Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC6326

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-02-2008
Datum publicatie
12-03-2008
Zaaknummer
289322 / HA ZA 07-1938
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzekeringsrecht; inbraakclausule; verval dekking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 289322 / HA ZA 07-1938

Uitspraak: 13 februari 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres],

gevestigd te Leiden,

eiseres,

procureur mr. O.E. Meijer,

advocaat mr. G.R. van der Plas te Katwijk,

- tegen -

de naamloze vennootschap

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

procureur mr. W.J. Hengeveld,

advocaat mr. D.J. van der Kolk te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiseres]" respectievelijk "Allianz".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 25 juli 2007, met producties;

conclusie van antwoord, met producties;

tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 3 oktober 2007, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- fax d.d. 28 december 2007 van mr. Van der Plas, voornoemd, met producties;

proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 11 januari 2008.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voorzover van belang – het volgende vast:

2.1 In de periode gelegen tussen zaterdag 24 december 2005 te 19.00 uur en maandag 26 december 2005 te 11.30 uur is een ruit in het bedrijfspand van [eiseres] aan de Harteveltweg te Leiden vernield. Tevens zijn in diezelfde periode een aantal computers en beeldschermen alsmede een weegterminal met bijbehorende monitor gestolen. Op zondag 25 december 2005 heeft de directeur van [eiseres] aan het eind van de middag een bezoek gebracht aan het bedrijfspand en bij die gelegenheid geconstateerd dat een ruit van de kantine met een stoeptegel was ingegooid. Daarop heeft hij het hele pand geïnspecteerd. Alvorens huiswaarts te keren, heeft hij een vrachtauto zo dicht mogelijk langs de gevel van het pand vóór de kapotte ruit geparkeerd ter bereddering van het pand en, vervolgens, het alarm ingeschakeld.

2.2 De totale schade bedraagt € 7.220,12 exclusief BTW.

2.3 Namens [eiseres] is op maandag 26 december 2005 bij de regiopolitie Hollands-Midden aangifte gedaan van inbraak.

2.4 [eiseres] had ten tijde van de vernieling van de ruit en de diefstal voor haar bedrijfspand bij Allianz een bedrijfsuitrusting- en goederenverzekering onder polisnummer SF 003339611 (hierna: de verzekering) gesloten. De BRA220-clausule (hierna: de inbraakclausule) maakt onderdeel uit van de verzekering. Deze clausule luidt:

“(Inbraak-garantie)

De verzekering geschiedt onder de uitdrukkelijke voorwaarden dat:

- het risico is beveiligd door een inbraaksignaleringsinstallatie, waarvoor verzekerde bij de installateur een controle-abonnement heeft voor tenminste 1 controle per jaar;

- verzekerde de installatie dagelijks op zijn goede werking controleert en deze dagelijks juist inschakelt;

- verzekerde terstond de installateur waarschuwt, zodra de installatie niet naar behoren functioneert en het gebouw, totdat het herstel voltooid is, inwendig doet bewaken;

- verzekerde elke wijziging aan het risico, die van invloed is op het beveiligingsgebied van de inbraaksignaleringsinstallatie tevoren aan de verzekeraar meedeelt, opdat de installatie tijdig kan worden aangepast.

(…)

Indien bij schade blijkt, dat aan een of meerdere van deze voorwaarden niet is voldaan, vervalt elk recht op schadevergoeding, tenzij verzekerde aannemelijk maakt dat de schade daardoor niet is veroorzaakt noch is vergroot.”

Op de verzekering zijn de verzekeringsvoorwaarden BRU03 van toepassing. Artikel 5 daarvan luidt – voor zover hier van belang:

“5.1 Verplichtingen in geval van schade

Zodra de verzekerde op de hoogte is of redelijkerwijs kon zijn van een gebeurtenis, die voor verzekeraars tot een uitkeringsverplichting kan leiden, dient hij:

alle van belang zijnde gegevens waarheidsgetrouw en ten spoedigste schriftelijk aan verzekeraars mee te delen. Deze gegevens zullen dienen tot vaststelling van de oorzaak, toedracht en omvang van de schade en van het recht op uitkering;

in geval van inbraak of poging daartoe en vandalisme na inbraak de politie daarvan ten spoedigste kennis te geven; (…)

5.1.4 zijn volle medewerking aan verzekeraars te verlenen en alles na te laten, waardoor verzekeraars in een redelijk belang kunnen worden geschaad.

Indien enige verplichting niet is nagekomen en de belangen van de maatschappij zijn geschaad, vervalt elk recht uit hoofde van deze verzekering.

(…)”

2.5 De verzekering kent een eigen risico van € 1.130,= per gebeurtenis, behalve voor schade door brand, ontploffing, blikseminslag en luchtvaartuigen.

