Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC6226

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
11-03-2008
Zaaknummer
241172 / HA ZA 05-1843
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Handtekening van vrouw onder notariële akte waarin zij haar man algehele volmacht verleent is vals. Met deze volmacht heeft de man hypotheekakte mede namens de vrouw getekend. Bank stelt dat, nu het om notariële verleden volmacht gaat, deze volmacht jegen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 241172 / HA ZA 05-1843

Uitspraak: 30 januari 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de hoofdzaak van:

[eiseres],

wonende te IJmuiden,

eiseres in conventie in de hoofdzaak,

verweerster in voorwaardelijke reconventie in de hoofdzaak

hierna te noemen: “[eiseres]”,

procureur mr. W.L. Stolk,

advocaat mr. P.J. Erdbrink te Amstelveen,

- tegen -

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

QUION HYPOTHEEKBEMIDDELING B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde sub 1 in conventie in de hoofdzaak,

hierna te noemen: “Quion”,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

QUION VII B.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde sub 2 in conventie in de hoofdzaak,

eiseres in voorwaardelijke reconventie in de hoofdzaak,

hierna te noemen “Quion VII”,

procureur mr. S.P.J.F. Zwanen,

advocaat mr. J.L.M. Groenewegen te Utrecht.

met als gevoegde partijen:

1. [gevoegde sub 1],

kantoorhoudende te Voorburg,

hierna te noemen: “[gevoegde sub 1]”,

2. [gevoegde sub 2],

kantoorhoudende te Velsen-Zuid,

hierna te noemen: “[gevoegde sub 2]”,

3. [gevoegde sub 3],

kantoorhoudende te Velsen-Zuid,

hierna te noemen: “[gevoegde sub 3]”,

gevoegde partijen in conventie in de hoofdzaak aan de zijde van Quion c.s.,

procureur mr. W.J. Hengeveld,

advocaat mr. M.F. J. Haak te Amsterdam.

Gedaagden in conventie in de hoofdzaak worden hierna gezamenlijk ook wel aangeduid als “Quion c.s”. Gevoegde partijen worden hierna gezamenlijk ook wel aangeduid als “de notarissen”.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 26 mei 2005 en de door [eiseres] overgelegde producties;

incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, met producties;

incidentele conclusie van antwoord in conventie tevens voorwaardelijke incidentele conclusie van eis in reconventie tot oproeping in vrijwaring, met productie;

akte houdende conclusie van antwoord in het voorwaardelijke vrijwaringsincident in reconventie;

vonnis van deze rechtbank d.d. 14 december 2005, waarbij de incidentele vordering van Quion c.s. tot oproeping in vrijwaring van notarissen is toegestaan en de voorwaardelijke incidentele vordering van [eiseres] tot oproeping in vrijwaring van de notarissen is afgewezen;

conclusie van antwoord in conventie, tegens conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie, met producties;

- conclusie van repliek in conventie met akte vermeerdering van eis, tevens conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie, met producties;

- aanzegging tot voeging ex artikel 214 Rv, tevens conclusie van antwoord van de notarissen, met producties;

- conclusie van repliek in de voegingsprocedure, met producties;

- conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in voorwaardelijke reconventie;

- conclusie van dupliek van de notarissen;

- akte overlegging producties in conventie en voorwaardelijke reconventie, tevens conclusie van dupliek in voorwaardelijke reconventie aan de zijde van [eiseres], met producties;

- akte overlegging producties in de voegingsprocedure aan de zijde van [eiseres], met productie.

2 Het geschil in conventie

De gewijzigde vordering luidt – verkort weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

voor recht te verklaren dat [eiseres] geen schuldenaar is uit de geldleenovereenkomst met Quion c.s. zoals omschreven in de notariële akte d.d. 12 februari 2001, en deze rechtshandeling tussen [eiseres] en Quion c.s. nietig te verklaren, althans te vernietigen;

voor recht te verklaren dat door [eiseres] geen rechtsgeldig hypotheekrecht aan Quion c.s. is verleend zoals omschreven in de notariële akte d.d. 12 februari 2001 en deze rechtshandeling tussen [eiseres] en Quion c.s. nietig te verklaren, althans te vernietigen;

[eiseres] machtiging te verlenen tot het doorhalen van het thans geregistreerde hypotheek- en pandrecht in de openbare registers, en Quion c.s. te veroordelen in de kosten van uitvoering der machtiging ex artikel 3:299 lid 3 BW;

[eiseres] machtiging te verlenen tot het doorhalen van de thans ten laste van [eiseres] geregistreerde betalingsachterstand terzake van de onderhavige hypotheek in het register van het Bureau Krediet Registratie te Tiel, en Quion c.s. te veroordelen in de kosten van uitvoering der machtiging;

Quion c.s. hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding in conventie.

Het verweer van Quion c.s. en de notarissen strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiseres] in de kosten van het geding.

3 Het geschil in voorwaardelijke reconventie

De vordering, welke is ingesteld voor het geval de rechtbank mocht oordelen dat Quion VII geen vordering heeft op [eiseres] uit hoofde van de financiering, noch een rechtsgeldig recht van hypotheek op het woonhuis, luidt – verkort weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [eiseres] te veroordelen aan Quion VII te betalen een bedrag van € 140.444,98, te vermeerderen met rente, met buitengerechtelijke incassokosten ad € 2.450,40 en de kosten van het geding.

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van Quion VII in de kosten van het geding.

