Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC6460

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
12-03-2008
Zaaknummer
247838 / HA ZA 05-2894
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

letselschade, verkeersongeval, arbeidsongeschiktheid, causaal verband, psychiater

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 247838 / HA ZA 05-2894

Uitspraak: 6 februari 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiser],

wonende te Delft,

eiser,

advocaat en procureur mr. H. Carels,

- tegen -

de naamloze vennootschap FORTIS ASR SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

procureur mr. J.G.A. van Zuuren,

advocaat mr. M.D. Spruit te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiser]" respectievelijk "Fortis".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

dagvaarding d.d. 7 oktober 2005 en de door [eiser] daarbij overgelegde producties;

conclusie van antwoord, met producties;

tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 14 december 2005, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 13 maart 2006;

notitie d.d. 13 maart 2006 van [eiser], met producties;

aantekeningen comparitie van partijen d.d. 13 maart 2006 van Fortis;

akte tevens houdende vermindering van eis d.d. 18 juli 2007 van [eiser], met producties;

antwoordakte d.d. 12 september 2007 van Fortis.

2 Het geschil

De gewijzigde vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Fortis te veroordelen aan [eiser] te betalen een bedrag van € 605.981,00 met rente en kosten.

Fortis heeft de vordering van [eiser] gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot afwijzing daarvan, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiser] in de kosten van het geding.

3 De beoordeling

3.1 Tussen partijen staan - onder meer - de volgende feiten vast:

Op donderdag 13 april 1995 was [eiser], geboren 5 november 1966, betrokken bij een verkeersongeval op een kruising te Delft.

[eiser] reed als bestuurder van een personenauto, merk/type Seat Ibiza, bij groen licht links afslaand de kruising op. De door [eiser] bestuurde personenauto werd vervolgens aan de rechter voorzijde aangereden door een uit de tegengestelde zijde aankomende personenauto, merk/type Nissan Patrol. De bestuurder van de Nissan Patrol was bij rood licht doorgereden.

Door de kracht van de botsing werd de door [eiser] bestuurde auto over een afstand van 10 m in zijdelingse richting verplaatst. De Seat Ibiza raakte door het ongeval zo zwaar beschadigd dat de reparatiekosten globaal werden begroot op fl. 25.000,00.

Fortis was ten tijde van het ongeval de WAM-verzekeraar van de Nissan Patrol. Fortis heeft jegens [eiser] aansprakelijkheid voor de uit het ongeval voortvloeiende schade erkend.

[eiser] ondervond na het ongeval diverse gezondheidsklachten. Hij consulteerde zijn huisarts, onderging fysiotherapeutische behandelingen en consulteerde in oktober 1995 een neuroloog.

Op gezamenlijk verzoek van [eiser] en Unigarant - de verzekeraar die destijds meende verplicht te zijn de ongevalsgerelateerde schade te vergoeden - werd in november 1997 een expertise verricht door dr. J. Vos, neuroloog. Dr. Vos heeft onder meer als volgt gerapporteerd:

"(…)

Gevraagd naar zijn huidige klachten blijkt er sprake te zijn van een scala aan klachten. Er zijn nog altijd hoofdpijn en nekpijnklachten. ‘s Morgens heeft hij last van een pijnlijke stijve nek. De pijn neemt geleidelijk toe gedurende de dag en trekt omhoog en veroorzaakt hoofdpijn. Er is nog sprake van concentratie-, inprentings- en geheugenstoornissen. Betrokkene slaapt onrustig en wordt meermalen per nacht wakker. Overdag is hij vermoeid. Alle activiteiten vermoeien hem snel. Hij mist overzicht en kan slechts één ding tegelijk waardoor zijn tempo is vertraagd. Hij is overgevoelig voor licht en geluid en klaagt over een geruis in zijn linker oor. Hij kan geen drukte om zich heen velen en vermijd drukke situaties. Zijn sociale contacten zijn o.a. om deze rede sterk afgenomen. Hij wil rust. Zijn motivatie om iets te ondernemen vertelde hij is vrijwel verdwenen. Zijn sexuele behoefte is sterk afgenomen. Verder vermeldt hij nog klachten als een doof, tintelend gevoel achter het oor waar ook nog kleine stukjes glas onder de huid zitten, soms beweegt zijn linker arm even onwi llekeurig. Hij vindt zichzelf snel geïrriteerd en ook wat bot waardoor zijn vrouw regelmatig niet goed van hem wordt vertelde hij. Tevens vermeldt hij de woede die nog altijd aanwezig is.

Ondanks zijn vele klachten heeft betrokkene slechts één week zijn werk verzuimd omdat hij persé wilde volhouden om zijn baan niet te verliezen. Zijn studie heeft hij afgemaakt om in het bedrijf een betere positie te kunnen gaan innemen. Hij maakt zich nu ernstige zorgen of hij daartoe wel in staat zal zijn.

