken van de verdediging tot het doen oproepen van getuigen. De rechtbank heeft reeds bij tussenbeslissing bepaald dat de medeverdachten als getuige kunnen worden gehoord voor zover zij verschijnen tijdens de inhoudelijke behandeling van de betreffende strafzaak. Ten aanzien van de overige getuigen heeft de rechtbank een afwijzende beslissing gegeven wegens het ontbreken van de noodzaak daartoe.

De verdediging heeft verder verzocht om over het volledige Latas, Bilbao en Britse dossier te beschikken. Immers zonder kennisneming van voornoemde stukken kan er geen sprake zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.

De rechtbank stelt vast dat verdachte in geen van deze genoemde onderzoeken als verdachte is aangemerkt. De rechtbank is gelet op vorenstaande van oordeel dat verdachte geen enkel belang heeft bij de overlegging van verzochte stukken en dat hij niet in zijn verdediging wordt geschaad. Derhalve is er geen sprake van schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.

De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het aanhoudend verzoeken van de raadsman om stukken aan het dossier toe te voegen lijkt op een fishing-expedition.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

De verdediging heeft voorts vrijspraak bepleit.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

(primair)

in of omstreeks de periode van 1 oktober 2005 tot en met 12 november 2005,

te Rotterdam

tezamen en in vereniging met anderen

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (daaronder mede begrepen invoer als bedoeld in de zin van artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), ongeveer 1623 ki-logram, van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijs-middelen.

De bewijsmiddelen zijn als bijlage 2 aan dit vonnis gehecht.

4.4. Nadere bewijsoverwegingen

De verdediging heeft aangevoerd dat niet vast is komen is dat het teruggeplaatste blik daadwerkelijk cocaïne bevatte. De verdediging voert daartoe onder meer aan dat er geen proces-verbaal is opgesteld dat het blik is teruggeplaatst en in welke toestand het blik is teruggeplaatst en hoe het blik er uit zag.

De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

Op 8 november 2005 heeft de douane te Rotterdam een container met nummer MLCU 272215-6, gelost uit het MS Elqui, gecontroleerd.

Tijdens die controle bleek dat de inhoud van de container 20 pallets met blikken ongeëtiketteerde blikken betrof. In één van deze pallets zijn op de derde slag van boven blikken aangetroffen met een andere vorm en kleur.

De verbalisant heeft een dergelijk blik geopend en trof vervolgens een witte substantie in doorzichtig folie gewikkeld aan. De witte substantie is getest middels de Narcotest Dispo-sakit testbuis nummer 13 bestemd voor het testen van cocaïne, welke positief reageerde. (pagina’s 245-246 van het zaaksdossier Asperge)

Op 8 november 2005 kreeg de Dienst Nationale Recherche, vestiging Rotterdam een con-tainer voorzien van het nummer MLCU 272215-6 overgedragen.

Uit onderzoek is gebleken dat in de pallets 14 tot en met 20 telkens op de 3e tot en met de 6e slag blikken met vermoedelijk cocaïne werd aangetroffen, waarop deze blikken in beslag zijn genomen. De in beslag genomen blikken waren ten opzichte van de overige blikken afwijkend van kleur. In opdracht van de officier van justitie is 1 van de in beslag genomen blikken teruggeplaatst op de 6e slag van pallet nummer 17.

(pagina’s 28-31 van het zaaksdossier Asperge)

Op 9 november 2005 zijn de blikken waarin cocaïne vermoed werd, door de Technische Recherche geopend.

Van elke pallet, die genummerd waren van 14 t/m 20 heeft de verbalisant een van de in plastic gewikkelde pakjes bemonsterd en vervolgens gewaarmerkt als SVO 001 tot en met SVO 007, voor nader onderzoek naar het Nederlands Forensisch Instituut overgebracht. (pagina’s 292-294 van het zaaksdossier Asperge)

Uit het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut is vast komen te staan dat alle aangeboden monsters cocaïne bevatten.

Uit observaties op 11 november 2005 is vast komen te staan dat de container met nummer MLCU 272215-6 is afgeleverd in een loods aan de [adres] te Zwanenburg. (pagina’s 1271-1272 van het zaaksdossier Asperge)

Nadat de verdachten op 12 november 2005 in de loods te Zwanenburg waren aangehouden is gebleken dat 2 pallets met nummer 17 afgesloten zijn aangetroffen, Van 1 pallet was slechts de verpakking van de bovenzijde verwijderd. (pagina’s 124-133 van het zaaksdossier Asperge)

De rechtbank stelt voorop dat het de voorkeur had verdiend wanneer de Nationale Recherche in een (uitvoeriger) proces-verbaal de wijze van handelen met betrekking tot het terugplaatsen van het betreffende blik en over het na de aanhouding van verdachten het weer aantreffen van het betreffende blik had vermeld.