4 De beoordeling in de hoofdzaak

In conventie en in voorwaardelijke reconventie

4.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:

[eiseres] is van 24 april 1986 tot 16 december 2004 op huwelijkse voorwaarden, inhoudende een solitair periodiek verrekenbeding, gehuwd geweest met dhr[M.] (hierna: [M.]).

Bij notariële akte van 14 maart 1988 hebben [eiseres] en [M.] een regeling ter zake de eigendom van het woonhuis met ondergrond, tuin en schuur, staande en gelegen aan de [woonhuis] (hierna: het woonhuis), waarvan zij ieder voor de onverdeelde helft eigenaren waren, getroffen en die woning geheel toegedeeld aan [eiseres].

[gevoegde sub 2] heeft op 4 juli 2000 een akte verleden, waarin is vermeld dat [eiseres] volmacht en last heeft gegeven aan [M.] om haar in alle opzichten te vertegenwoordigen en al haar rechten en belangen, zonder enige uitzondering, waar te nemen en uit te oefenen, strekkende de volmacht ook om onroerende zaken te verkrijgen, te vervreemden of te bezwaren (hierna: de volmacht).

Op 12 februari 2001 heeft [gevoegde sub 1] een hypotheekakte verleden, waarin staat vermeld dat [M.], handelend voor zich in privé en als schriftelijk gevolmachtigde van [eiseres], heeft verklaard met Hypotrust VII b.v. (thans Quion VII) een geldlening ter hoogte van fl. 677.000- te zijn aangegaan (hierna: de geldlening). Voorts staat in die akte (hierna: de hypotheekakte) vermeld dat tot zekerheid voor onder andere de betaling van de hoofdsom het recht van eerste hypotheek is verleend op de woning, tot een totaalbedrag ter grootte van fl. 1.015.500,-. In de hypotheekakte is opgenomen dat van het bestaan van de volmachten de notaris genoegzaam is gebleken en dat de volmacht [M.]/[eiseres] is vervat in een op 4 juli 2000 verleden akte.

Op 9 februari 2001 heeft [gevoegde sub 3] de handtekening gelegaliseerd welke geplaatst is onder een toestemmingsverklaring, waarin staat vermeld dat [eiseres] verklaart dat zij haar echtgenoot toestemming als bedoeld in artikel 1:88 BW verleent tot het aangaan van de in de hiervoor vermelde hypotheekakte omschreven rechtshandelingen (hierna: de toestemmingsverklaring). De inhoud van de hypotheekakte is integraal opgenomen in deze toestemmingsverklaring.

De geldlening is onder meer aangewend om een bestaande vordering van de Coöperatieve Rabobank Voorschoten-Wassenaar (verder: de Rabobank) op [eiseres] en [M.] ad € 140.444,98 te voldoen.

In mei 2003 en juni 2003 heeft [eiseres] aangifte gedaan jegens onder andere [M.] ter zake van valsheid in geschrifte en oplichting. Zij heeft daarbij onder meer verklaard dat de handtekening die op 4 juli 2000 ten overstaan van [gevoegde sub 2] onder de volmacht is geplaatst niet door haar is gezet evenmin als de handtekening onder de toestemmingsverklaring.

[M.] heeft op 25 juni 2003 tegenover de politie – voor zover hier van belang – het volgende verklaard:

“(…) In februari 1998 kwam ik in contact met[O.]r [Z.] uit Den Haag. (…) U toont mij een copie van een volmacht genummerd 1a opgemaakt door notaris [gevoegde sub 2] uit Velsen. U vraagt mij hoe deze volmacht is verkregen. Ik nam telefonisch contact op met notaris [gevoegde sub 2] en legde hem uit dat mijn vrouw en ik een volmacht wilden laten opmaken. Ik moet wel zeggen dat mijn vrouw hiervan niet op de hoogte was. Deze volmacht moest inhouden dat mijn vrouw mij machtigde om namens haar op te treden en ook wederzijds. (…) Ik heb de door de notaris opgemaakte volmacht opgehaald. (…) Ik vernam van mijn vrouw dat zij deze volmacht niet wenste te ondertekenen. (…) Op aandringen van [O.] ben ik overstag gegaan om buiten mijn vrouw om de volmacht in orde te brengen. (…) Ik vernam van [O.] dat zijn vrouw wel wilde optreden als mijn vrouw bij notaris [gevoegde sub 2] ter ondertekening van de volmacht. Ik moet hierbij aangeven dat ik reeds in het bezit was van het legitimatiebewijs van mijn vrouw. Voordat wij die dag naar de notaris gingen heeft de vrouw van [O.] zich zodanig opgemaakt dat zij enigszins op mijn vrouw leek. Zij droeg de bril van mijn vrouw. (…) De vrouw van [O.] is genaa[D.]. (…) Op de dag van het ondertekenen van de volmacht bij notaris [gevoegde sub 2] zijn wij op zijn kantoor geweest. (…) De notaris liet ons de volmacht zien en zowel ik als mevrouw [D.] tekende deze volmacht. Mevrouw [D.] tekende onder de naam van [eiseres]. Zij had een voorbeeld van de handtekening van mijn vrouw. (…) De handtekening voorkomende op de volmacht is dus niet geplaatst door mijn vrouw maar door [D.]. (…)

