Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC6221

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
11-03-2008
Zaaknummer
258351 / HA ZA 06-920
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vrijwaring bij zaaknummer 241172. Handtekening van vrouw onder notariële akte waarin zij haar man algehele volmacht verleent, is vervalst. Met deze volmacht heeft de man hypotheekakte mede namens de vrouw getekend.S Bank roept notarissen in vrijwaring op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 258351 / HA ZA 06-920

Uitspraak: 30 januari 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de vrijwaringszaak van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

QUION HYPOTHEEKBEMIDDELING B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres sub 1 in de vrijwaringszaak,

hierna te noemen: “Quion”,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

QUION VII B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres sub 2 in de vrijwaringszaak,

hierna te noemen “Quion VII”,

procureur mr. S.P.J.F. Zwanen,

advocaat mr. J.L.M. Groenewegen te Utrecht;

- tegen -

1. [gedaagde sub 1],

kantoorhoudende te Voorburg,

hierna te noemen: “[gedaagde sub 1]”,

2. [gedaagde sub 2],

kantoorhoudende te Velsen-Zuid,

hierna te noemen: “[gedaagde sub 2]”,

3. [gedaagde sub 3],

kantoorhoudende te Velsen-Zuid,

hierna te noemen: “[gedaagde sub 3]”,

gedaagden in de vrijwaringszaak,

procureur mr. W.J. Hengeveld,

advocaat mr. M.F. J. Haak te Amsterdam.

Eiseressen worden hierna gezamenlijk aangeduid als “Quion c.s.” en gedaagden worden hierna gezamenlijk ook wel aangeduid als “de notarissen”.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 17 maart 2006 en de door Quion c.s. overgelegde producties;

conclusie van antwoord, met producties;

- conclusie van repliek, met producties;

- conclusie van dupliek.

2 Het geschil in vrijwaring

De vordering luidt – verkort weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

gedaagden hoofdelijk te veroordelen om aan Quion VII te betalen een bedrag ad € 364.676,78, vermeerderd met de contractuele rente zoals weergegeven in de hypotheekakte vanaf 12 februari 2001 tot aan de dag der voldoening over een bedrag van € 307.209,21, althans met de wettelijke rente over dit bedrag en voorts te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag ad € 57.467,57 vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der voldoening;

gedaagden hoofdelijk te veroordelen om ook alle verdere schade die Quion c.s. lijdt als gevolg van de toewijzing van één of meerdere vordering van [X] in de hoofdprocedure, nader op te maken bij staat te vergoeden;

gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van onderhavige procedure.

Het verweer van de notarissen strekt tot afwijzing van de vordering, met hoofdelijke veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van Quion c.s. in de kosten van het geding.

3 De beoordeling in vrijwaring

3.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:

[X] is van 24 april 1986 tot 16 december 2004 op huwelijkse voorwaarden, inhoudende een solitair periodiek verrekenbeding, gehuwd geweest met dhr[M.] (hierna: [M.]).

Bij notariële akte van 14 maart 1988 hebben [X] en [M.] een regeling ter zake de eigendom van het woonhuis met ondergrond, tuin en schuur, staande en gelegen aan de Eksterlaan 25 te IJmuiden (hierna: het woonhuis), waarvan zij ieder voor de onverdeelde helft eigenaren waren, getroffen en die woning geheel toegedeeld aan [X].

[gedaagde sub 2] heeft op 4 juli 2000 een akte verleden, waarin is vermeld dat [X] volmacht en last heeft gegeven aan [M.] om haar in alle opzichten te vertegenwoordigen en al haar rechten en belangen, zonder enige uitzondering, waar te nemen en uit te oefenen, strekkende de volmacht ook om onroerende zaken te verkrijgen, te vervreemden of te bezwaren (hierna: de volmacht).