(…)

Samenvattend heeft de heer [eiser] op 13.04.1995 een cervicaal acceleratietrauma gekregen door een aanrijding met grote snelheid van rechts. Bij dit ongeval liep betrokkene tevens glasverwondingen op in het gelaat en kneuzingen van schouder, heup, knie en scheenbenen. Het zijn vooral de klachten van het post-whiplash syndroom die hem tot nu toe in belangrijke mate belemmeren in zijn leven van alle dag. Zoals beschreven onder huidige klachten gaat het om een vrij uitgebreid klachtenpatroon. Deze klachten kunnen naar mijn oordeel worden toegeschreven aan het doorgemaakte ongeval en zijn klachten van een post-whiplash syndroom. Gezien het feit dat nu 2½ jaar is verstreken sinds het doorgemaakte ongeval is er thans sprake van een relatieve eindtoestand.

(…)

Ten aanzien van de vraagstelling van het geneeskundig onderzoek kunnen de vragen nu als volgt worden beantwoord:

1. De diagnose ten aanzien van de gevolgen van het ongeval d.d. 13.04.1995 luidt: postwhiplash syndroom.

2. De huidige klachten op mijn vakgebied vastgesteld zijn redelijkerwijs een gevolg van het ongeval van 13.04.1995. Andere factoren spelen daarbij naar mijn oordeel geen rol. Objectieve neurologische afwijkingen werden thans niet gevonden.

3. Ik acht thans ten aanzien van de ongevalsgevolgen een eindtoestand bereikt. Er is in de loop van de tijd mogelijk nog wel een verandering in gunstige zin te verwachten al of niet na therapeutische maatregelen. Met betrokkene heb ik besproken dat de waarneembare woede en verdriet bij betrokkene in het geheel niet zijn verwerkt en dat hij zijn huisarts moet raadplegen om eventuele verwijzing naar een deskundige die hem bij de verwerking behulpzaam kan zijn. Betrokkene maakte ook een depressieve indruk.

4. Er zijn geen beperkingen ten gevolge van duidelijk vastgestelde neurologische ongevalsgevolgen voor de loonvormende arbeid in het algemeen. Er zijn echter zoveel klachten van een post-whiplash syndroom dat het zeer goed voorstelbaar is dat betrokkene hierdoor belangrijk wordt belemmerd in zijn activiteiten. Betrokkene ondervindt beperkingen bij het funktioneren door de klachten zoals vermeld onder huidige klachten. Door de hoofd- en nekpijnklachten is de belastbaarheid van de nek- en schoudergordel verminderd zodat tillen, reiken, duwen, trekken en bovenshands werken zijn beperkt. De snelle vermoeibaarheid van betrokkene moet daarbij ook in aanmerking worden genomen. Tevens spelen de concentratie- en geheugenstoornissen een rol bij beroepsmatige werkzaamheden. Er is tevens sprake van een zekere traagheid en initiatiefverlies. Voor de aktiviteiten in het algemeen dagelijks leven, de bezigheden in het huishouden, hobbies, sport en recreatie zijn het vooral de hoofd- en nekpijnklachten en de snelle vermoeibaarheid van betrokkene die beperkingen opleveren.

5. (…).

6. Bij het neurologisch onderzoek werden geen ongevalsgevolgen vastgesteld behalve de subjectieve verschijnselen en klachten van een vrij ernstig post-whiplash syndroom. Volgens de Nederlandse Richtlijnen voor de bepaling van invaliditeit bij neurologische aandoeningen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie kan er in het geval van een post-whiplash syndroom sprake zijn van een percentage funktionele invaliditeit van o tot 5 % afhankelijk van de aard en ernst van de klachten. In het geval van betrokkene schat ik dit percentage op 5%.

7. (…).

8. Zoals onder 3 vermeld en met betrokkene besproken lijkt mij indien betrokkene dit zelf ook wil een periode psychotherapie geïndiceerd om zijn psychische gevolgen van het ongeval en met name de woede en de depressieve gevoelens te laten behandelen."

Ten tijde van het ongeval woonde [eiser] in Delft. Hij werkte als planner bij de KLM. Sinds 1992 volgde hij een 5-jarige avondopleiding HTS Technische Bedrijfskunde. In 1997 heeft [eiser] die opleiding afgerond. In 1998 is [eiser] gestart met de 4-jarige wetenschappelijke opleiding technische bedrijfskunde aan de Technische Universiteit te Eindhoven. Na enkele maanden is [eiser] met deze opleiding gestopt omdat dit naast zijn werk, mede door de reisafstand, een te zware belasting vormde. Vervolgens heeft [eiser] de 1-jarige opleiding Integraal Kwaliteitsmanager aan de Haagse Hogeschool gevolgd en met succes afgerond.

In mei 1999 is [eiser] als kwaliteitsmanager gaan werken bij Casema te Delft. [eiser] functioneerde daar naar tevredenheid van zijn leidinggevende. Op 1 april 2001 heeft [eiser] zich ziek gemeld. Later is [eiser] bij Casema gereïntegreerd voor 12 uur per week. In het kader van een reorganisatie is de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Casema per 1 februari 2003 ten einde gekomen.

Per 1 april 2002 is aan [eiser] een WAO-uitkering toegekend. [eiser] werd maximaal belastbaar geacht voor 20 uur per week en bij lopende behandeling voor maar 12 uur per week. De mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 65 tot 80%. Na herkeuring is de mate van arbeidsongeschiktheid per 12 juni 2007 vastgesteld op 80 tot 100%.