U toont mij een copie van de toestemmingsverklaring onder nummer 5a d.d. 12 februari 2001. Deze toestemmingsverklaring had ik nodig voor het afsluiten van de hypotheek van de woning aan de Eksterlaan zodat de voorgaande hypotheken konden vervallen. Ik heb deze hypotheekverhoging tot 677.000 gulden doen plaatsvinden bij een notaris in Voorburg op aanraden van [O.]. Deze notaris werkte niet per volmacht maar met een toestemmingsverklaring. Deze toestemmingsverklaring is opgemaakt door die notaris en door mij opgehaald ter ondertekening door mijn vrouw. Ik heb deze verklaring thuis kennelijk zelf ondertekend, althans ik heb de handtekening van mijn vrouw onder deze verklaring geplaatst. Vervolgens heb ik deze akte gebracht naar notaris [gevoegde sub 3] in Velsen voor legalisatie van de handtekening. Dat werd in orde bevonden. Ik heb dus ook in deze een valse handtekening geplaatst als zijnde echt en onvervalst. (…)”.

Bij vonnis van de politierechter te Haarlem d.d. 20 december 2006, op tegenspraak gewezen, is bewezen verklaard dat [M.] op 4 juli 2000 tezamen en in vereniging met een ander of anderen valsheid in geschrifte heeft gepleegd doordat hij dan wel een mededader een handtekening op de volmacht heeft geplaatst, welke moest doorgaan voor de handtekening van [eiseres] en dat [M.] in de periode van 17 januari 2001 tot en met 18 april 2002 meermalen valsheid in geschrifte heeft gepleegd door valselijk op onder meer de toestemmingsverklaring een handtekening te plaatsen die moest doorgaan voor de handtekening van [eiseres].

In conventie

4.2 [eiseres] heeft aan haar vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

Primair: [eiseres] is geen geldleningsovereenkomst met Quion c.s. aangegaan en heeft geen recht van hypotheek aan Quion c.s. verleend. De op de volmacht en de toestemmingsverklaring geplaatste handtekeningen van [eiseres] zijn vervalst. De op 12 februari 2001 gepasseerde hypotheekakte ontbeert derhalve rechtsgeldigheid.

Subsidiair: [eiseres] heeft bij brief van 12 september 2003 jegens Quion c.s. de vernietiging ingeroepen van het in de hypotheekakte voorkomende recht van hypotheek uit hoofde van artikel 1:89 juncto artikel 1:88 lid 1 sub a BW.

Quion c.s. heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.3 Quion c.s. heeft primair betwist dat de op de volmacht voorkomende handtekening van [eiseres] is vervalst. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Krachtens artikel 150 Rv draagt Quion c.s. de bewijslast van haar stelling dat de handtekening onder de volmacht door [eiseres] zelf is gezet, nu Quion c.s. zich beroept op de rechtsgevolgen hiervan, te weten gebondenheid van [eiseres] aan de hypotheekakte die door [M.] als gevolmachtigde van [eiseres] namens haar is getekend. De volmacht is neergelegd in een notariële akte, welke krachtens artikel 157 Rv dwingende bewijskracht heeft ook voor wat betreft de echtheid van de daarop vermelde handtekeningen. Het staat [eiseres] echter krachtens artikel 151 Rv vrij hiertegen tegenbewijs te leveren. [eiseres] heeft in dat kader onder meer een beknopt deskundigenverslag d.d. 21 september 2005 van een forensisch schriftonderzoek uitgevoerd door drs. P.L. Zevenbergen (hierna: Zevenbergen) overgelegd. Zevenbergen heeft onderzocht of 9 aan hem voorgelegde handtekeningen, waaronder de beweerdelijke handtekening van [eiseres] op de volmacht, echte handtekeningen van [eiseres] zijn. In het verslag staat als conclusie het volgende vermeld: “Afgezet tegen de definiëring zoals beschreven in de bijlage 9 zijn alle 9 onderzochte handtekeningen naar mijn opvatting met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen echte handtekeningen van de persoon, die ook het vergelijkingsmateriaal produceerde, maar nabootsingen daarvan.”.

Zevenbergen heeft bij zijn verslag zijn curriculum vitae gevoegd. De rechtbank is van oordeel dat, voor zover Quion c.s. de deskundigheid van Zevenbergen heeft willen betwisten, deze betwisting in het licht van dit overgelegde curriculum vitae onvoldoende is. Hiermee staat de deskundigheid van Zevenbergen vast.

Quion c.s. heeft naar voren gebracht dat gelet op de gevolgde “onderzoeksmethodiek” aan het rapport van Zevenbergen zodanige gebreken kleven dat dit niet als bewijs kan dienen. Quion c.s. stelt in dit verband in de eerste plaats dat [eiseres] de door haar aan Zevenbergen verstrekte opdracht niet in het geding heeft gebracht. Aan deze stelling gaat de rechtbank echter voorbij, nu het verslag van Zevenbergen de aan hem verstrekte opdracht vermeldt. Hierbij speelt voorts een rol dat het hier een vergelijkend handtekeningen-onderzoek betreft, waarbij de opdracht en de aan de deskundige in dat kader verstrekte informatie concreet en helder is.