Op 12 februari 2001 heeft [gedaagde sub 1] een hypotheekakte verleden, waarin staat vermeld dat [M.], handelend voor zich in privé en als schriftelijk gevolmachtigde van [X], heeft verklaard met Hypotrust VII b.v. (thans Quion VII) een geldlening ter hoogte van fl. 677.000- te zijn aangegaan (hierna: de geldlening). Voorts staat in die akte (hierna: de hypotheekakte) vermeld dat tot zekerheid voor onder andere de betaling van de hoofdsom het recht van eerste hypotheek is verleend op de woning, tot een totaalbedrag ter grootte van fl. 1.015.500,-. In de hypotheekakte is opgenomen dat van het bestaan van de volmachten de notaris genoegzaam is gebleken en dat de volmacht [M.]/[X] is vervat in een op 4 juli 2000 verleden akte.

Op 9 februari 2001 heeft [gedaagde sub 3] de handtekening gelegaliseerd welke geplaatst is onder een toestemmingsverklaring, waarin staat vermeld dat [X] verklaart dat zij haar echtgenoot toestemming als bedoeld in artikel 1:88 BW verleent tot het aangaan van de in de hiervoor vermelde hypotheekakte omschreven rechtshandelingen (hierna: de toestemmingsverklaring). De inhoud van de hypotheekakte is integraal opgenomen in deze toestemmingsverklaring.

De geldlening is onder meer aangewend om een bestaande vordering van de Coöperatieve Rabobank Voorschoten-Wassenaar (verder: de Rabobank) op [X] en [M.] ad € 140.444,98 te voldoen.

In mei 2003 en juni 2003 heeft [X] aangifte gedaan jegens onder andere [M.] ter zake van valsheid in geschrifte en oplichting. Zij heeft daarbij onder meer verklaard dat de handtekening die op 4 juli 2000 ten overstaan van [gedaagde sub 2] onder de volmacht is geplaatst niet door haar is gezet evenmin als de handtekening onder de toestemmingsverklaring.

[M.] heeft op 25 juni 2003 tegenover de politie – voor zover hier van belang – het volgende verklaard:

“(…) In februari 1998 kwam ik in contact met de heer [Z.] uit Den Haag. (…) U toont mij een copie van een volmacht genummerd 1a opgemaakt door notaris [gedaagde sub 2] uit Velsen. U vraagt mij hoe deze volmacht is verkregen. Ik nam telefonisch contact op met notaris [gedaagde sub 2] en legde hem uit dat mijn vrouw en ik een volmacht wilden laten opmaken. Ik moet wel zeggen dat mijn vrouw hiervan niet op de hoogte was. Deze volmacht moest inhouden dat mijn vrouw mij machtigde om namens haar op te treden en ook wederzijds. (…) Ik heb de door de notaris opgemaakte volmacht opgehaald. (…) Ik vernam van mijn vrouw dat zij deze volmacht niet wenste te ondertekenen. (…) Op aandringen van [O.] ben ik overstag gegaan om buiten mijn vrouw om de volmacht in orde te brengen. (…) Ik vernam van [O.] dat zijn vrouw wel wilde optreden als mijn vrouw bij notaris [gedaagde sub 2] ter ondertekening van de volmacht. Ik moet hierbij aangeven dat ik reeds in het bezit was van het legitimatiebewijs van mijn vrouw. Voordat wij die dag naar de notaris gingen heeft de vrouw van [O.] zich zodanig opgemaakt dat zij enigszins op mijn vrouw leek. Zij droeg de bril van mijn vrouw. (…) De vrouw van [O.] is genaamd [D.] (…) Op de dag van het ondertekenen van de volmacht bij notaris [gedaagde sub 2] zijn wij op zijn kantoor geweest. (…) De notaris liet ons de volmacht zien en zowel ik als mevrouw [D.] tekende deze volmacht. Mevrouw [D.] tekende onder de naam van [X]. Zij had een voorbeeld van de handtekening van mijn vrouw. (…) De handtekening voorkomende op de volmacht is dus niet geplaatst door mijn vrouw maar door [D.]. (…)