Op gezamenlijk verzoek van [eiser] en Fortis heeft in oktober 2004 een expertise plaatsgevonden door prof. dr. M. Kuilman, psychiater. In zijn rapport van 19 februari 2005 heeft prof. Kuilman onder meer als volgt gerapporteerd:

"(…)

Reconstructie: een postwhiplashsyndroom waarvan aannemelijk is dat deze onderzochte beperkingen heeft opgelegd en tot problemen om zich staande te houden heeft geleid.

Het ongeluk treft onderzochte op een moment dat hij actief bezig is een carrière op te bouwen (baan en opleiding) terwijl hij in 1995 ook nog eens is getrouwd. Ik heb overigens onvoldoende aanleiding om deze omstandigheden als extra belastend aan te merken en er is al helemaal geen reden om te veronderstellen dat onderzochte er psychisch ooit door zou zijn gedecompenseerd.

Nu is onderzochte een man met een hoog streefniveau, perfectionistisch en gericht op prestaties. Hij zal niet gauw opgeven. Tegen die achtergrond is het begrijpelijk dat hij lange tijd met negeren van zijn klachten heeft doorgewerkt: de een holt nu eenmaal langer door dan de ander. Uit de anamnese wordt ook duidelijk dat hij steeds meer moeite had zich staande te houden. In 1997/1998 worden we tenslotte geconfronteerd met de kenmerken van een aanpassingsstoornis c.q. depressief gekleurd hyperestetisch-emotioneel syndroom. Een extra - indirect ongevalsgerelateerd - probleem vormen de spanningen op het thuisfront en de extra belasting voor onderzochte’s echtgenote. Maar al die omstandigheden vormen mijns inziens geen genoegzame verklaring voor het feit dat hij uiteindelijk in 2001 zich ziek meldt nadat hij tot dan toe vrijwel zonder verzuim heeft gewerkt. Opmerkelijk is verder dat ik over de jaren 1998 - 2000 in het medisch dossier geen aantekeningen vind. Kennelijk zijn er in die periode geen zodanig ernstige problemen geweest dat die aanleiding hebben gegeven tot medische interventies of behandelingen, in 1999 verandert onderzochte van baan en treedt hij in dienst van Casema. In mijn anamnese heb ik niet de indruk gekregen dat zijn werkzaamheden tot dusver (bij de KLM) en vervolgens bij Casema als zodanig een zodanige belasting hebben gevormd dat onderzochte er door is gedecompenseerd. Zie in dat verband de andersluidende opmerkingen van de psychiater Kazemier die een en ander overigens niet verder uitwerkt. Een onmiskenbaar breekpunt is het moment waarop onderzochte zich ziek meldt in 2001, met als klap op de vuurpijl het ontslag in 2003. Dan is onderzochte écht op een dood punt aanbeland. Ik acht het aannemelijk dat zich sedertdien een fixatie en (verdere?) somatisering heeft voltrokken tot het beeld waarmee we nu worden geconfronteerd. In de verslagen - en ook in mijn eigen anamnese - treffen we meermalen opme rkingen aan over de opgekropte woede c.q. onverwerkte agressie van betrokkene jegens de aanrijder. Ik heb echter onvoldoende argumenten om dat probleem ten grondslag te leggen aan het ziekteverzuim in 2001 en de neerwaartse gang daarna, al is het wel zo dat door die teleurstellende omstandigheden die onverwerkte agressie en het gevoel van onrecht zullen zijn aangewakkerd. Kortom, met de beschikbare informatie heb ik onvoldoende argumenten in handen om de neerwaartse ontwikkelingen vanaf 2001 toe te schrijven aan het ongeval c.q. aan de indirecte gevolgen daarvan. Zelf geeft onderzochte aan (zie zijn verslag gedateerd 27 september 2004) dat hij geprobeerd heeft het jarenlang met zijn klachten en beperkingen vol te houden tot hij aan het eind van zijn Latijn was. Maar een traject van bijna vijf jaar voordat het zover kwam is wel erg lang en een analoog voorbeeld uit mijn expertisepraktijk kan ik mij niet herinneren.

111.2 Conclusies:

* Inmiddels zijn ruim negen jaar verstreken sinds het auto-ongeval en op lichamelijk gebied worden we bij een redelijk consistente anamnese nog steeds geconfronteerd met klachten die in 1997 door de neuroloog Vos als postwhiplash syndroom werden bestempeld. Het percentage B.I. van 5, is het hoogste dat destijds voor een puur postwhiplash syndroom kon worden toegekend.

* Nu, zeven jaar na de expertise Vos, worden we met ongeveer dezelfde klachten geconfronteerd, al is er wel sprake van een zekere verbetering. Of en in hoeverre andere factoren dan het ongeval een bijdrage hebben geleverd aan een bestendiging van het beeld? Zie het vervolg van deze paragraaf.

* Reeds de neuroloog Vos signaleerde in 1997 psychische complicaties in de vorm van cognitieve problemen en een depressieve gemoedstoestand alsmede hyperestetisch-emotionele verschijnselen, op te vatten als een aanpassingsstoornis, begrijpelijk vanuit de situatieve posttraumatische context. Thans is deze aanpassingsstoornis goeddeels verbleekt en geeft in de huidige situatie niet of nauwelijks aanleiding tot beperkingen.

