Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC6229

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
11-03-2008
Zaaknummer
276676 / HA ZA 07-177
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzekeringsrecht; uitleg polisvoorwaarden; boetevrije aflossing; berekeningswijze boetevrije aflossing; schadestaatprocedure

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 276676 / HA ZA 07-177

Uitspraak: 13 februari 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

1. [eiser sub 1],

2. [eiser sub 2],

beiden wonende te Dongen,

eisers,

procureur mr. J.C. Moree,

advocaat mr. F.E. Kerkvliet te Zoetermeer,

- tegen -

de naamloze vennootschap

NATIONALE-NEDERLANDEN LEVENSVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

procureur mr. H.D.M. Mulder,

advocaten mr. Ph.H.J.G. van Huizen en mr. W.E. Boonk te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eisers]" respectievelijk "Nationale Nederlanden".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 9 januari 2007, met producties;

- conclusie van antwoord, met productie;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 23 mei 2007, waarbij een comparitie van partijen

is gelast;

- (gewijzigd) proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 17 oktober 2007.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 [eisers] heeft sedert 1996 met Nationale Nederlanden diverse (hypothecaire) geldleningen afgesloten. Tevens heeft [eisers] bij Nationale Nederlanden een levensverzekering lopen, die aan Nationale Nederlanden is verpand. Per 6 september 2005 worden de geldleningen – vanwege oversluiting – vervroegd afgelost. In verband daarmee wordt de levensverzekering tussentijds beëindigd.

2.2 De hypothecaire geldlening met nummer 102373072L01 (hierna: L01) ziet op een bedrag van € 65.162,84. De relevante nog resterende rentevastperiode is 129 maanden.

Het rentepercentage bedraagt 6,8%. De lening is aflossingsvrij. De relevante marktrente bedraagt 4,7%.

2.3 De hypothecaire geldlening met nummer 102373072L03 (hierna: L03) ziet op een bedrag van € 11.344,51. De relevante nog resterende rentevastperiode is 69 maanden.

Het rentepercentage bedraagt 5,9%. De relevante marktrente bedraagt 4%.

2.4 De levensverzekering is bekend onder polisnummer 9221381. De levensverzekering vangt aan per 1 maart 1996 en loopt op 1 maart 2016 af. Indien [eisers] dan nog in leven is, keert de polis een bedrag van NLG 92.695,00 (€ 42.063,16) uit. Bij voortijdig overlijden wordt de som van de betaalde premie uitgekeerd. Op de levensverzekering zijn van toepassing de polisvoorwaarden 17/04/1989 (hierna: polisvoorwaarden). De afkoopwaarde van de levensverzekering bedraagt op het moment van tussentijdse beëindiging € 28.377,43.

2.5 Artikel 6 van de op L01 betrekking hebbende hypotheekakte d.d. 8 juli 1996 (hierna: hypotheekakte) luidt:

“Geen vergoeding

In de volgende gevallen is over het bedrag van de vervroegde aflossing geen vergoeding verschuldigd:

(…)

d. indien de vervroegde aflossing wordt gedaan uit een uitkering op grond van een overeenkomst van levensverzekering waarvoor de schuldeiseres als begunstigde is aangewezen;”

2.6 Artikel 5 van de op L03 betrekking hebbende onderhandse akte d.d. 31 mei 2001 (hierna: onderhandse akte) luidt:

“Geen vergoeding verschuldigd

In de volgende gevallen is over het bedrag van de vervroegde aflossing geen vergoeding verschuldigd:

(…)

d. indien de aflossing wordt gedaan uit een uitkering op grond van een overeenkomst van levensverzekering waarvoor de schuldeiseres als begunstigde is aangewezen;”

2.7 De polisvoorwaarden luiden:

“Opzegging, afkoop en premievrijmaking

Artikel 14

3. De afkoopwaarde wordt (…) aan de verzekeringnemer uitgekeerd (…).

(…)

5. Indien enige premievrij verzekerde uitkering lager is dan de Maatschappij te eniger tijd aanvaardbaar acht, behoudt zij zich voor de verzekering of een deel daarvan af te kopen (…). (…)

Begunstiging

(…)

Artikel 18

1. Het uit hoofde van de verzekering door de Maatschappij verschuldigde zal worden uitgekeerd aan de daarvoor in de polis vermelde begunstigde.”