Ten tweede stelt Quion c.s. dat Zevenbergen het vergelijkingsmateriaal niet nader omschrijft, zodat het voor Quion noch voor de rechtbank te verifiëren is op welke wijze Zevenbergen zijn conclusie heeft getrokken, noch op basis van welke documenten dit is geschied. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Zevenbergen heeft de documenten zelf niet nader omschreven, doch wel een montage vervaardigd van de door hem ter vergelijking gebruikte handtekeningen. Voorts heeft hij onder het kopje “wijze van verslaglegging van het onderzoek” aangegeven dat hij uit overwegingen van doelmatigheid de verslaglegging van zijn onderzoek zo beknopt mogelijk heeft gehouden, waarbij hij voorts het volgende heeft vermeld: “Indien gewenst kan ik mijn bevindingen meer uitgebreid beschrijven, met meer motiveringen omkleden en van uitvoerige theoretische beschouwingen voorzien”. De rechtbank is van oordeel dat, indien Quion c.s. daadwerkelijk van oordeel zou zijn dat in het verslag onvoldoende gegevens zijn opgenomen om te verifiëren op welke wijze Zevenbergen zijn conclusie heeft getrokken, het op de weg van Quion c.s. had gelegen om [eiseres] te verzoeken Zevenbergen de opdracht te geven zijn beknopte verslag aan te vullen met de door haar gewenste gegevens. Nu Quion c.s. dit heeft nagelaten, gaat de rechtbank aan haar stelling op dit punt voorbij.

Ten derde stelt Quion c.s. dat Zevenbergen de te onderzoeken handtekeningen van [eiseres] in originele vorm had moeten onderzoeken. Ook aan deze stelling gaat de rechtbank voorbij. Zevenbergen heeft aan dit punt aandacht besteed en vermeldt in zijn verslag op p.2 hieromtrent het volgende: “het onderzoeksmateriaal is in kwalitatief en kwantitatief opzicht voldoende geschikt voor het gevraagde onderzoek en daaraan zijn evidente kenmerken waar te nemen, die a-priori duiden op een onnatuurlijk productieproces”. Hiermee heeft Zevenbergen naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd op grond waarvan hij van mening is dat hij ook zonder de handtekeningen in originele vorm te onderzoeken toch zijn conclusie als vermeld in het verslag heeft kunnen trekken.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het verslag van Zevenbergen voor het bewijs kan worden gebruikt. Zij acht de in het verslag vermelde conclusie voldoende met redenen omkleed. Reeds op basis van dit verslag acht de rechtbank [eiseres] geslaagd in het hiervoor bedoelde tegenbewijs, de overige door haar aangevoerde bewijsmiddelen behoeven derhalve geen bespreking. Nu [eiseres] is geslaagd in het tegenbewijs, is Quion c.s. met de enkele overlegging van de volmacht niet geslaagd in het bewijs van haar stelling dat de op de volmacht vermelde handtekening van [eiseres] echt is. De rechtbank zal Quion c.s. niet in de gelegenheid stellen aanvullend bewijs te leveren, nu zij op dit punt geen concreet bewijsaanbod heeft gedaan, terwijl dit wel op haar weg had gelegen.

Gezien het voorgaande staat vast dat de handtekening van [eiseres] op de volmacht is vervalst.

4.4 Quion c.s. heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat er in ieder geval sprake is van een pseudo-volmacht en dat Quion c.s. als partij te goeder trouw tegen de door toedoen van [eiseres] opgewekte schijn van volmacht moet worden beschermd, een en ander als bedoeld in artikel 3:61 BW.

De rechtbank stelt voorop dat wanneer iemand door valselijk de handtekening van een ander te plaatsen iets voor die ander verklaart, deze ander zich in het algemeen tegen degene tot wie de verklaring is gericht, erop kan beroepen dat de handtekening en daarmee de verklaring niet van hem afkomstig is, ook wanneer degene tot wie de verklaring was gericht, heeft aangenomen en redelijkerwijze mocht aannemen dat de handtekening echt was. Uit het beginsel dat ten grondslag ligt aan de artikelen 3:35, 3:36 en 3:61 lid 2 BW, in samenhang met artikel 6:147 BW, vloeit evenwel voort dat dit onder bijzondere omstandigheden anders kan zijn. Deze omstandigheden moeten dan wel van dien aard zijn, dat zij tot de slotsom nopen dat aan degene wiens handtekening is vervalst, valt toe te rekenen dat de wederpartij de handtekening voor echt heeft gehouden en redelijkerwijze mocht houden. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn wanneer degene wiens handtekening is vervalst, ofschoon hij de onbetrouwbaarheid van degene die zijn handtekening heeft vervalst, kende of behoorde te kennen, eraan heeft meegewerkt of zonder voorzorgsmaatregelen te treffen heeft toegelaten dat deze de mogelijkheid kreeg door het vervalsen van zijn handtekening jegens de wederpartij de schijn te wekken dat het een door hem ondertekende verklaring betrof (HR 7 februari 1992, NJ 1992, 809).

4.5 Quion c.s. heeft allereerst betoogd dat, nu het om een notarieel verleden volmacht gaat, voormelde leer niet heeft te gelden en Quion c.s. [eiseres] mag houden aan haar verklaringen zoals verwoord in de volmacht, zodat de volmacht in ieder geval jegens Quion c.s. rechtsgeldig is. Indien dit anders zou zijn, zou dit betekenen dat waar een notaris die een volmacht passeert wordt geacht de identificatie van de voor hem verschenen personen uit te voeren, op één van partijen het risico komt te rusten dat een ander dan de in de akte genoemde personen voor de notaris is verschenen. Dat is volstrekt onaanvaardbaar en zou ook inhouden dat niet alleen het notariële rechtsverkeer in Nederland niet meer kan functioneren maar ook het systeem van verlijden van hypotheekakten, aldus Quion c.s.