* Valt er een verklaring te geven voor het geschetste ziektebeloop? Onderzochte werkt jarenlang door na het ongeluk, decompenseert dan psychisch, is inmiddels hersteld van zijn decompensatie maar blijft zijn lichamelijke klachten houden. Voor een analyse en reconstructie houden we ons achtereenvolgens bezig met factoren die mogelijk van belang zijn geweest vanuit de pretraumatische context (met inbegrip van de karakterstructuur) (1), het ongeluk en de mechanische/psychische impact ervan II) en tenslotte van de posttraumatische situatieve context(III).

Ad 1. Wat de pretraumatische situatie context betreft: onderzochte kan worden beschreven als een intelligent man, een harde werker, ambitieus en met een hoog streefniveau. Hij heeft in zijn leven met name in de sfeer van zijn prestaties veel bereikt en was toen het ongeluk hem trof, nog niet aan het einde van een veel belovende carrière. Ik heb geen aanwijzingen hem als overdreven narcistisch en rigide in zijn strevingen te bestempelen. Zo heeft onderzochte de flexibiliteit opgebracht om van baan te veranderen ter wille van gezin en een opleiding (in Eindhoven) af te breken toen bleek dat dit hem teveel energie kostte. Hij beschikte over het doorzettingsvermogen om (na het ongeval) een andere opleiding te voltooien.

Ad II. Wat het trauma zelve betreft, dit heeft niet geleid tot een hersenbeschadiging en evenmin is er sprake geweest van een posttraumatische stress-stoornis.

Ad III. De posttraumatische situatieve context. Na een week ziekteverzuim heeft onderzochte met zijn (toenemende) lichamelijke en later debuterende psychische klachten meer dan vijf jaar doorgewerkt alvorens zich ziek te melden. Dat past bij zijn karakter: doorzetten, niet toegeven, niet afhankelijk willen zijn, pijnstillers afwijzen. Ik kan mij niet ontrekken aan de indruk dat betrokkene met die attitude zichzelf uiteindelijk in een nadelige positie heeft gebracht. Wat dat betreft is het spijtig dat er niet eerder een systematische poging tot reïntegratie is ondernomen. Dan had wellicht voorkomen kunnen worden dat hij verder was afgegleden. Dit laatste is echter wél gebeurd: onderzochte meldt zich ziek, gaat daarna partieel aan het werk maar verliest zijn baan en ervaart voorts bij zijn sollicitatiepogingen de ene teleurstelling na de andere, met als gevolg een ernstige verschraling van zijn toekomstperspectief. Daar komen nog bij de repercussies op het thuisfront en de problemen die zich daar voordoen. Voeg daar aan toe dat betrokkene ook nog eens geconfronteerd wordt met in zijn ogen onrechtvaardige situatie als het gaat om de wijze waarop de man die hem dit alles aan deed door de justitie werd bejegend en zijn problemen met de aansprakelijke verzekeringsmaatschappij.

De impact hiervan wordt groter naarmate onderzochte meer moeite heeft zich in de sfeer van werk, persoonlijk en sociaal leven staande te houden.

De neuroloog Vos maakt in zijn expertise in 1997 melding van een depressieve gemoedstoestand. Later - in 2001- wordt gesproken over “psychische labiliteit” en bij een psychologisch onderzoek wordt gesignaleerd dat betrokkene een inadequaat herstelgedrag vertoont, dat de klachten in stand houdt en tot oververmoeidheid leidt.

In 2002 maakt de verzekeringsarts gewag van het onvermogen om spanningen en frustraties te hanteren. Onderzochte loopt vast op zijn kort schietend coping repertoire, aldus de verzekeringsarts.

Intussen heeft onderzochte - overeenkomstig zijn inzet en ambities - diverse sollicitatiepogingen ondernomen, zij het vergeefs. Passend bij zijn motivatie is ook het feit dat hij bezig is zijn bestaansruimte - nu hij geen werk meer heeft - opnieuw en op een andere wijze te stofferen. Soms heb ik daarbij het gevoel dat de investering in (de toekomst van) zijn zoon een substituut is voor zaken waar hij zelf, als gevolg van zijn klachten en misère, niet aan is toegekomen.

Als we onderzochte’s werkzaamheden, opleidingsactiviteiten en loopbaan na het ongeluk in ogenschouw nemen, kan moeilijk worden volgehouden dat dit accident tot een ernstig cognitief disfunctioneren heeft geleid. Het accent ligt naar mijn mening - en daarin ben ik het eens met de verzekeringsarts van het GAK - op het feit dat betrokkene uit hoofd van zijn hoge streefniveau de lat erg hoog legt en zichzelf niet toestaat om in zijn prestaties niet aan de zelf gestelde normen te beantwoorden. Hij heeft naar mijn mening lange tijd zijn klachten en daaruit voortvloeiende beperkingen genegeerd, c.q. is er op een inadequate manier mee omgegaan en heeft geruime tijd buitensporig veel energie geïnvesteerd in het werk waarin hij zich optimaal wilde staande houden. De prijs die hij daarvoor moest betalen: door gebrek aan energie en oververmoeidheid minder tijd voor zijn gezin en zijn sociale leven, wat weer de nodige repercussies had. Uiteindelijk raakt onderzochte toch in het slop, wanneer hij zijn (inmiddels parttime) baan bij zijn laatste werkgever door een reorganisatie-ontslag verliest en elders niet aan de bak komt.