3 De vordering

De vordering luidt (na vermindering ter comparitie van partijen) - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Allianz te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van € 6.090,12, met rente en kosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiseres] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 [eiseres] heeft schade geleden door een diefstal c.q. inbraak in de periode gelegen tussen 24 december 2005 te 19.00 uur en 25 december 2005 te 18.00 uur. Dit is een door de verzekering gedekt risico. Allianz is om die reden gehouden de schade van [eiseres] te vergoeden.

3.2 De wettelijke rente wordt gevorderd over het schadebedrag vanaf 30 mei 2006, de datum waarop Allianz heeft laten weten niet tot uitkering van schade over te gaan. Subsidiair stelt [eiseres] dat wettelijke rente verschuldigd is vanaf 29 november 2006, de datum van de eerste sommatiebrief van [eiseres] aan Allianz, en, meer subsidiair, vanaf datum dagvaarding.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiseres] in de kosten van het geding en nakosten, steeds met rente.

Allianz heeft daartoe onder meer het volgende aangevoerd:

4.1 Inbraak is weliswaar een verzekerd evenement bij onderhavige verzekering, maar gelet op de omstandigheden van het geval hoeft Allianz geen dekking te verlenen.

4.2 [eiseres] heeft niet voldaan aan de tweede voorwaarde van de inbraakclausule. Uit het onderzoek na de melding van de inbraak door Cunningham Lindsey Nederland B.V., verricht op 28 december 2005, blijkt dat de alarminstallatie ten tijde van de vernieling van de ruit en de diefstal niet ingeschakeld was. Bovendien is het alarm toen niet afgegaan. Dientengevolge is het recht op schadevergoeding voor [eiseres] komen te vervallen.

Het beroep van [eiseres] op de tenzij-bepaling in de inbraakclausule kan niet slagen.

Er is geen bewijs voor de stelling dat sprake is van een snelkraak. Het is zelfs mogelijk dat de diefstal niet direct na het ingooien van de ruit is gepleegd, maar op een later tijdstip. Geenszins staat vast dat de gevorderde schade niet is veroorzaakt als gevolg van het feit dat het alarm niet was ingeschakeld.

4.3 [eiseres] heeft bovendien niet voldaan aan de voorwaarden in de artikelen 5.1.1 en 5.1.2 juncto 5.1.4 van de BRU03 voorwaarden. Op grond daarvan was [eiseres] verplicht zowel Allianz als de politie ten spoedigste op de hoogte te stellen van de inbraak. [eiseres] heeft dit niet gedaan. Allianz is daardoor in haar belangen geschaad. Op grond daarvan vervalt voor [eiseres] het recht op uitkering onder de verzekering.

4.4 Allianz betwist de ingangsdatum van 30 mei 2006 voor wat betreft de door [eiseres] gevorderde wettelijke rente. Wettelijke rente is verschuldigd vanaf de datum van dagvaarding. Subsidiair stelt Allianz zich op het standpunt dat – uitgaande van de sommatie van 29 november 2006 – wettelijke rente verschuldigd is vanaf 14 december 2006.

5 De beoordeling

5.1 Tussen partijen is in geschil of de door [eiseres] als gevolg van de vernieling van de ruit en de diefstal geleden schade is gedekt door de verzekering. Op grond van de polisvoorwaarden is inbraak een verzekerd evenement. Blijkens de inbraakclausule is er dekking, (onder meer) – voor zover hier aan de orde – op voorwaarde dat de alarminstallatie dagelijks op juiste wijze wordt ingeschakeld. Allianz betwist dat het alarm ten tijde van de vernieling van de ruit resp. diefstal was ingeschakeld. De bewijslast voor de stelling dat het alarm op juiste wijze was ingeschakeld, rust op de voet van artikel 150 Rv op [eiseres]. [eiseres] heeft ter comparitie evenwel uitdrukkelijk te kennen gegeven in het midden te willen laten of het alarm ten tijde van de inbraak was ingeschakeld door geen bewijsaanbod te doen op dit punt en, in plaats daarvan, bewijs aan te bieden ten aanzien van het bepaalde in de tenzij-bepaling in de inbraakclausule.

5.2 Blijkens de tenzij-bepaling in de inbraakclausule vervalt elk recht op schadevergoeding, indien aan een of meer van de voorwaarden in de inbraakclausule niet is voldaan, tenzij verzekerde, i.c. [eiseres], aannemelijk maakt dat de schade als gevolg van de inbraak niet is veroorzaakt noch vergroot door het ontbreken van een ingeschakeld alarm.