Echter kan op grond van hetgeen hierboven is overwogen worden geoordeeld dat het op de 6e slag van pallet 17 teruggeplaatste blik een afwijkende kleur had dan de blikken die behoorden tot de deklading. Gelet voorts op de bemonstering en het hiervoor aangehaalde deskundigenrapport moet het er dan ook voor worden gehouden dat het teruggeplaatste blik cocaïne bevatte, nu niet zodanige feiten en/of omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan het tegendeel moet worden aangenomen.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

De verdediging heeft – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde omdat hij geen rol heeft gespeeld bij de (verlengde) invoer van de verdovende middelen en zijn opzet enkel was gericht op de conserven met asperges en paprika’s.

Uit het onderzoek ter terechtzitting en het procesdossier is het navolgende gebleken:

- verdachte in juni 2005 in Peru is geweest met medeverdachte [verdachte 2];

- verdachte met medeverdachten [verdachte 3] en [verdachte 2] op de van 8 tot 12 oktober 2005 gehouden Anugabeurs in Keulen is geweest;

- verdachte bij zijn compagnon [getuige] in oktober 2005 de aankomst van containers met conserven afkomstig van zijn Peruaanse zakenrelaties heeft aangemeld;

- het Peruaanse “fakebedrijf” Proin SAC de verzender is van de containers CAXU 235096-9 en MLCU 272215-6 waar de cocaïne in was verborgen;

- die containers bestemd waren voor [getuige 1];

- verdachte reeds op 7 november 2005 in Nederland was;

- de containers op 11 november 2005 in een loods te Zwanenburg zijn uitgeladen en dat [getuige 2] , die optrad namens [getuige 1], daarbij aanwezig was;

- de loods te Zwanenburg vanaf augustus 2005 is gehuurd op naam van [getuige 2] via Blaauwhof makelaars;

- het faxnummer van Blaauwhof makelaars op de werkplek van Thambu is aangetroffen;

- [getuige 2] op 11 november 2005 monsters van de conserven heeft genomen en deze later heeft verzonden naar Instituut Nehring, Braunzweig te Duitsland;

- verdachte samen met [verdachte 2] op 11 november 2005 [getuige 2] in de nabijheid van de loods heeft opgehaald nadat laatstgenoemde met anderen de pallets had gelost;

- [getuige 2] de vrachtbrief behorende bij de containers van verdachte heeft ontvangen;

- verdachte ‘s ochtends op 12 november 2005 met medeverdachten [verdachte 3], [verdachte 4], [verdachte 5] en [verdachte 6] naar Den Bosch is gereisd alwaar de broers [verdachte 3 en 4] een zakelijke bespreking hebben gehad met [getuige 3];

- [verdachte 3] regelmatig werd gebeld gedurende deze bespreking;

- [verdachte 3] deze bespreking abrupt heeft afgebroken en met verdachte en de anderen van Den Bosch naar de loods te Zwanenburg is gereden;

- verdachte gedurende de autorit van Den Bosch naar Zwanenburg telefonisch contact heeft gehad met [verdachte 2];

- [verdachte 2] op de ochtend van 12 november 2005 met een aantal medeverdachten reeds naar de loods is gegaan;

- [verdachte 2] en de anderen daar gericht hebben gezocht maar niet hebben gevonden wat werd gezocht;

- medeverdachte [verdachte 7] daarbij eveneens aanwezig is geweest en telefonisch contact heeft gehad met [verdachte 3] (zie overzicht op p. 935);

- [verdachte 3] in de loods over vrachtpapieren van Proin Sac beschikte;

- [verdachte 7] door [verdachte 3] is benaderd om pallets te stapelen;

- [verdachte 7] heeft verklaard dat [verdachte 3] op 12 november 2005 in de loods heeft gezegd dat het niet zijn pallets waren omdat het zijn stempel niet was;

- verdachte op 12 november 2005 in de loods te Zwanenburg is aangehouden.

Medeplegen

Naar het oordeel van de rechtbank hebben verdachte en zijn medeverdachten tezamen en in vereniging gehandeld. Immers is uit het vorenstaande af te leiden dat sprake is geweest van bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering.