2.8 Op de polis staat vermeld:

“Verzekeringnemer : [eiser sub 1]

Verzekerde(n) : DEZELFDE

Begunstigde(n) : 1. DE VERZEKERINGNEMER”

2.9 In artikel 11 van de ‘Gedragscode Hypothecaire Financieringen (1 januari 2007)’ (hierna: gedragscode) is bepaald dat bij vervroegde algehele aflossing van een hypothecaire financiering “ingeval van overlijden van de consument geen vergoeding in rekening zal worden gebracht indien de aflossing plaatsvindt uit een uitkering, die gedaan wordt in verband met dat overlijden”.

2.10 In artikel 4 van de hypotheekakte is bepaald dat “het rentenadeel gelijk [is] aan de contante waarde van het verschil tussen de leningsrente en de marktrente, berekend tot en met de einddatum van het desbetreffende leningdeel of indien dat eerder is tot en met de datum waarop voor het desbetreffende leningdeel renteherziening mogelijk is”.

2.11 In artikel 6.1 van de onderhandse akte is bepaald dat “indien de leningsrente hoger is dan marktrente, de vergoeding gelijk [is] aan de contante waarde van het verschil tussen de leningsrente en de marktrente” en dat “de contante waarde wordt berekend over het vervroegd afgeloste bedrag nadat daarop in mindering is gebracht het bedrag waarover geen vergoeding verschuldigd is”.

2.12 Nationale Nederlanden heeft aan [eisers] een bedrag van in totaal € 11.422,33 aan boeterente in rekening gebracht:

L01 € 10.429,48

L03 € 992,85

2.13 Bij brief van 1 mei 2006 heeft [eisers] Nationale Nederlanden gesommeerd om binnen 21 dagen hetgeen zij te veel aan boeterente heeft ontvangen, te restitueren.

3 De vordering

De vordering luidt om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair

Nationale Nederlanden te veroordelen om aan [eisers] tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van € 6.408,80, althans Nationale Nederlanden te veroordelen tot een nader door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 september 2005, althans vanaf 22 mei 2006, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening en met veroordeling van Nationale Nederlanden in de kosten van het geding;

subsidiair

Nationale Nederlanden te veroordelen om aan [eisers] tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van € 2.539,76, althans Nationale Nederlanden te veroordelen tot een nader door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 september 2005, althans vanaf 22 mei 2006, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening en met veroordeling van Nationale Nederlanden in de kosten van het geding;

meer subsidiair

te verklaren voor recht dat de som waarover de boeterente moet worden berekend

€ 30.269,13 bedraagt, alsmede voor de vaststelling van de dientengevolge door [eisers] aan Nationale Nederlanden te betalen boeterente dit geschil te verwijzen naar de schadestaatprocedure, met veroordeling van Nationale Nederlanden in de kosten van het geding.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eisers] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 Nationale Nederlanden heeft [eisers] een te hoog bedrag aan boeterente in rekening gebracht. Hetgeen Nationale Nederlanden te veel aan boeterente heeft ontvangen, moet als onverschuldigd betaald worden gerestitueerd.

3.2 Een uitkering in geval van afkoop van de levensverzekering is als ‘uitkering van de levensverzekering’ te kwalificeren (vide artikel 14 lid 3 van de polisvoorwaarden) en moet mitsdien in mindering worden gebracht op het bedrag waarover boeterente verschuldigd is (vide artikel 6 sub d van de hypotheekakte en artikel 5 sub d van de onderhandse akte).

3.3 Doordat de levensverzekering aan Nationale Nederlanden is verpand, is Nationale Nederlanden gerechtigd op een uitkering van die verzekering. Een redelijke uitleg van artikel 6 sub d van de hypotheekakte en artikel 5 sub d van de onderhandse akte brengt met zich dat Nationale Nederlanden als begunstigde heeft te gelden.