Ook de notarissen hebben gewezen op het principiële belang voor de notariële rechtspraktijk in dezen. Een hypothecaire kredietverstrekker moet er gerechtvaardigd op kunnen vertrouwen dat een hypotheek rechtsgeldig is gevestigd indien een notaris aan de hand van een rechtsgeldig identificatiebewijs heeft geverifieerd dat de desbetreffende partij bij de hypotheekakte met de hypotheekverlening heeft ingestemd. In een situatie als de onderhavige dient het algemeen belang van de rechtspraktijk zwaarder te wegen dan het individuele belang van [eiseres]. De rechtszekerheid brengt in dit geval mee dat een hypotheekrecht rechtsgeldig tot stand komt. Dit volgt ook uit de strekking van artikel 39 Wet op het notarisambt, aldus de notarissen.

De rechtbank gaat aan voormeld betoog van Quion c.s. en de notarissen voorbij. Krachtens de wet kan iemand slechts aan een overeenkomst gebonden worden doordat enerzijds hij/zij zelf heeft gecontracteerd danwel de schijn heeft gewekt dit te willen doen of anderzijds een bevoegd vertegenwoordiger namens hem/haar heeft gecontracteerd danwel hij/zij de schijn heeft gewekt dat hij/zij bevoegdelijk werd vertegenwoordigd. Een gebondenheid aan een overeenkomst zonder dat er sprake is van enig aan die persoon toe te rekenen handelen dan wel nalaten, zoals Quion c.s. en de notarissen voorstaan, kent de wet niet en past ook niet binnen het systeem van de wet. Een dergelijke gebondenheid volgt ook niet uit de strekking van artikel 39 van de Wet op het notarisambt dat bepaalt dat de bij het verlijden van de akte verschijnende personen en getuigen aan de notaris bekend moeten zijn en hoe de notaris de identiteit van personen die de eerste maal voor hem verschijnen vast dient te stellen.

4.6 Quion c.s. heeft voorts aangevoerd dat in casu bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, waardoor het aan [eiseres] toe te rekenen valt dat Quion c.s. de handtekening op de volmacht voor echt heeft gehouden en redelijkerwijze mocht houden. Quion c.s. komt derhalve een beroep toe op artikel 3:61 BW, subsidiair dient zij beschermd te worden op grond van het bepaalde in artikel 3:36 BW.

Quion c.s. heeft hiertoe de volgende vier feiten en omstandigheden aangevoerd.

[eiseres] was er al vele jaren mee bekend dat [M.] aanzienlijke schulden maakte in het kader van de door hem geëxploiteerde ondernemingen.

[eiseres] heeft in 2000 een concept-hypotheekakte onderschept. Vanaf dat moment wist zij, althans behoorde zij te weten, dat [M.]s voornemens was zonder haar wetenschap of toestemming het woonhuis te bezwaren. Vanaf dat moment had [eiseres] middels het treffen van voorzorgsmaatregelen ervoor zorg dienen te dragen dat [M.] niet in de gelegenheid kon komen om het woonhuis zonder haar medewerking te bezwaren. [eiseres] had er meer in het bijzonder voor moeten zorgen dat [M.] niet kon beschikken over haar identiteitskaart, noch over haar bril.

[eiseres] had, gelet op de financiële problemen van [M.], er op moeten toezien dat zij haar post daadwerkelijk onder ogen kreeg, zodat zij ook langs deze weg bekend zou zijn met mogelijk (nieuwe) financiële avonturen van [M.].

[eiseres] heeft op 9 februari 2001 de toestemmingsverklaring getekend en haar handtekening laten legaliseren.

4.7 Wat betreft de eerste drie aangevoerde feiten en omstandigheden overweegt de rechtbank als volgt. [eiseres] heeft betwist dat zij in 2000 een concept-hypotheekakte heeft onderschept en voorts gesteld dat het feit dat een echtgenoot tegenslagen heeft als ondernemer en aan zijn vrouw vraagt om hierbij door het afsluiten van leningen te helpen, niet wil zeggen dat iemand onbetrouwbaar is. [eiseres] had redelijkerwijze niet kunnen bevroeden dat [M.] dermate frauduleus gedrag zou plegen, zoals later aan het licht is gekomen.

De rechtbank merkt allereerst op dat zij ervan uitgaat dat [eiseres] onbekend was met de geldlening en de hypotheekakte. Quion c.s. heeft weliswaar betoogd dat [eiseres] hiermee wel bekend was, doch de rechtbank is van oordeel dat zij deze stelling, in het licht van de betwisting door [eiseres] en het hiervoor onder 4.3 vermelde verslag van Zevenbergen, onvoldoende heeft onderbouwd.

