Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC6625

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-03-2008
Datum publicatie
13-03-2008
Zaaknummer
10/601169-05, 10/601076-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Megazaak Jasmijn. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden wegens het in bezit hebben van een vals reisdocument. De rechtbank spreekt verdachte gemotiveerd vrij van een cocaïnetransport. Overweging met betrekking tot de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zittinghoudende te Dordrecht

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

[Tegenspraak]

Parketnummers : 10/601169-05 en 10/601076-06

Zittingsdata : 28 januari 2008, 1 februari 2008, 8 februari 2008, 14 februari 2008 en 3 maart 2008.

Uitspraak : 13 maart 2008

STRAFVONNIS

De rechtbank heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onder-zoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren in 1952

niet als ingezetene ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens,

voorheen zich noemende:

[verdachte],

geboren in 1953

niet als ingezetene ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is onder parketnummer 10/601169-05 ten laste gelegd hetgeen in de ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering nader omschreven dagvaarding is omschreven en zoals deze vervolgens ter terechtzitting op vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

Aan de verdachte is onder parketnummer 10/601076-06 ten laste gelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven.

Kopieën van de dagvaardingen, vordering tot nadere omschrijving en de vordering wijziging tenlastelegging zijn als bijlage 1, 1a, 1b en 2 aan dit vonnis gehecht en maken hier-van deel uit.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaardingen

De verdediging heeft ten aanzien van parketnummer 10/601169-05 bij pleidooi naar vo-ren gebracht dat de dagvaarding onder het primair ten laste gelegde nietig is om het feit dat de officier van justitie nalaat om te kiezen ofwel voor naakte invoer dan wel de ver-lengde invoer een situatie oplevert, waardoor het voor de verdediging volstrekt onhelder is waartegen in concreto verweer dient te worden gevoerd.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

De officier van justitie heeft bij aanvang van de voordracht van de zaak op 28 januari 2008 een wijziging tenlastelegging gevorderd onder meer inhoudende dat feit 1 wordt aangevuld met de verlengde invoer door aan de tenlastelegging toe te voegen “( daaronder mede begrepen invoer als bedoeld in de zin van artikel 1 lid 4 van de Opiumwet)”.

Tegen deze aanvulling is door de raadsman van verdachte noch door de andere raadslie-den van de medeverdachten toen bezwaar gemaakt.

Om pas bij pleidooi dit verweer op te werpen komt dan ook als ongeloofwaardig over.

Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een innerlijke tegenstrijdigheid. Immers, onder invoer dient mede begrepen te worden verlengde invoer nu artikel 1 lid 4 van de Opiumwet een uitleg betreft van “binnen het grondgebied van Nederland brengen” zoals gebezigd in artikel 2 van de Opiumwet.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman van verdachte heeft met betrekking tot de omvang van het dossier naar vo-ren gebracht dat door het ontbreken van het Latas- en het Engelse Copybook-dossier, de onvolledigheid van het Spaanse Despenza-dossier, inclusief het ontbreken van alle Despenza-taps hem ontlastend materiaal aangaande de handel en de wandel van zijn cliënt in de ten laste gelegde periode wordt onthouden hetgeen een schending van het recht op een eerlijk proces oplevert.

Bovendien citeert het Openbaar Ministerie uit bevindingen van buitenlandse opsporings-diensten, welke bevindingen niet toetsbaar zijn door welke situatie er geen sprake is van “equality of arms”.

Aangezien de telefoongesprekken uit het Despenza-onderzoek de ruggengraat vormen van de vervolging, een en ander in samenhang met het Copybook-onderzoek, leidt het ontbreken van de volledige dossiers tot een zodanige schending van de meest fundamen-tele rechten van de verdediging dat het Openbaar Ministerie de vervolging zou moeten worden ontzegd.

De rechtbank verwerpt dit verweer op de volgende gronden.

Over het verstrekken van het Latas-dossier heeft de rechtbank al in een eerder stadium een gemotiveerde afwijzende beslissing gegeven. Er zijn geen nieuwe feiten en omstan-digheden door de verdediging naar voren gebracht die een andere beslissing doen rechtvaardigen.

Ten aanzien van de taps uit het Despenza-onderzoek heeft de officier van justitie navraag gedaan bij het Spaans onderzoeksteam, die alles wat zij in de Despenza-zaak hadden, naar de Spaanse rechter-commissaris hadden gestuurd. En ook de Spaanse rechter-commissaris heeft verteld dat hij niets meer van deze zaak heeft liggen. De officier van justitie heeft daarmee voldoende inspanning verricht om het Despenza-dossier zo compleet mogelijk te maken.

De rechtbank gaat er dan ook van uit dat zowel de officier, als de verdediging en de rechtbank over dezelfde stukken uit het Despenza-onderzoek, zoals opgenomen in het Asperge-dossier, de beschikking hebben. Het verweer betreffende de “equality of arms” wordt daarmee verworpen.