[eiseres] beroept zich op deze clausule en heeft daartoe aangevoerd dat er sprake moet zijn geweest van een snelkraak, zodat ook bij een ingeschakeld alarm de schade niet voorkomen had kunnen worden. Het protocol bij het afgaan van het alarm is zo, dat Alert Services B.V. [eiseres] telefonisch informeert over het alarm, waarna de directeur van [eiseres] poolshoogte gaat nemen. Diens reistijd naar het bedrijfspand bedraagt ongeveer twintig minuten. Aanwijzingen voor een snelkraak zijn volgens [eiseres] gelegen in de vernieling van precies de ruit met de beveiligingssticker erop, het doorknippen van kabels en snoeren op zodanige wijze dat de gestolen apparatuur zonder reparatie onbruikbaar is, de in het pand aangetroffen “rensporen” en het feit dat de waardevollere spullen, zoals een server ter waarde van ongeveer € 50.000,=, niet zijn meegenomen. Bovendien heeft de directeur van [eiseres], nadat hij op 25 december 2005 de vernielde ruit en de diefstal van onder andere de beeldschermen had ontdekt, maatregelen genomen om te voorkomen dat het pand nogmaals door onbevoegden zou worden betreden. Hij parkeerde een vrachtauto voor de kapotte ruit zo dicht mogelijk tegen de gevel aan en schakelde, bij het verlaten van het pand, het alarm in. Omdat het alarm nadien niet is afgegaan, stelt [eiseres] dat de diefstal vóór dat moment moet zijn gepleegd. Allianz heeft deze gang van zaken gemotiveerd betwist. Krachtens artikel 150 Rv rust de bewijslast van voormelde feiten op [eiseres]. Zij zal tot dit bewijs worden toegelaten.

Allianz heeft ter gelegenheid van de comparitie nog wel gesteld dat zelfs indien [eiseres] slaagt in het haar op te dragen bewijs, Allianz geen dekking hoeft te verlenen aan [eiseres], maar de rechtbank kan Allianz hierin niet volgen. Allianz heeft ter comparitie weliswaar aangevoerd dat de tenzij-bepaling op andere risico’s ziet dan die waar de inbraakclausule bescherming tegen biedt, zoals bijvoorbeeld waterschade, althans in elk geval niet de schade zoals die zich bij [eiseres] heeft geopenbaard, maar zij geeft niet aan waarop zij dat standpunt baseert, terwijl daarvoor in de tekst van de inbraakclausule (of elders in de voorwaarden) ook geen steun te vinden is. Integendeel, de omstandigheid dat de tenzij-bepaling is opgenomen direct ná de voorschriften die geacht moeten worden het risico op inbraak (en niet op andersoortige evenementen) te voorkomen, duidt erop dat niet beoogd is inbraakschade uit te sluiten. In elk geval behoefde verzekerde deze bepaling in redelijkheid zo niet te begrijpen. Dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat, indien [eiseres] slaagt in het haar op te dragen bewijs, de schade als gevolg van de inbraak door de verzekering is gedekt. Allianz heeft geen feiten en omstandigheden gesteld, die nopen tot een ander oordeel.

5.3 De rechtbank merkt hierbij – mede gelet op het beroep van Allianz op de artikelen 5.1.1. en 5.1.2 juncto 5.1.4 van de BRU03 voorwaarden – nu reeds het volgende op.

Ter comparitie heeft Allianz verklaard dat [eiseres] haar tijdig heeft geïnformeerd over de inbraak en daarmee heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 5.1.1, zodat verdere bespreking daarvan achterwege kan blijven.

Artikel 5.1.2 bepaalt dat [eiseres] na een inbraak of poging daartoe de politie daarvan ten spoedigste kennis moet geven. Ingevolge artikel 5.1.4 vervalt het recht op dekking, indien daaraan niet is voldaan en de belangen van Allianz zijn geschaad.

Ter comparitie heeft (de advocaat van) Allianz daarop als toelichting gegeven, dat met ten spoedigste is bedoeld: zodra de inbraak of poging daartoe is geconstateerd, en wel telefonisch. De ratio van deze bepaling is dat zo spoedig mogelijk na een inbraak of poging daartoe maatregelen worden genomen ter bereddering van het pand; Allianz betwist dat dergelijke maatregelen direct na het constateren van de vernielde ruit door [eiseres] zijn genomen en betoogt dat, dientengevolge, de diefstal ook zou hebben kunnen plaatsvinden op een tijdstip gelegen tussen zondag 25 december 2005 te 17.40 uur en maandag 26 december 2005 te 11.30 uur.

Volgens de rapportage van Alert Services B.V. is het alarm op 25 december 2005 om 17.40 uur ingeschakeld, hetgeen niet door Allianz is betwist. Voorts staat als onbetwist vast dat het alarm nadien niet is afgegaan. [eiseres] heeft verder betoogd dat het alarm ook met een kapotte ruit in werking gezet kan worden en voorts dat het alarm zodanig werkt, dat het bij een diefstal als onderhavige, waarbij het pand door een of meerdere personen wordt doorkruist, wel moet afgaan. Ook dit is door Allianz niet betwist. Dit samenstel van feiten rechtvaardigt voorshands de conclusie dat niet aannemelijk is dat de diefstal nog na 17.40 uur op 25 december 2005 heeft plaatsgevonden.