Wat betreft de vraag of er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn als hiervoor onder 4.6 bedoeld, stelt de rechtbank voorop dat uitgangspunt dient te zijn dat echtelieden elkaar kunnen vertrouwen, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat dit vertrouwen misplaatst is. [eiseres] hoefde er derhalve geen rekening mee te houden dat [M.] haar handtekening onder financiële stukken zou vervalsen, tenzij zij concrete aanwijzingen had dat de kans bestond dat [M.] hiertoe zou overgaan. Het enkele feit dat er sprake was van financiële problemen is daartoe onvoldoende. Ook indien het juist zou zijn dat [eiseres] in 2000 een concept-hypotheekakte had onderschept, hetgeen zij betwist, wordt dit niet anders. [eiseres] mocht er op dat moment op vertrouwen dat zonder haar medewerking geen hypotheekakte gepasseerd kon worden, zodat van haar geen extra oplettendheid hoefde te worden geëist. Dat er voor haar op dat moment concrete aanwijzingen zouden zijn dat [M.]s door het plegen van strafbare feiten ook zonder haar medewerking een hypotheekakte zou laten passeren, is gesteld noch gebleken. Onder deze omstandigheden hoefde ook niet van haar gevergd te worden dat zij er op toe zou zien dat zij alle post daadwerkelijk onder ogen zou krijgen, voor zover dat praktisch al mogelijk zou zijn geweest.

De eerste drie door Quion c.s. aangevoerde feiten en omstandigheden kunnen derhalve, ook in onderlinge samenhang bezien, niet tot het oordeel leiden dat het aan [eiseres] toe te rekenen valt dat Quion c.s. de handtekening op de volmacht voor echt heeft gehouden en redelijkerwijze mocht houden.

4.8 Wat betreft het door Quion c.s. als vierde aangevoerde feit, overweegt de rechtbank als volgt. Tussen partijen is in geschil of [eiseres] zelf haar handtekening onder de toestemmingsverklaring heeft gezet. Indien mocht komen vast te staan dat zij dit inderdaad heeft gedaan, is de rechtbank van oordeel dat het aan [eiseres] toe te rekenen valt dat Quion c.s. de handtekening op de volmacht voor echt heeft gehouden. In dat geval dient ervan uitgegaan te worden dat [eiseres] op de hoogte was van de gehele inhoud van deze toestemmingsverklaring. Nu in deze verklaring de inhoud van de hypotheekakte integraal was opgenomen, waarbij de volmacht expliciet werd vermeld, had het in dat geval op haar weg gelegen Quion c.s. dan wel [gevoegde sub 1], die in de verklaring als passerende notaris wordt vermeld, op de hoogte te brengen van het feit dat zij [M.]s nooit een volmacht had gegeven als in de verklaring vermeld en ook niet haar toestemming wenste te verlenen aan het passeren van de hypotheekakte.

Gezien het voorgaande is het van belang dat vast komt te staan of [eiseres] zelf haar handtekening onder de toestemmingsverklaring heeft gezet of niet. Quion c.s. heeft haar stelling dat [eiseres] deze handtekening zelf heeft gezet, onderbouwd door een verklaring te overleggen van [gevoegde sub 3] dat [eiseres] op 9 februari 2001 zelf op zijn kantoor is geweest. [eiseres] heeft haar betwisting onderbouwd met het hiervoor onder 4.3 vermelde beknopt deskundigenverslag d.d. 21 september 2005 van Zevenbergen. Eén van de door Zevenbergen onderzochte handtekeningen betrof de beweerdelijke handtekening van [eiseres] op de toestemmingsverklaring. Ook wat betreft deze handtekening heeft Zevenbergen geconcludeerd dat deze ‘met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid’ geen echte handtekening van [eiseres] is. Voorts heeft [eiseres] ter onderbouwing van haar betwisting bij akte overlegging producties in conventie gesteld dat het hiervoor onder 4.1.i vermelde vonnis van de politierechter te Haarlem gezag van gewijsde heeft gekregen, waardoor dit vonnis dwingende bewijskracht ten aanzien van het bewezen verklaarde feit tegenover derden heeft. De rechtbank neemt dit echter nog niet als vaststaand aan, nu geen stukken zijn overgelegd waaruit het gezag van gewijsde blijkt en Quion c.s. nog niet op deze stelling van [eiseres] heeft kunnen reageren. Ook indien dit echter juist zou zijn, doet dit niet af aan het feit dat ingevolge artikel 150 Rv – tegenover de gemotiveerde betwisting door [eiseres] – op Quion c.s. de bewijslast rust van haar stelling dat [eiseres] zelf haar handtekening onder de toestemmingsverklaring heeft gezet, nu Quion c.s. zich beroept op de rechtsgevolgen daarvan. Quion c.s. zal tot dit bewijs worden toegelaten. Gezien de samenhang tussen onderhavige bewijsopdracht en de bij vonnissen van heden in de vr ijwaringszaak (zaaknummer 258351) en de zaak van [eiseres] tegen de notarissen (zaaknummer 261503) gegeven bewijsopdrachten, acht de rechtbank het geraden om de eventuele getuigenverhoren in alle zaken tegelijkertijd te laten plaatsvinden.

In de conclusie na bewijslevering kan Quion c.s. ingaan op de stelling van [eiseres] dat het politierechtervonnis inmiddels gezag van gewijsde en daarmee dwingende bewijskracht heeft.

4.9 Voor het geval Quion c.s. slaagt in het hiervoor vermelde bewijs, wordt het volgende overwogen. In dat geval kan [eiseres] zich er jegens Quion c.s. niet op beroepen dat haar handtekening op de volmacht is vervalst, zodat haar primaire grondslag niet tot toewijzing van haar vorderingen kan leiden. Ook haar subsidiaire grondslag kan in dat geval niet tot toewijzing van haar vordering leiden, aangezien alsdan vast is komen te staan dat [eiseres] haar toestemming als bedoeld in artikel 1:88 lid 1 sub a BW heeft verleend, zodat haar geen beroep op vernietiging krachtens artikel 1:89 BW toekomt. Haar vorderingen liggen in dat geval derhalve voor afwijzing gereed.