Aan deze nieuwe situatie heeft betrokkene zich min of meer aangepast, nu hij - sinds het uitblijven van een reële mogelijkheid om weer aan het werk te gaan - op een andere manier aan zijn leven invulling probeert te geven, met name binnen zijn gezin.

Het is niet onmogelijk - maar moeilijk tijdens een enkel onderzoek vast te stellen - dat de lichamelijke en cognitieve klachten/beperkingen inmiddels ook een “secundaire” functie hebben gekregen, in zoverre dat ze betrokkene enige veiligheid garanderen ten aanzien van zijn materiële situatie, zeker nu er zo weinig uitzicht is op een reëel arbeidsperspectief.

IV. In antwoord op uw vraagstelling:

Vraag 1:

Welke klachten noemt betrokkene op dit moment tegenover u, welke op medische gronden beschouwd kunnen worden als een gevolg van het ongeval?

Antwoord: klachten en symptomen die voor het ongeval niet aanwezig waren, zich nadien hebben ontwikkeld en die ik niet aan andere ziekten/aandoeningen kan toeschrijven heb ik uitvoerig beschreven in mijn rapport. Zie in dat verband 1.3 en 1.5. Wat de lichamelijke klachten betreft: ten aanzien van de klachten/en symptomen als zodanig een consistente anamnese als we die vergelijken, met bijvoorbeeld de expertise van de neuroloog Vos in 1997. Of er ook sprake is van een posttraumatische basilaris-migraine? Zie mijn overwegingen in de samenvatting. Indien van belang, dan zal een neuroloog hierover zijn oordeel moeten geven. In ieder geval tref ik die diagnose niet aan in de expertise van collega Vos in 1997.

Vraag 2:

Welke afwijkingen kunt u bij betrokkene vaststellen die op medische gronden beschouwd moeten worden als gevolg van genoemd voorval?

Antwoord: een moeilijk probleem: zie mijn beschouwingen in de samenvatting. Ik stel vast dat de huidige klachten en symptomen vóór het ongeval niet aanwezig waren. Maar of ze louter en alleen als gevolg moeten worden opgevat van (de verwerking van) het ongeval? Ik ben er niet uitgekomen. Het is inderdaad curieus, zoals collega Nelemans stelt, dat onderzochte zich met die klachten zo’n zes jaar na het ongeluk in zijn werk heeft weten staande te houden zonder verzuim van betekenis. Of het zolang “door hollen” louter en alleen aan zijn levensstijl en persoonlijkheidsstructuur moet worden toegeschreven? Ik weet het niet. Er zijn inderdaad mensen die het nog geruime tijd volhouden en die gedreven worden door hun inzet en energie. Maar zes jaar is wel een héél lange periode. Anderzijds; ik heb geen andere factoren of omstandigheden dan de (in)directe ongevalsgevolgen kunnen aanwijzen voor het geschetste beloop.

Vraag 3:

Bestaat er naar uw oordeel ten aanzien van de door u vastgestelde ongevalsgevolgen thans een eindstand, dan wel een stationaire toestand?

Antwoord: inmiddels is - bijna tien jaar na dato - wel een stationaire toestand bereikt.

Vraag 4:

In hoeverre heeft u op dit moment nog therapeutische suggesties ten einde de huidige klachten van betrokkene te doen verminderen?

Antwoord: in dit stadium geen therapeutische suggesties.

Vraag 5

Op welk percentage schat u bij betrokkene de totale blijvende functionele invaliditeit ten gevolge van het ongeval, hierbij de functionele validiteit van betrokkene in haar geheel vóór genoemd ongeval stellende op 100% en gerekend naar AMA-normen (vijfde editie), aangevuld met eventuele richtlijnen van uw beroepsgroep?

Antwoord: onderzochte’s huidige functioneren in aanmerking nemend: geen beperkingen in de ADL-sfeer, duidelijke beperkingen in de sfeer van sociale contacten en recreatieve activiteiten (voor een deel reeds door collega Vos in 1997 in zijn expertise verdisconteerd). Onderzochte maakt in het contact een redelijk stabiele indruk. Geen aanknopingspunten thans (meer) voor een diagnose “depressie” dan wel “angststoornis”, al dan niet in het kader van een aanpassingsstoornis. Wel aanwijzingen voor een somatische fixatie. De combinatie van anamnese, dagverhaal en bevindingen bij psychiatrisch onderzoek rechtvaardigen naar mijn mening voor onderzochte een plaats in klasse 2 overeenkomstig de richtlijnen van de AMA vijfde druk. Of daarbij ook sprake is van een (in)direct ongevalsgevolg?

Zie mijn overwegingen dienaangaande in de samenvatting.

Vraag 6:

Welke beperkingen ondervindt betrokkene naar uw oordeel ten gevolge van de door u vastgestelde klachten c.q. afwijkingen die in redelijkheid beschouwd kunnen worden als een gevolg van het ongeval?

Antwoord: pijn, vermoeidheid en cognitieve problemen hebben geleid tot een verschraling van met name sociale contacten en de recreatieve actieradius. Voor een deel zijn deze reeds verwerkt in de beoordeling door collega Vos in 1997. In hoeverre er sprake is van ongevalsgevolg (vanuit psychiatrisch gezichtspunt)? Zie mijn overwegingen in de samenvatting.