Ten aanzien van het Engelse Copybook-onderzoek heeft de rechtbank zich voor de in-houdelijke behandeling ter terechtzitting reeds uitgelaten over de noodzaak tot het horen van Engelse getuigen. De rechtbank achtte de noodzaak niet aanwezig. Bovendien zullen die onderdelen van het Engelse onderzoek, die opgenomen zijn in het Asperge-dossier niet bijdragen tot het wettig en overtuigend bewijs van het ten laste gelegde.

Aan de officier van justitie kan dan ook niet het verwijt gemaakt worden dat zij doelbewust dan wel grovelijk onachtzaam te kort heeft gedaan aan verdachtes recht op een eer-lijk proces door na te laten ontlastende feiten en omstandigheden aan het Asperge-dossier toe te voegen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn verder geen feiten en/of omstandigheden geble-ken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het onder 10/601169-05 primair en onder 10/601076-06 ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en voorts dat aan verdachte een geldboete van EUR 25.000,00 wordt opgelegd.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van het tenlastegelegde onder 10/601169-05 vrijspraak bepleit. Ten aanzien van het feit tenlastegelegd onder 10/601076-06 heeft de verdediging zich gerefereerd.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig bewezen wat aan de verdachte onder parketnummer 10/601169-05 primair en subsidiair ten laste is gelegd.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte nauw en bewust met anderen heeft samengewerkt bij de invoer in Nederland van een grote hoeveelheid cocaïne van ongeveer 1650 kilogram.

De onderbouwing wordt gevonden in:

• De aard en de inhoud van de contacten met medeverdachte [verdachte 2] en de Zuid-Amerikaanse man in oktober en begin november 2005;

• De ontmoeting met de [engelse verdachte ] op november 2005;

• Het aantreffen van de cocaïne;

• De reis naar Amsterdam als ook de hem welbekende afnemer en leverancier in Amsterdam zijn, op de dag dat de cocaïne vrij zal komen;

• De afspraak met [engelse verdachte ] in Amsterdam;

• Het telefoongesprek met de Zuid-Amerikaanse man over het feit dat “Flaco” zegt dat het er niet inzit;

• De bekentenis van [engelse verdachte ] dat hij van de aangetroffen partij cocaïne 375 kilo zou afnemen;

• De voorzorgsmaatregelen waarmee hij zijn handel beschermd tegen nieuwsgierige blikken;

• De inhoud van zijn agenda;

• Een eerdere veroordeling tot 12 jaar gevangenisstraf in Groot-Brittannië, het land dat nu de eindbestemming van de cocaïne is;

• Zijn eigen verklaring die strijdig is met de verklaringen van anderen.

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig bewezen kan worden dat hij met anderen heeft samengewerkt bij de invoer van deze partij cocaïne, die, verpakt in blikken asperges en paprika, op 8 november 2005 in de Rotterdamse haven is onderschept.

Verdachte is op 12 november 2005 om 18.35 uur in het centrum van Amsterdam aangehouden samen met medeverdachten [verdachte 4 ] en [verdachte 5]. Hij heeft toen als naam opgegeven dat hij [verdachte] heette en maakte gebruik van een vals paspoort.

Als reden voor zijn verblijf in Nederland gaf hij op dat hij als toerist naar Amsterdam gekomen is. Hij lijkt daarmee de ware reden van zijn verblijf te verhullen vooral ook omdat medeverdachte [verdachte 4], met wie hij op 12 november 2005 vanuit Spanje naar Amsterdam is gekomen, als reden van verblijf in Amsterdam eerst het opzetten van een voedingsmiddelenhandel in Nederland en later handel in hout afkomstig uit Peru heeft opgegeven.

Uit een telefoongesprek op 27 oktober 2005 tussen [verdachte 2] en een onbekende Nederlander zou moeten blijken dat verdachte van plan is naar Nederland te reizen en dat hij van plan was om op 4 november 2005 in Madrid aan te komen.

Op 7 november 2005 wordt door een Spaans observatieteam waargenomen dat[engelse verdachte] en zijn vrouw die avond samen met [verdachte 2] naar een Argentijns restau-rant gaan, waar zij zich voegen bij [verdachte] en diens echtgenote en zoon.

Uit de tapgesprekken rond die periode kan worden afgeleid dat [verdachte] rechtstreeks contact gehad heeft met [verdachte 2] en [verdachte 4].

Verder staat vast dat hij samen met [verdachte 4] op 12 november 2005 vanuit Madrid naar Schiphol is gevlogen en dat medeverdachte [verdachte 5] hen van Amsterdam naar Den Haag heeft vervoerd, waar ze zouden verblijven in een door [verdachte 5] geregeld appartement.

Op 12 november 2005 rond 17.30 uur rijdt [verdachte 5] hen in zijn auto weer terug naar Amsterdam.