U toont mij een copie van de toestemmingsverklaring onder nummer 5a d.d. 12 februari 2001. Deze toestemmingsverklaring had ik nodig voor het afsluiten van de hypotheek van de woning aan de Eksterlaan zodat de voorgaande hypotheken konden vervallen. Ik heb deze hypotheekverhoging tot 677.000 gulden doen plaatsvinden bij een notaris in Voorburg op aanraden van [O.]. Deze notaris werkte niet per volmacht maar met een toestemmingsverklaring. Deze toestemmingsverklaring is opgemaakt door die notaris en door mij opgehaald ter ondertekening door mijn vrouw. Ik heb deze verklaring thuis kennelijk zelf ondertekend, althans ik heb de handtekening van mijn vrouw onder deze verklaring geplaatst. Vervolgens heb ik deze akte gebracht naar notaris [gedaagde sub 3] in Velsen voor legalisatie van de handtekening. Dat werd in orde bevonden. Ik heb dus ook in deze een valse handtekening geplaatst als zijnde echt en onvervalst. (…)”.

Bij vonnis van de politierechter te Haarlem d.d. 20 december 2006, op tegenspraak gewezen, is bewezen verklaard dat [M.] op 4 juli 2000 tezamen en in vereniging met een ander of anderen valsheid in geschrifte heeft gepleegd doordat hij dan wel een mededader een handtekening op de volmacht heeft geplaatst, welke moest doorgaan voor de handtekening van [X] en dat [M.] in de periode van 17 januari 2001 tot en met 18 april 2002 meermalen valsheid in geschrifte heeft gepleegd door valselijk op onder meer de toestemmingsverklaring een handtekening te plaatsen die moest doorgaan voor de handtekening van [X].

3.2 Quion c.s. heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat ieder der notarissen is tekort geschoten in de op hem rustende zorgplicht jegens Quion c.s., zodat zij allen hetzij op grond van wanprestatie, hetzij op grond van onzorgvuldig handelen, alle nadelige gevolgen die Quion c.s. lijdt als gevolg van de toewijzing van één of meerdere vorderingen van [X] in de hoofdprocedure dienen te dragen en Quion c.s. terzake derhalve volledig dienen te vrijwaren alsmede alle door Quion c.s. in het kader van het voeren van de bodemprocedure en de onderhavige vrijwaringsprocedure gemaakte kosten dienen te vergoeden.

De notarissen hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3 De rechtbank heeft heden tevens vonnis gewezen in de hoofdzaak, waarbij nog geen eindbeslissing is gegeven, doch Quion c.s. is opgedragen bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [X] zelf haar handtekening heeft gezet onder de toestemmingsverklaring. De rechtbank heeft voorts in de hoofdzaak onder 4.10 overwogen dat indien Quion c.s. niet slaagt in het hiervoor vermelde bewijs de vordering van [X] jegens Quion VII voor toewijzing gereed liggen. Voor dat geval overweegt de rechtbank in de vrijwaring nu reeds het volgende.

3.4 De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van een notaris uit hoofde van zijn taak bij het verlijden van een akte, uitgangspunt dient te zijn dat op hem in zijn hoedanigheid een zwaarwegende zorgplicht rust ter zake van hetgeen nodig is voor het intreden van de rechtsgevolgen welke zijn beoogd met de in die akte opgenomen rechtshandelingen. Mede gelet op het vertrouwen dat de deelnemers aan het rechtsverkeer moeten kunnen stellen in een notariële akte, geldt de bedoelde verplichting jegens alle belanghebbenden en niet slechts jegens de partijen bij de in de notariële akte opgenomen rechtshandelingen. Nu Quion c.s. partij is bij de hypotheekakte en belanghebbende bij de volmacht en de toestemmingsverklaring rustte op ieder der notarissen voormelde zwaarwegende zorgplicht. Hieronder zal ten aanzien van elke notaris afzonderlijk beoordeeld worden of zij tekortgeschoten zijn in de nakoming van deze zorgplicht.

[gedaagde sub 1]

3.5 Wat betreft [gedaagde sub 1] heeft Quion c.s. aangevoerd dat aan het slot van de hypotheekakte een “notarisverklaring” is opgenomen, waarmee [gedaagde sub 1] bevestigt (en garandeert) dat er sprake is van een rechtsgeldig recht van hypotheek, waardoor [gedaagde sub 1] jegens Quion c.s. verplicht was ervoor zorg te dragen dat de met de in de akte opgenomen rechtshandeling beoogde rechtsgevolgen daadwerkelijk tot stand kwamen respectievelijk werden vastgelegd. Met de aantasting van de rechtsgeldigheid van de hypotheekakte staat de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] jegens Quion c.s. voor de dientengevolge door Quion geleden schade vast, aldus Quion c.s.