Vraag 7:

In hoeverre bestaan er bij betrokkene beperkingen ten aanzien van het arbeidsvermogen die het gevolg zijn van voornoemd voorval? Om welke beperkingen gaat het en acht u ze blijvend?

Antwoord: destijds is door de verzekeringsarts van het GAK een beperkingenlijst samengesteld op basis waarvan onderzochte 12 uur per week zijn werkzaamheden werd geacht te kunnen verrichten. Hij heeft dat ook enige tijd gedaan. Een uitbreiding van de arbeidsduur was voor hem belastend en die situatie is kennelijk door het GAK aanvaard. Ik vind althans in het dossier geen stukken waaruit blijkt dat bij een herbeoordeling het arbeidsvermogen, c.q. de arbeidsduur is opgewaardeerd. Dat onderzochte niet werkt, is het gevolg van het feit dat hij met zijn deeltijdbaan op zijn niveau nergens wordt geaccepteerd. Maar in principe is hij inzetbaar zoals hij zelf onderschrijft (Kuilman: ik ben wel van mening dat er als gevolg van een langdurige ledigheid en de mislukte sollicitatiepogingen een fase van demoralisering en ontmoediging in het bestaan van onderzochte is ingeluid). In hoeverre hierbij sprake is van ongevalsgevolgen? Zie mijn overwegingen in de samenvatting.

Een onbevredigende rapportage, in zoverre ik voor mijn besef geen volledig overtuigende verklaring heb kunnen geven - al dan niet ongevalsgerelateerd - voor het geschetste ziektebeloop. Ik heb mij uiteraard nog afgevraagd of in het contact met betrokkene belangrijke condities niet naar voren zijn gekomen. De openhartigheid en oprechtheid waarmee onderzochte mij zijn verhaal heeft verteld maken die veronderstelling niet aannemelijk."

In het kader van een door partijen gezamenlijk in gang gezet reïntegratietraject heeft in oktober 2006 een neuropsychologisch onderzoek en een onderzoek naar de psychische belastbaarheid van [eiser] plaatsgevonden bij Hoensbroeck Centrum voor Arbeidsperpectief. Op basis van de resultaten van dat onderzoek concluderen de door partijen ingeschakelde onafhankelijk arbeidsdeskundigen dat het vinden van een passende functie voor [eiser] op de vrije arbeidsmarkt thans praktisch onmogelijk is.

[eiser] grondt zijn vordering op onrechtmatige daad. Hij stelt dat hij door het ongeval de schade lijdt waarvan hij in deze procedure vergoeding vordert.

Fortis betwist dat er een causaal verband bestaat tussen het ongeval en de door [eiser] gestelde schade. Voorts betwist Fortis de omvang van die schade.

Het voornaamste geschilpunt tussen partijen betreft de vraag of de schade die is voortgevloeid uit de per 1 april 2001 ingetreden arbeidsongeschiktheid van [eiser] in zodanig verband staat met het hem op 13 april 1995 overkomen verkeersongeval, dat die schade, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat ongeval aan de bestuurder van de Nissan Patrol - en daarmee aan Fortis - kan worden toegerekend. De rechtbank beantwoordt die vraag op grond van het volgende bevestigend.

Uit het als productie 1 bij dagvaarding overgelegde proces-verbaal van de Politie Haaglanden blijkt dat sprake is geweest van een ernstige schending van een verkeersnorm door de bestuurder van de Nissan Patrol. [eiser] vordert vergoeding van de volgens zijn stellingen dientengevolge door hem geleden letselschade. De aard van de aansprakelijkheid en van de schade rechtvaardigen een ruime toerekening.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] door het ongeval blijvende beperkingen ondervindt. Fortis heeft erkend dat [eiser] bij de aanrijding op 13 april 1995 ten gevolge van een acceleratie-deceleratie moment een overrekking van de weke delen van de nek heeft opgelopen (conclusie van antwoord onder 50). Een dergelijke overrekking gaat gepaard met nekklachten, die - nog steeds in de visie van Fortis - bij [eiser] een chronisch karakter kregen. Fortis wijst erop dat deze klachten tot een zekere beperking van de belastbaarheid leiden en dat er bij [eiser] verder sprake was van lichte inprentingsproblemen. Fortis acht echter van belang dat [eiser] in staat is geweest gedurende zes jaar na het ongeval op hoog niveau te studeren en te werken. De bestaande beperkingen kunnen in de visie van Fortis dan ook niet verklaren dat [eiser] zes jaar na het ongeval arbeidsongeschikt is geraakt.

[eiser] heeft gesteld - en aannemelijk gemaakt - dat hij ook gedurende de zes jaren die hij na het ongeval heeft doorgewerkt beperkingen ondervond. Dit komt - tussentijds - duidelijk tot uitdrukking in het rapport van november 1997 van de neuroloog dr. Vos, maar ook in het rapport van 19 februari 2005 van prof. Kuilman.