Op de bewijsmiddelen met betrekking tot de relatie tussen verdachte en James[engelse verdachte ] uit het Engelse onderzoek zal de rechtbank geen acht slaan, omdat de officier van justitie uitdrukkelijk ter terechtzitting aan de verdediging heeft meegedeeld dat bij het construeren van het bewijs geen gebruik gemaakt van het Engelse onderzoek zal worden. Evenmin kan gebruik gemaakt worden van “the plea guilty” van [engelse verdachte] om-dat dit stuk geen deel uitmaakt van het Asperge-dossier.

Aangenomen kan worden dat verdachte [verdachte 6] kent doch niet is gebleken dat ver-dachte op of rond 12 november 2005 direct contact met deze medeverdachte gehad heeft.

Ook het door de officier van justitie als cruciaal bestempelde telefoongesprek op 12 november 2005 om 18.25 uur tussen verdachte en een onbekende Zuid-Amerikaanse man is onvoldoende om, in samenhang met de overige summiere bewijsmiddelen, de link te leggen naar de medeverdachten, die op die middag in of bij de loods in Zwanenburg zijn aangehouden noch naar de uit Peru afkomstige partij cocaïne, die, verpakt in blikken asperges en paprika, op 8 november 2008 in de haven van Rotterdam is onderschept.

Tenslotte is het de rechtbank niet duidelijk geworden welke rol verdachte bij de invoer van de betreffende partij zou hebben vervuld. Omdat verdachte in de maand voorafgaande aan het transport van deze partij in Peru verbleef zou hij de schakel kunnen zijn geweest tussen de producenten en [verdachte 6]. Zijn aanwezigheid in Amsterdam op 12 november 2005 zou kunnen duiden op betrokkenheid bij de beoogde Engelse afnemers.

Het blijft gissen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er onvoldoende wettig bewijs is om tot een veroordeling van het primair en subsidiair ten laste gelegde te komen, zodat verdachte daar-van vrijgesproken dient te worden.

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:

parketnummer 10/601076-06

op 19 juli 2006 te Rotterdam,

in het bezit was van een reisdocument, te weten een paspoort (paspoortnummer 10535337N), waarvan hij wist dat het

reisdocument vals, namelijk doordat hij in het bezit was van een paspoort, ten naam gesteld van [verdachte](Geboren in

1953 )

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.3 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zijn als bijlage 3 aan dit vonnis gehecht.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van parketnummer 10/601076-06

HET IN BEZIT ZIJN VAN EEN REISDOCUMENT WAARVAN HIJ WEET DAT HET VALS IS.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft een paspoort in zijn bezit gehad waarvan hij wist dat dit vals was. Verdachte heeft dit valse paspoort meerdere malen gebruikt. Verdachte had dit paspoort gekocht ter versluiering van zijn ware identiteit, teneinde te voorkomen dat hij Europa, gezien zijn eerdere veroordeling in Groot-Brittanië, niet zou kunnen binnenkomen.

Valse identiteitsbewijzen maken een deugdelijke identiteitscontrole onmogelijk en kunnen daardoor het plegen van andere strafbare feiten vergemakkelijken. Door het gebruik van valse reisdocumenten wordt het vertrouwen dat moet kunnen worden gesteld in van overheidswege verstrekte identiteitsbewijzen geschonden.

Wat de persoon van de verdachte betreft, heeft de rechtbank in het bijzonder acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 januari 2008. Uit dat uittreksel blijkt dat de verdachte niet eerder in Nederland is veroordeeld.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur dient te worden opgelegd.

7.2 Redelijke termijn

De verdachte is op 12 november 2005 aangehouden en in verzekering gesteld, zodat de redelijke termijn op 12 november 2005 een aanvang heeft genomen.

Het betreft een grote, gecompliceerde strafzaak, met meerdere, gelijktijdig terecht staande verdachten, waarin mede op verzoek van de verdachte diverse nadere onderzoeken -mede in het buitenland- hebben plaatsgevonden.

De rechtbank ziet daarom aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de berechting in eerste aanleg binnen twee jaar moet zijn afgerond en is van oordeel dat er geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op het volgende wettelijk voorschrift:

artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder parketnummer 10/601076-06 ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals vermeld onder 4.2 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens dit feit tot:

een GEVANGENISSTRAF voor de duur van ZES (6) MAANDEN;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenis-straf geheel in mindering zal worden gebracht.

HEFT OP het bevel tot voorlopige hechtenis, dat bij eerdere beschikking van 30 mei 2007 is geschorst;

Beveelt de teruggave van de gestorte geldswaarde aan degene die de zekerheid heeft gesteld.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. K.H.J. Puite, voorzitter,

mr. M.M. Moolenburgh – Pelser en mr. R.W. van Zuijlen, rechters,

in tegenwoordigheid van P.J.F.M. Vermaat en R. van Andel, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 maart 2008.