4.10 Voor het geval Quion c.s. niet slaagt in het hiervoor vermelde bewijs wordt het volgende overwogen. In dat geval zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken op grond waarvan het aan [eiseres] toe te rekenen valt dat Quion c.s. de handtekening op de volmacht voor echt heeft gehouden en redelijkerwijze mocht houden. Quion c.s. komt derhalve alsdan geen beroep toe op artikel 3:61 BW en evenmin bescherming op grond van het bepaalde in artikel 3:36 BW.

De vorderingen van [eiseres] liggen derhalve in dat geval voor toewijzing gereed, met dien verstande dat nu Quion c.s. onbetwist heeft aangevoerd dat Quion slechts als gevolmachtigde van Quion VII is opgetreden, de vorderingen van [eiseres] jegens Quion niet-ontvankelijk zullen worden verklaard.

In voorwaardelijke reconventie

4.11 Voor het geval de voorwaarde waaronder Quion VII haar reconventionele vordering heeft ingesteld wordt vervuld, overweegt de rechtbank omtrent deze vordering nu reeds het volgende.

4.12 Quion VII heeft aan haar reconventionele vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

[eiseres] is, gezien de aflossing van de vordering van de Rabobank op [eiseres] en [M.] met de geldlening als hiervoor vermeld onder 4.1.f, tot een bedrag van € 140.444,98, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2001, ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van Quion VII.

Quion VII heeft buitengerechtelijke incassowerkzaamheden verricht. Met deze kosten is op grond van het rapport Voorwerk II een bedrag gemoeid van € 2.450,40.

[eiseres] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.13 [eiseres] heeft primair aangevoerd dat er geen sprake is van verrijking aan haar zijde. De hypothecaire schuld bij de Rabobank, die met het krediet van Quion VII is afgelost, is gebruikt voor de financiering van de bedrijfsactiviteiten van [M.] en niet voor de aankoop van het woonhuis. De financiële verplichtingen die voortvloeiden uit het krediet bij de Rabobank werden volledig door [M.] voldaan. Gezien de huwelijkse voorwaarden zou [eiseres], indien zij zelf door de Rabobank zou zijn aangesproken tot betaling uit hoofde van het krediet, voor het bedrag dat zij aan de Rabobank zou hebben betaald een (regres)vordering op [M.] hebben verkregen voor hetzelfde bedrag. De vermogenspositie van [eiseres] is door het wegvallen van de schuld aan de Rabobank niet veranderd.

Dit verweer van [eiseres] wordt verworpen. Als onbetwist staat vast dat [eiseres] hoofdelijk verbonden was jegens de Rabobank ter zake bedoelde hypothecaire schuld. Doordat Quion VII deze schuld heeft afgelost, zijn de verplichtingen die [eiseres] uit hoofde van deze schuld had vervallen. De vermogenspositie van [eiseres] is derhalve door de aflossing van deze schuld gunstiger geworden. De onderlinge financiële verhouding tussen [eiseres] en [M.] regardeert Quion VII niet.

4.14 [eiseres] heeft voorts aangevoerd dat (vooralsnog) geen sprake is van verarming aan de zijde van Quion VII, nu hiervan pas sprake kan zijn indien zou blijken dat zij haar vordering niet op [M.] zou kunnen verhalen. Quoin VII heeft geen rechtsmaatregelen jegens [M.] genomen, aldus [eiseres].

Ook dit verweer van [eiseres] wordt verworpen. Uit de stellingen van partijen en de overgelegde stukken kan worden afgeleid dat [M.] als gevolg van financiële problemen tot de strafbare feiten waarvoor hij door de politierechter te Haarlem is veroordeeld, is gekomen. Door deze strafbare feiten zijn de financiële problemen van [M.] alleen maar groter geworden. Gezien deze omstandigheden kan worden aangenomen dat de vordering die Quion VII uit hoofde van de geldlening op [M.] heeft niet (binnen afzienbare termijn) geïnd kan worden, tenzij zich bijzondere omstandigheden aan de zijde van [M.] voordoen. Het had op de weg van [eiseres] gelegen deze bijzondere omstandigheden aan te voeren. Nu zij dit heeft nagelaten gaat de rechtbank ervan uit dat de vordering van Quion VII op [M.] niet inbaar is, zodat er sprake is van verarming aan de zijde van Quion VII.

4.15 Subsidiair heeft [eiseres] nog aangevoerd dat er een redelijke grond aanwezig is voor de verrijking. Toewijzing van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking zou er toe leiden dat via een achterdeur alsnog rechtsgevolgen verbonden worden aan rechtshandelingen die nietig zijn omdat zij het gevolg zijn van een misdrijf. In ieder geval kan het leerstuk van de ongerechtvaardigde verrijking er nooit toe leiden dat een derde per saldo dezelfde vorderingsrechten verkrijgt tegenover het slachtoffer van de oplichting, aldus [eiseres].