Opzettelijk

De rechtbank stelt vast dat verdachte reeds vanaf de eerste helft van oktober 2005 bij het transport betrokken is toen hij tegen zijn zakenpartner [getuige 1] heeft gezegd dat zijn handelspartner tien containers had aangekondigd en ze met drie containers met conserven zouden starten. Met deze drie containers is 1623 kilo cocaïne in Nederland binnenge-bracht. Die containers zijn op 11 november 2005 in de loods te Zwanenburg gearriveerd waar deze door onder andere [getuige 2] en [getuige 4] zijn gelost. Verdachte is op 7 november 2005 in Nederland aangekomen en is vanaf het moment dat de containers in de loods waren gearriveerd, betrokken geweest bij de handelingen aangaande de lading. Zo heeft verdachte op 11 november telefonisch contact gehad met [getuige 2] die betrokken was bij het lossen van de pallets en heeft hij samen met [verdachte 2] [getuige 2] in de nabijheid van de loods opgehaald op die dag. Op 12 november 2005 is verdachte met een aantal medeverdachten waaronder [verdachte 3], in de ochtend vertrokken naar Den Bosch. M. en [verdachte 4] hebben daar een zakelijke bespreking gehad gedurende welke [verdachte 3] geregeld via zijn mobiele telefoon is gebeld. Medeverdachte [verdachte 7] die op dat moment in de loods aanwezig is geweest, heeft die ochtend telefonisch contact gehad met [verdachte 3]. Aan het begin van de middag heeft [verdachte 3] de bespreking abrupt afgebroken en is het gezelschap, waaronder verdachte, vertrokken vanuit Den Bosch naar de loods te Zwanenburg. Onder weg heeft verdachte telefonisch contact gehad met medeverdachte [verdachte 2] en gezegd dat hij naar de loods kwam. Hij heeft [verdachte 2] eveneens gevraagd (opnieuw) naar de loods te komen. [verdachte 2] heeft vervolgens [verdachte 7] gebeld om ook opnieuw naar de loods te komen en tegen hem gezegd dat de baas ook zou komen. Verdachte is later die middag met het gezelschap vanuit Den Bosch bij de loods te Zwanenburg aangekomen en aan het einde van de middag in de loods aangehouden.

Uit het vorenstaande leidt de rechtbank het volgende af. Verdachte heeft via zijn eigen contacten de containers met de pallets, waarin zich 1623 kilo cocaïne bevond, van Peru naar Nederland laten komen. Toen de containers eenmaal in de loods te Zwanenburg wa-ren aangekomen, heeft verdachte in nauw contact gestaan met medeverdachten die in de loods waren dan wel betrokken waren bij de containers. Uit zijn betrokkenheid en manier van handelen leidt de rechtbank af dat hij wist dat de lading niet louter asperges en papri-ka’s bevatte. Verdachte is als een van de eerste van de verdachten op de hoogte van de komst van de containers en is tijdig naar Nederland vertrokken om zich hier met de con-tainers te kunnen bezighouden. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat verdachte zich willens en wetens heeft bezig gehouden met de invoer van 1623 kilo cocaïne.

Eigen verklaringen

Verdachte heeft onder meer verklaard dat:

- hij eerst op 5 november 2005 op de hoogte is gekomen van de containers met conserven en dat hij vlak voor 12 november 2005 [verdachte 3] hieromtrent heeft geïnfor-meerd omdat hij in hem een potentiële koper zag;

- hij naar de loods is gegaan om monsters te nemen van de lading.

Deze verklaring vinden op de navolgende wijze weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen:

- [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte reeds in de eerste helft van oktober melding heeft gemaakt van de containers en dat hij een bericht heeft ontvangen dat de contai-ners met conservenblikken met asperges en paprika’s rond 1 november 2005 in Rotterdam zouden arriveren; [getuige 1] verklaart deze fax te hebben doorgestuurd naar verdachte;

- [getuige 2] heeft verklaard dat hij monsters van de lading heeft genomen en deze zijn ook op het Nehring instituut ontvangen (dossierpagina 3932). Ook [getuige 1] heeft verklaard dat [getuige 2] monsters zou nemen en daarbij zijn onder verdachte geen monsters van de lading in beslag genomen noch is gebleken dat hij enige handeling in dat kader heeft verricht, hoewel hij daartoe, gelet op de duur van zijn verblijf in de loods, alle gelegenheid voor heeft gehad.

De rechtbank hecht dan ook geen geloof aan voornoemde verklaringen van verdachte en is van oordeel dat hij dat deze kennelijk leugenachtig zijn en bedoeld om de waarheid te bemantelen. De rechtbank zal deze verklaringen bezigen tot het bewijs.

Voorts volgt de rechtbank verdachte niet in zijn verklaring dat hij verbaasd was om [verdachte 5] te treffen op 12 november 2005 (dossierpagina 2888) terwijl uit het onderzoek naar de telefonische contacten is gebleken dat verdachte met hem vanaf 8 november 2005 telefonisch contact heeft gehad, beiden daarbij zijn uitgepeild in Amsterdam (dossierpagina 4061) en verdachte de telefoonnummers van [verdachte 5] op een briefje heeft geschreven dat op 12 november 2005 onder [verdachte 2] in beslag is genomen.