Indien voorts komt vast te staan dat de vernieling van de ruit en de diefstal vlak na elkaar hebben plaatsgevonden, dan slaagt [eiseres] in het haar op te dragen bewijs. Die feiten, zo bewezen, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de conclusie dragen dat aannemelijk is dat de schade als gevolg van de inbraak niet is veroorzaakt noch vergroot door het feit dat de alarminstallatie niet ingeschakeld was.

[eiseres] heeft dan ook voldaan aan de ratio van het bepaalde in artikel 5.1.2. Immers, het feit dat de politie pas op 26 december 2005 op de hoogte is gesteld van de inbraak (en niet direct nadat de kapotte ruit was geconstateerd) had geen wijziging gebracht in de feitelijke gang van zaken na 17.40 uur op 25 december 2005.

[eiseres] kan dan met succes een beroep kan doen op de tenzij-bepaling in de inbraakclausule en Allianz zal dientengevolge gehouden zijn aan [eiseres] voor de onderhavige schade dekking te verlenen onder de verzekering.

5.4 Indien [eiseres] niet slaagt in het haar op te dragen bewijs, ligt haar vordering voor afwijzing gereed.

[eiseres] heeft zich in dit verband nog beroepen op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid, omdat Allianz stelt geen dekking te hoeven verlenen bij het enkel niet nakomen door [eiseres] van de in de inbraakclausule opgenomen voorwaarden. Blijkens de inbraakclausule vervalt het recht op schadevergoeding, indien bij schade blijkt dat een of meer verplichtingen uit de clausule niet zijn nagekomen. Dat neemt evenwel niet weg dat zich gevallen kunnen voordoen waarin een beroep op de clausule in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht. Daarbij kan worden gedacht aan het geval waarin onvoldoende verband bestaat tussen het niet-naleven van de in de clausule omschreven verplichtingen en het risico zoals dit zich heeft verwezenlijkt (vergelijk HR 19 mei 1995, NJ 1995, 498). Hiervan zal in een situatie als de onderhavige sprake kunnen zijn, indien [eiseres] stelt en bewijst dat het niet naleven van haar verplichtingen onder de inbraakclausule (i.c. het inschakelen van het alarm) niet de oorzaak kan zijn geweest van de schade als gevolg van de inbraak en evenmin dat de schade daardoor is vergroot.

Het thans aan [eiseres] op te dragen bewijs heeft dezelfde strekking. Als [eiseres] daarin niet slaagt, is daarmee dus ook gegeven dat het beroep op de clausule niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het stond de verzekeraar vrij een dergelijke clausule inhoudende een maatregel waarvan zeker mag worden verwacht dat zij de kans op schade door inbraak verkleint, op te nemen als dekkingsvoorwaarde. Als [eiseres] bedoeld bewijs niet levert, is gegeven dat haar niet-naleven van die clausule de schade heeft veroorzaakt of verergerd. Verzekeraar heeft in die omstandigheden een redelijk belang bij een beroep daarop.

5.5 De over het schadebedrag gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf de dag dat Allianz in verzuim is met de betaling daarvan. Derhalve zal te zijner tijd de wettelijke rente worden toegewezen vanaf 30 mei 2006, de datum waarop op de voet van artikel 6:83 sub c BW het verzuim van Allianz intrad.

5.6 Tenslotte heeft Allianz de rechtbank een bevelschrift inzake nakosten verzocht. De rechtbank is van oordeel dat de regeling van artikel 237 lid 4 Rv ziet op proceskosten die ten tijde van vonniswijzing niet bepaald kunnen worden, omdat niet bekend is welke incassowerkzaamheden verricht dienen te worden. Nakosten zijn immers kosten die gemoeid zijn met de pogingen van de winnende partij om in der minne, dus zonder executiemaatregelen, betaling van het haar toegewezen bedrag te verkrijgen. Daarvan is vooralsnog geen sprake. De vordering terzake van deze kosten zal te zijner tijd als prematuur en derhalve ongegrond worden afgewezen.

6 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

draagt [eiseres] op het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat aannemelijk is dat de schade als gevolg van de inbraak niet is veroorzaakt noch vergroot door het feit dat de alarminstallatie niet ingeschakeld was;

bepaalt dat indien [eiseres] dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. H.W. Vogels op vrijdag 14 maart 2008 van 13.30 tot 16.30 uur;

bepaalt dat het vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd;

bepaalt dat de procureur van [eiseres] binnen twee weken na vonnisdatum aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - opgave moet doen van de voor te brengen getuigen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W. Vogels.

Uitgesproken in het openbaar.

1954/106