Ook dit verweer wordt verworpen. In het betoog van [eiseres] valt geen redelijke grond voor de verrijking te lezen. Weliswaar stelt [eiseres] terecht dat er geen rechtsgevolgen verbonden kunnen worden aan rechtshandelingen die nietig zijn, doch de rechtbank is van oordeel dat het evenmin de bedoeling is dat het slachtoffer van een dergelijk misdrijf in een betere financiële positie komt te verkeren dan die waarin hij/zij verkeerde voordat het misdrijf werd gepleegd. Verder is het onjuist dat Quion VII dezelfde vorderingsrechten jegens [eiseres] krijgt als die uit hoofde van de hypotheekakte, nu dit vorderingsrecht is beperkt tot het bedrag van de verrijking.

4.16 Gezien het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat [eiseres] ongerechtvaardigd is verrijkt doordat Quion VII de hypothecaire schuld van [eiseres] en [M.] ad € 140.444,98 bij de Rabobank heeft afgelost. [eiseres] is derhalve krachtens artikel 6:212 BW gehouden om voor zover dit redelijk is de schade van Quion VII te vergoeden.

[eiseres] heeft in dit kader allereerst aangevoerd dat het niet redelijk is om [eiseres] te veroordelen een direct opeisbaar bedrag te betalen, nu de Rabobank destijds geen direct opeisbare vordering jegens [eiseres] en [M.] had. Quion VII heeft zich op het standpunt gesteld dat de modaliteiten van de inmiddels afgeloste geldlening van de Rabobank niet terzake doen.

De rechtbank is van oordeel dat de redelijkheid vermeld in artikel 6:212 BW meebrengt dat op [eiseres] niet zonder meer de verplichting rust het gehele bedrag in één keer aan Quion VII te voldoen. Of op haar een dergelijke verplichting rust, hangt af van de vraag of zij hierdoor in financiële problemen wordt gebracht, waarin zij niet zou zijn komen te verkeren indien de hypothecaire geldlening bij de Rabobank zou zijn voortgezet. Feitelijk komt dit erop neer dat op [eiseres] slechts een dergelijke verplichting rust indien zij het gehele bedrag in één keer uit eigen vermogen kan betalen dan wel ter zake een (hypothecaire) geldlening kan afsluiten. [eiseres] wordt verzocht te zijner tijd hieromtrent nadere informatie te verschaffen. De rechtbank merkt voorts op dat nu Quion VII een hypotheekbank is het voor de hand ligt dat partijen met elkaar in overleg treden om te bezien of partijen in onderling overleg tot een regeling kunnen komen omtrent de betaling van het door [eiseres] verschuldigde bedrag aan Quion VII.

4.17 [eiseres] heeft voorts aangevoerd dat de redelijkheid met zich brengt dat op het gevorderde bedrag van € 140.444,98 alle kosten die zij in verband met ‘deze affaire’ heeft moeten maken in mindering worden gebracht. Zij doelt dan op de door haar gemaakte en nog te maken kosten van rechtsbijstand buiten de onderhavige procedure (kosten klaagschriftprocedure ex artikel 12 Sv, kosten van juridische advisering, kosten van het forensisch schriftonderzoek, advisering en bijstand in de strafvervolging tegen [M.] c.s. ) als de kosten binnen deze procedure, voor zover die niet worden gedekt door een proceskostenveroordeling. Deze kosten zou [eiseres] niet hebben gemaakt, indien Quion VII het hypothecaire krediet niet zou zijn aangegaan, dus als de oorzaak van de gestelde verrijking zich niet zou hebben voorgedaan.

De rechtbank is van oordeel dat er geen plaats is voor het in mindering brengen van de door [eiseres] buiten de onderhavige procedure gemaakte kosten van rechtsbijstand. Het valt niet aan Quion VII toe te rekenen dat [eiseres] deze kosten heeft moeten maken, zodat het niet redelijk is deze kosten ten laste van Quion VII te brengen. Gezien de artikelen 237 tot en met 241 Rv is er buiten een proceskostenveroordeling evenmin plaats voor vergoeding van de binnen deze procedure gemaakte kosten van rechtsbijstand.

4.18 Wat betreft de door Quion VII gevorderde buitengerechtelijke incassokosten wordt het volgende overwogen. Nadat [eiseres] in haar conclusie van antwoord hiertegen gemotiveerd verweer had gevoerd, is Quion VII hier niet meer op terug gekomen, zodat de rechtbank ervan uit gaat dat Quion VII deze vordering niet langer heeft gehandhaafd. Indien zij deze vordering wel heeft willen handhaven, heeft zij deze, in het licht van de betwisting door [eiseres], onvoldoende onderbouwd.

4.19 Het voorgaande brengt met zich dat indien de voorwaarde waaronder Quion VII haar reconventionele vordering heeft ingesteld wordt vervuld, deze vordering tot een bedrag van € 140.444,98 voor toewijzing gereed ligt, met dien verstande dat nog beslist dient te worden of dit bedrag in één keer door [eiseres] betaald dient te worden. De rechtbank zal elke beslissing in voorwaardelijke reconventie aanhouden totdat in conventie een eindbeslissing is genomen.

5 De beslissing in de hoofdzaak

De rechtbank,

In conventie

alvorens verder te beslissen,

draagt Quion c.s. op het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [eiseres] zelf haar handtekening heeft gezet onder de toestemmingsverklaring;

bepaalt dat indien Quion c.s. dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. Fiege;

bepaalt dat de procureur van Quion c.s. binnen twee weken na vonnisdatum aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan haar zijde in de maanden april tot en met juli 2008 en dat de procureur van [eiseres] binnen dezelfde periode opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan haar zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd;

In voorwaardelijke reconventie

houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Fiege.

Uitgesproken in het openbaar.

204