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden vervat in de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte op van 1 oktober tot en met 12 november 2005 tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk 1623 kilo cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

(primair)

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2 ONDER A VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

In de maanden voor de onderschepping van het onderhavige drugstransport is hij meerdere keren in gezelschap van [verdachte 3] gezien. Verder heeft hij in deze periode contac-ten met medeverdachten [verdachte 5] en [verdachte 2] gehad, is hij meerdere keren in Nederland geweest en in juni 2005 met [verdachte 2] naar Peru geweest.

In 2004 is hij gaan samenwerken met [getuige 2] en in 2005 met [getuige 1], die zich bezig houden met de levensmiddelenhandel, terwijl verdachte zelf een bedrijf heeft dat zich bezig houdt met de import van hard- en software vanuit India.

Verdachte heeft zich voortdurend op de achtergrond bewogen van zowel de medeverdachten die aan het begin van de smokkelroute stonden als van diegene die zich bezig hielden met de ontvangst van de betreffende containers, waar cocaïne in is aangetroffen en tegelijk een cruciale rol heeft vervuld om de lading een “legale” te doen voorkomen.

Uit het feit dat hij op zaterdagmorgen 12 november 2005 als enige buitenstaander met de broers [ verdachte 3 en 4] en de twee broers [verdachte 5 en 6] mee naar Den Bosch is gegaan, trekt de rechtbank de conclusie dat verdachte, als vertrouwenspersoon, een rol vervuld heeft die dicht tegen die van de organisatoren aan ligt.

Verder heeft verdachte zich bezig gehouden met de logistieke constructie door gebruik te maken van de levensmiddelen handel van [getuige 2] en [getuige 1].

De rechtbank is van oordeel dat naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een geldboete niet passend en geboden is.

Een strafbaar feit als onderhavige draagt bij aan de handel in en het gebruik van cocaïne, waardoor de volksgezondheid wordt bedreigd en waardoor ook onder de gebruikers het plegen van vermogensdelicten wordt bevorderd, teneinde de voor het gebruik benodigde gelden te verkrijgen. Dit veroorzaakt veel schade en onrust in de samenleving. Bovendien leidt de grootschalige handel in verdovende middelen tot samenhangende vormen van ernstige criminaliteit. Er is sprake van een ernstige inbreuk op de rechtsorde.

Bij haar oordeelsvorming omtrent de uiteindelijke strafmodaliteit alsmede de duur daar-van betrekt de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze ter terechtzitting zijn gebleken. Gelet op de ernst van het feit acht de rechtbank een onvoorwaardelijke straf onontkoombaar.

Voorts heeft de rechtbank in het bijzonder acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 januari 2008. Uit dat uittreksel blijkt dat de verdachte niet eerder met de Nederlandse justitie en politie in aanraking is gekomen. De rechtbank zal vorenstaande in het voordeel van verdachte meewegen.

Alles afwegend acht de rechtbank het opleggen van een vrijheidsstraf van na te melden duur passend en geboden.

7.2 Redelijke termijn

De verdachte is op 12 november 2005 aangehouden en in verzekering gesteld, zodat de redelijke termijn op 12 november 2005 een aanvang heeft genomen.

Het betreft een grote, gecompliceerde strafzaak, met meerdere, gelijktijdig terecht staande verdachten, waarin mede op verzoek van de verdachte diverse nadere onderzoeken - mede in het buitenland - hebben plaatsgevonden.

De rechtbank ziet daarom aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de berech-ting in eerste aanleg binnen twee jaar moet zijn afgerond en is van oordeel dat er geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.

8. Overige beslissingen

Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte het verzoek gedaan, strekkende tot opheffing van het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte. Nu de rechtbank echter gronden aanwezig acht, met name vanwege de op te leggen onvoor-waardelijke gevangenisstraf, het voornoemde bevel met onmiddellijke ingang op te heffen, wordt het verzoek van de raadsman derhalve afgewezen.

9. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank

verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals vermeld onder 4.1 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier-boven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens dit feit tot:

een GEVANGENISSTRAF voor de duur van ZEVEN (7) JAREN;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuit¬voerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenis-straf geheel in mindering zal worden gebracht;

HEFT OP het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte met onmiddellijke ingang;

beveelt dat de gestorte geldswaarde zal worden teruggegeven aan degene die de zeker-heid heeft gesteld.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. K.H.J. Puite, voorzitter,

mr. M.M. Moolenburgh - Pelser en mr. R.W. van Zuijlen, rechters,

in tegenwoordigheid van P.J.F.M. Vermaat en R. van An-del, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 maart 2008.