Prof. Kuilman rapporteert weliswaar dat hij onvoldoende argumenten in handen heeft om de neerwaartse ontwikkelingen vanaf 2001 toe te schrijven aan het ongeval c.q. aan de indirecte gevolgen daarvan, maar hij rapporteert tevens dat hij voor het beloop geen andere factoren of omstandigheden dan de (in)directe ongevalsgevolgen heeft kunnen aanwijzen. In de conclusies bij zijn rapport schetst prof. Kuilman naar het oordeel van de rechtbank een aannemelijke verklaring voor het feitelijke verloop sedert het ongeval:

"(…) Als we onderzochte’s werkzaamheden, opleidingsactiviteiten en loopbaan na het ongeluk in ogenschouw nemen, kan moeilijk worden volgehouden dat dit accident tot een ernstig cognitief disfunctioneren heeft geleid. Het accent ligt naar mijn mening - en daarin ben ik het eens met de verzekeringsarts van het GAK - op het feit dat betrokkene uit hoofd van zijn hoge streefniveau de lat erg hoog legt en zichzelf niet toestaat om in zijn prestaties niet aan de zelf gestelde normen te beantwoorden. Hij heeft naar mijn mening lange tijd zijn klachten en daaruit voortvloeiende beperkingen genegeerd, c.q. is er op een inadequate manier mee omgegaan en heeft geruime tijd buitensporig veel energie geïnvesteerd in het werk waarin hij zich optimaal wilde staande houden. De prijs die hij daarvoor moest betalen: door gebrek aan energie en oververmoeidheid minder tijd voor zijn gezin en zijn sociale leven, wat weer de nodige repercussies had. Uiteindelijk raakt onderzochte toch in het slop, wanneer hij zijn (inmiddels parttime) baan bij zijn laatste werkgever door een reorganisatie-ontslag verliest en elders niet aan de bak komt. (…)"

De rechtbank acht aannemelijk dat niet alleen de uit het ongeval voortvloeiende beperkingen, maar juist de combinatie van die beperkingen en de persoonlijkheid van [eiser] - die hem op momenten dat zulks wellicht wenselijk was geweest niet toestond een stapje terug te doen - er toe heeft geleid dat hij uiteindelijk arbeidsongeschikt is geraakt. Dat wellicht juist de persoonlijkheid van [eiser] een belangrijke factor is geweest bij het uiteindelijke ontstaan en voortduren van diens arbeidsongeschiktheid, staat er niet aan in de weg de uit die arbeidsongeschiktheid voortvloeiende schade in juridische zin toe te rekenen aan de veroorzaker van het ongeval.

Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de ongevalsgerelateerde schade dient te worden begroot. De rechtbank zal hierna kort ingaan op de voornaamste gestelde schadepost: het verlies van arbeidsvermogen. Het komt de rechtbank voor dat het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank voor partijen aanleiding kan vormen om - opnieuw - met elkaar in overleg te treden teneinde te bezien of de mogelijkheid bestaat met verdiscontering van goede en kwade kansen over en weer een regeling in der minne te treffen. De rechtbank zal een comparitie van partijen gelasten om een schikking te beproeven en om inlichtingen te verkrijgen over de hierna te behandelen onderwerpen, alsmede om overleg met partijen te voeren over de verdere procedure.

De vraag of een door een ongeval getroffene als gevolg van het ongeval schade heeft geleden door verlies van toekomstige inkomsten uit arbeid, moet worden beantwoord door vergelijking van de feitelijke inkomenssituatie na het ongeval (hierna: situatie na ongeval) met de hypothetische situatie bij wegdenken van het ongeval (hierna: situatie zonder ongeval). Bij zulk een vergelijking komt het aan op de redelijke verwachting over toekomstige ontwikkelingen. Aan een benadeelde die blijvende letselschade heeft opgelopen, mogen geen strenge eisen worden gesteld met betrekking tot het te leveren bewijs van (schade wegens het derven van) de arbeidsinkomsten die de benadeelde in de toekomst zou hebben genoten in de hypothetische situatie dat het ongeval niet zou hebben plaatsgehad: het is immers de aansprakelijke veroorzaker van het ongeval die de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn geschied.

[eiser] heeft een berekening overgelegd ter zake van het verlies van arbeidsvermogen. De meest recente versie van die berekening, opgesteld door de heer J.H.G. van Dam van Groot Expertisebureau B.V., dateert van 3 juli 2007 (productie 26 bij akte van 18 juli 2007). De berekening sluit op een totale schade ter zake van verlies van arbeidsvermogen, inclusief belastingschade, van € 525.772,00.

Fortis heeft zich verweerd met de stelling dat [eiser] als gevolg van niet ongevalsgerelateerde fysieke beperkingen en/of zijn persoonlijkheid ook in de situatie zonder ongeval op enig moment arbeidsongeschikt zou zijn geraakt. De rechtbank is echter van oordeel dat Fortis die stelling onvoldoende heeft onderbouwd. De overgelegde rapporten van de medische expertises bevatten onvoldoende aanknopingspunten voor de stellingen van Fortis. Dat [eiser] reeds voor het ongeval rugproblemen ondervond, betekent niet dat aannemelijk geacht kan worden dat die problemen zich zodanig negatief ontwikkeld zouden hebben dat [eiser] dientengevolge arbeidsongeschikt zou zijn geraakt. Dat [eiser] door psychische oorzaken arbeidsongeschikt zou zijn geraakt, is evenmin aannemelijk. In de situatie zonder ongeval zou [eiser] immers niet door ongevalsgevolgen begrensd zijn geweest.