3.4 De hypotheekakte, onderhandse akte en polisvoorwaarden moeten ingevolge artikel 6:238 lid 2 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in het voordeel van [eisers] worden uitgelegd.

3.5 Bij de berekening van de boeterente moet de waarde van het verschil tussen de leningsrente en de marktrente in één keer, te weten op de respectieve einddata van de geldleningen, contant gemaakt worden (vide artikel 4 van de hypotheekakte en artikel 6.1 van de onderhandse akte, waarin in enkelvoud over de contante waarde wordt gesproken).

3.6 Nationale Nederlanden is wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment dat [eisers] het te veel aan boeterente onverschuldigd heeft voldaan, te weten vanaf 6 september 2005. Subsidiair is Nationale Nederlanden wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum dat zij in verzuim verkeert, te weten vanaf 22 mei 2006 (vide de brief d.d. 1 mei 2006).

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eisers] in de kosten van het geding.

Nationale Nederlanden heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 Zowel het bedrag waarover als de methode waarop de boeterente is berekend, zijn conform hetgeen partijen zijn overeengekomen. Van onverschuldigde betaling is dan ook geen sprake.

4.2 Betwist wordt dat de afkoopwaarde van de levensverzekering als boetevrije aflossing kan worden aangewend. De polisvoorwaarden maken uitdrukkelijk onderscheid tussen afkoop (artikel 14 lid 5) en verzekerde uitkering (artikel 18). Dat – in tegenstelling tot de verzekerde uitkering – de afkoopwaarde van de verzekering niet als boetevrije aflossing kan worden aangewend, is in overeenstemming met de gedragscode (artikel 11).

4.3 Van een uitkering van de levensverzekering aan Nationale Nederlanden als begunstigde is geen sprake. De afkoopwaarde van de verzekering komt toe aan de verzekeringnemer, met dien verstande dat Nationale Nederlanden als pandhouder inningsbevoegd is en in die hoedanigheid het af te lossen bedrag met de afkoopwaarde kan verrekenen.

4.4 De hypotheekakte, onderhandse akte en polisvoorwaarden zijn duidelijk en niet voor meer dan één uitleg vatbaar, zodat van een uitleg contra proferentem (ex artikel 6:238 lid 2 BW) geen sprake kan zijn.

4.5 [eisers] gaat bij de berekening van de boeterente ten onrechte uit van de benadering dat het bedrag aan gemiste rente pas op de respectieve einddata van de geldleningen verschuldigd wordt. Aangezien de rente over de respectieve hoofdsommen maandelijks verschuldigd is, moet iedere gemiste rentetermijn afzonderlijk contant gemaakt worden.

Dit doet ook recht aan de werkelijke door Nationale Nederlanden als gevolg van de vervroegde aflossing geleden schade.

5 De beoordeling

5.1 Partijen twisten over (1) het bedrag waarover en (2) de methode waarop de boeterente moet worden berekend.

(1) Het bedrag waarover de boeterente moet worden berekend

5.2 Of de afkoopwaarde van de levensverzekering als boetevrije aflossing kan worden aangewend – naar [eisers] heeft gesteld en Nationale Nederlanden gemotiveerd heeft weersproken – moet worden bepaald door uitleg van de (van belang zijnde) bepalingen in de hypotheekakte, de onderhandse akte en de polisvoorwaarden. Uitgangspunt daarbij is dat het aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zijn te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij is de tekst van de bepalingen van belang, maar niet doorslaggevend. Bij een consumentenovereenkomst, waarvan in dit geval sprake is, geldt het bepaalde in artikel 6:238 lid 2 BW, te weten dat bedingen duidelijk en begrijpelijk moeten worden opgesteld en dat bij twijfel over de betekenis van een beding, de voor de wederpartij, in dit geval [eisers], gunstigste uitleg prevaleert.