Fortis heeft zich verder verweerd met de stelling dat [eiser] niet heeft voldaan aan zijn schadebeperkingsplicht. Fortis wijst erop dat neuroloog Vos en de huisarts van [eiser] reeds in 1997 en 1998 psychologische begeleiding aan [eiser] adviseerden, maar dat [eiser] zich tot juni 2001 niet onder psychologische begeleiding heeft gesteld. Zou [eiser] eerder psychologische begeleiding hebben gezocht dan zouden de depressie en de aanpassingsstoornis in de visie van Fortis in een vroeg stadium zijn geweken en zouden ook de overbelastingsverschijnselen eerder aan de orde zijn gesteld, waardoor daar veel beter op had kunnen worden ingespeeld. Een belangrijk deel van de schade zou dan naar het oordeel van Fortis niet zijn ontstaan. De rechtbank acht dit verweer ongegrond. [eiser] is pas per 1 april 2001 uitgevallen uit het arbeidsproces. Vervolgens heeft hij psychologische begeleiding geaccepteerd. Tot 1 april 2001 was er geen sprake van schade waarvan [eiser] zich diende te realiseren dat het op zijn weg lag die te beperken door zich onder psychologische begeleiding te stellen. Het gaat te ver om [eiser] te verwijten dat hij in de jaren voor 1 april 2001 niet heeft voorzien dat hij zich onder psychologische begeleiding diende te stellen om te voorkomen dat hij op enig moment arbeidsongeschikt zou raken. Een aan [eiser] toerekenbare schending van een "plicht" tot schadebeperking welke kan rechtvaardigen dat de schade geheel of ten dele voor zijn rekening dient te blijven, heeft zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet voorgedaan.

Fortis heeft zich - bij conclusie van antwoord onder 61 - subsidiair verweerd met de stelling dat Groot Expertisebureau B.V. bij haar schadeberekening ten onrechte uitgaat van blijvende arbeidsongeschiktheid van [eiser]. De rechtbank acht het wenselijk dit aspect ter comparitie van partijen met partijen te bespreken, mede in het licht van het door partijen in onderling overleg in gang gezette reïntegratietraject dat is geëindigd met de rapportage arbeidsdeskundig vervolgonderzoek van 1 maart 2007 (productie 22 bij akte tevens houdende vermindering van eis van 18 juli 2007) (comparitieonderwerp).

Fortis heeft er verder op gewezen dat, bij begroting van de schade, in de situatie zonder ongeval niet zonder meer tot uitgangspunt mag worden genomen dat [eiser] de in de overgelegde schadeberekening geschetste carrièreontwikkeling bij Casema zou hebben doorgemaakt. De rechtbank acht het denkbaar dat zij er behoefte aan zal voelen zich omtrent de carrièreontwikkeling van [eiser] in de situatie zonder ongeval te laten voorlichten door een onafhankelijk arbeidsdeskundige. Ook hieromtrent wenst de rechtbank ter comparitie van partijen overleg met partijen te voeren (comparitieonderwerp).

Voor wat betreft de in de schadeberekening te hanteren rekenrente is de rechtbank voorshands van oordeel dat het in de rede ligt om bij een langere looptijd uit te gaan van een gemiddeld rendement van 6% en gemiddelde inflatie van 3%. Het ligt naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval niet in de rede om uit te gaan van een rekenrente van 0% over een gedeelte van looptijd. Vanuit het oogpunt van proceseconomie komt het de rechtbank wenselijk voor ook dit aspect ter comparitie van partijen met partijen te bespreken (comparitieonderwerp).

Ter comparitie van partijen kunnen ook de overige gestelde schadeposten worden besproken. In dit verband acht de rechtbank het wenselijk dat [eiser] uiterlijk vier weken voor de comparitiedatum een geactualiseerde schadestaat ter zake van die posten overlegt, voorzien van bewijsstukken van de in dit verband sinds het ongeval werkelijk door ongevalsgevolgen gemaakte (extra) kosten. [eiser] zal in zijn toelichting daarbij tevens kunnen reageren op het hieromtrent door Fortis gevoerde verweer (conclusie van antwoord onder 65 tot en met 70) (info en comparitieonderwerp).

In afwachting van het resultaat van de comparitie van partijen zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden, ook omtrent het smartengeld en de buitengerechtelijke kosten.

Alle bescheiden waarop een partij zich ter terechtzitting wenst te beroepen, alsmede de onder 3.18 hiervoor genoemde bescheiden dienen uiterlijk vier weken vóór de zitting aan de rechtbank en aan de wederpartij te worden toegezonden.

Indien een partij verhinderd is op de hieronder vermelde datum, dient deze dat binnen twee weken na uitspraak van dit vonnis bij brief te melden aan de griffie van de rechtbank (sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam) en daarbij opgave te doen van de verhinderdata van beide partijen voor de komende drie maanden.

4 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

beveelt partijen, eiser in persoon en gedaagde deugdelijk vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is, vergezeld door hun raadslieden te verschijnen in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. C. Bouwman, op maandag 31 maart 2007 van 13.30 tot 15.30 uur teneinde een schikking te beproeven en tot het geven van inlichtingen;

beveelt dat partijen de hiervoor bedoelde bescheiden uiterlijk vier weken vóór de zitting aan de rechtbank (sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam) en aan de wederpartij zullen toezenden.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman.

Uitgesproken in het openbaar.

1729