5.3 Artikel 6 sub d van de hypotheekakte en artikel 5 sub d van de onderhandse akte bepalen dat over het bedrag van de vervroegde aflossing geen vergoeding verschuldigd is, indien de (vervroegde) aflossing wordt gedaan uit een uitkering op grond van een overeenkomst van levensverzekering waarvoor de schuldeiseres als begunstigde is aangewezen. Daarbij is niet het (expliciete) voorbehoud gemaakt dat het moet gaan om een uitkering in geval van overlijden of een uitkering in geval van het bereiken van het einde van de verzekering. Vastgesteld moet dan ook worden dat de uitsluiting waarop Nationale Nederlanden zich beroept – te weten dat een uitkering in geval van afkoop van de verzekering niet als boetevrije aflossing kan worden aangewend – niet in deze artikelen is vermeld. De lezer van die artikelen zal dan ook niet zonder meer bedacht (hoeven te) zijn op die “verborgen” uitsluiting. Het lag op de weg van Nationale Nederlanden, als opsteller van deze bepalingen, om, als zij een uitkering in geval van afkoop van de verzekering niet onder voormelde artikelen had willen laten vallen, dit op duidelijke wijze te stipuleren. Immers, enkel uit het woordgebruik van voormelde bepalingen kon [eisers] niet afleiden dat een uitkering in geval van afkoop van de verzekering niet als boetevrije aflossing zou kunnen worden aangewend. Zulks laat zich evenmin afleiden uit de artikelen 14 en 18 van de polisvoorwaarden. Dit geldt te meer nu artikel 14 lid 3 van de polisvoorwaarden uitdrukkelijk spreekt over ‘het uitkeren’ van de afkoopwaarde van de verzekering. Het betreft in dit geval een verzekering die is gekoppeld aan een hypothecaire geldlening en het overlijden van de verzekeringnemer (in dit geval eiser sub 1) als verzekerd risico heeft. De verpanding van die verzekering strekt tot verhaal op de uitkering daaruit ter zekerheid van de aflossing van de geldlening. Aan deze strekking wordt geen recht gedaan indien die uitkering niet (uiteindelijk) aan de pandhouder toekomt. Als niet weersproken staat vast dat de afkoopwaarde van de verzekering in eerste instantie toekomt aan eiser sub 1 als verzekeringnemer. Voorts staat vast dat eiser sub 1 op de polis als eerste begunstigde is opgenomen (r.o. 2.8). Als niet weersproken staat ten slotte vast dat eiser sub 1 zijn rechten als eerste begunstigde aan Nationale Nederlanden heeft verpand. Hieruit volgt dat de afkoopwaarde van de verzekering (uiteindelijk) aan Nationale Nederlanden – als ‘afgeleide’ begunstigde – toekomt.

5.4 Op grond van voormelde omstandigheden, beschouwd in het licht van de in rechtsoverweging 5.2 genoemde uitgangspunten, komt de rechtbank tot het oordeel dat [eisers] redelijkerwijze aan artikel 6 sub d van de hypotheekakte en artikel 5 sub d van de onderhandse akte de betekenis heeft mogen geven dat de afkoopwaarde van de levensverzekering als boetevrije aflossing kan worden aangewend en dat Nationale Nederlanden er redelijkerwijs rekening mee heeft moeten houden dat [eisers] die artikelen in deze zin zou begrijpen. Aan dit oordeel kan niet afdoen – indien en voor zover al juist – dat eiser sub 1 vanwege zijn functie als ‘hoofd binnendienst’ als meer dan een gewone “consument” moet worden gekwalificeerd en bovendien heeft nagelaten te informeren naar de betekenis van voormelde artikelen. [eisers] had – in zijn visie dat ingevolge voormelde artikelen de afkoopwaarde van de verzekering als boetevrije aflossing kan worden aangewend – geen aanleiding om te onderzoeken of die artikelen misschien iets anders zouden kunnen betekenen. Het lag veeleer op de weg van Nationale Nederlanden om [eisers] te informeren dat een uitkering in geval van afkoop van de verzekering niet als boetevrije aflossing zou kunnen worden aangewend. Dat Nationale Nederlanden dit heeft nagelaten, komt voor haar rekening en risico.

5.5 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de som waarover [eisers] boeterente verschuldigd is, dient te worden verminderd met een bedrag van € 28.377,24, zijnde de afkoopwaarde van de verzekering. Tussen partijen is niet in geschil dat dit bedrag in mindering moet strekken op L01. De levensverzekering is daaraan ook gekoppeld. Mitsdien bedraagt het bedrag waarover de boeterente van L01 moet worden berekend een bedrag van € 30.269,13.

(2) De methode waarop de boeterente moet worden berekend

5.6 De methode waarop de boeterente moet worden berekend is neergelegd in artikel 4 van de hypotheekakte en artikel 6.1 van de onderhandse akte. Tussen partijen is niet in geschil dat de ‘contante waarde’ waarover in die artikelen wordt gesproken, berekend moet worden volgens de formule K*(1+P/12)^N=E, waarbij:

K = constante waarde

E = eindkapitaal

P = marktrente

N = aantal maanden

5.7 Als niet weersproken staat vast dat de rente over L01 en L03 maandelijks is verschuldigd en niet pas aan het einde van de looptijd. Aldus loopt Nationale Nederlanden door de vervroegde aflossing van die geldleningen per maand rentebetalingen mis. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het dan ook in de rede de boeterente te berekenen overeenkomstig de door Nationale Nederlanden gehanteerde methode, te weten naar de contante waarde van elk bedrag aan gemiste rente naar het moment waarop Nationale Nederlanden deze zou hebben ontvangen indien geen vervroegde aflossing zou hebben plaatsgevonden. Zulks laat zich ook reeds begrijpen uit – en vindt steun in – de tekst van artikel 4 van de hypotheekakte, die luidt: “berekend tot en met de einddatum”. Daarbij komt dat als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken vast staat dat deze methode van berekenen conform de praktijk bij banken is.

5.8 Dat artikel 4 van de hypotheekakte en artikel 6.1 van de onderhandse akte uitsluitend in enkelvoud spreken over ‘de contante waarde’ doet aan het voorgaande niet af, aangezien dit geen betrekking heeft op de vraag op basis van welke methode de boeterente berekend moet worden. In voormelde artikelen wordt immers slechts geconstateerd dat de boeterente gelijk is aan de contante waarde en dat voor de berekening daarvan moet worden gekeken naar meer dan één toekomstige rentetermijn.

5.9 Nu [eisers] overigens geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die de conclusie zouden kunnen wettigen dat de boeterente niettemin moet worden berekend overeenkomstig de door hem betoogde methode, leidt het voorgaande tot de slotsom dat Nationale Nederlanden een juiste methode heeft gehanteerd bij het berekenen van de boeterente.

Verwijzing naar de schadestaatprocedure

5.10 [eisers] vordert ten aanzien van de vaststelling van de omvang van hetgeen hij onverschuldigd aan Nationale Nederlanden heeft betaald, verwijzing naar de schadestaatprocedure. Ingevolge artikel 612 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient voor zover dit mogelijk is de schade te worden begroot in het vonnis waarin de veroordeling tot schadevergoeding wordt uitgesproken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen terzake het bedrag waarover en de methode waarop de boeterente moet worden berekend, komt het de rechtbank geraden voor dat (de omvang van) het bedrag dat [eisers] onverschuldigd aan Nationale Nederlanden heeft betaald, zich reeds in deze procedure laat begroten. [eisers] wordt verzocht een zo veel mogelijk van bewijsstukken voorziene specificatie van (de omvang van) dat bedrag over te leggen. De zaak zal daarom naar de rol worden verwezen voor het nemen van een akte aan de zijde van [eisers], waarna Nationale Nederlanden in de gelegenheid zal worden gesteld hierop te reageren.

5.11 Overigens kunnen partijen er vanzelfsprekend voor kiezen om (onder leiding van hun raadslieden) tot onderlinge overeenstemming en buitengerechtelijke afdoening te komen, nu de rechtbank, gelet op het bovenoverwogene, daarvoor alle instrumenten heeft aangereikt.

5.12 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 12 maart 2008 voor het nemen van een akte als bedoeld in rechtsoverweging 5.10, eerst aan de zijde van [eisers].

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Mentink.

Uitgesproken in het openbaar.

801/1581