3.6 [gedaagde sub 1] heeft aangevoerd dat hem uit de volmacht afdoende was gebleken dat [X] destijds toestemming had verleend voor een transactie als neergelegd in de hypotheekakte. Niettemin heeft [gedaagde sub 1] zekerheidshalve een toestemmingsverklaring doen toekomen aan [X] met het verzoek deze ten overstaan van een notaris te ondertekenen. Op deze wijze zou [X] de gehele transactie nog eens kunnen overdenken en desgewenst maatregelen kunnen nemen om de totstandkoming daarvan te voorkomen. [gedaagde sub 1] mocht afgaan op de juistheid van de door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] verrichte handelingen.

De inhoud van de notarisverklaring bevat geen garantie van de notaris, maar een schriftelijke bevestiging van diens zorgplicht.

3.7 De rechtbank overweegt als volgt. In de hypotheekakte is een notarisverklaring opgenomen die verwijst naar een akte die is gedeponeerd ter griffie van de rechtbank te ’s-Gravenhage op 20 december 1991. In deze akte is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“(…)

IV. De notaris heeft tegenover de hypotheekhouder op zich genomen (…) niet alleen de door de wet aan hem als notaris, doch ook de door het gebruik aan hem te dezen als waarnemer van de belangen van de hypotheekhouder opgelegde verplichtingen, en in het bijzonder:

(…)

2. zich er van te overtuigen dat het recht van hypotheek rechtsgeldig is verleend en niet vernietigbaar is en dat de verkrijging van de eigendom of de vestiging of verkrijging van het beperkte recht waarop de hypotheek rust niet vernietigbaar is of aan de vervulling van een ontbindende voorwaarde blootstaat;

(…)

V. De notaris verbindt zich, indien bovengenoemde verplichtingen door hem niet naar behoren zijn nagekomen of indien overigens door toedoen of nalatigheid zijnerzijds de ten behoeve van de hypotheekhouder genomen inschrijving niet de bedoelde rang heeft, de daaruit voortvloeiende schade aan de hypotheekhouder te vergoeden;

(…)”.

In voormelde akte, waarnaar de notarisverklaring verwijst, is geen garantie, doch slechts een zorgplicht van de notaris opgenomen. De stelling van Quion c.s. dat met het enkele feit dat de hypotheekakte wordt aangetast doordat de volmacht niet rechtsgeldig is, vast staat dat [gedaagde sub 1] in de nakoming van zijn verplichtingen toerekenbaar jegens Quion c.s. is tekortgeschoten dan wel onzorgvuldig heeft gehandeld, is derhalve onjuist. Alleen in het geval komt vast te staan dat [gedaagde sub 1] een op hem rustende zorgplicht heeft geschonden, kan er sprake zijn van aansprakelijkheid jegens Quion c.s.

De rechtbank is van oordeel dat Quion c.s. hiertoe uiteindelijk onvoldoende heeft gesteld. Weliswaar heeft Quion c.s. in de dagvaarding naar voren gebracht dat [gedaagde sub 1] bij [X] zelf had moeten verifiëren of de volmacht nog rechtsgeldig was door om een uitdrukkelijk (schriftelijke) bevestiging van de instemming van [X] met het passeren van de hypotheekakte en de daarin vervatte rechtshandelingen te vragen, dat nu [gedaagde sub 1] heeft gekozen voor het opstellen van een separate toestemmingsverklaring hij bewust het risico heeft aanvaard dat de ondertekenaar van de toestemmingsverklaring de daarin vermelde volmacht over het hoofd zou zien en voorts dat [gedaagde sub 1] de toestemmingsverklaring niet aan [M.] mee had mogen geven, maar met een duidelijke begeleidende brief aan [X] had moeten zenden, doch nadat de notarissen deze stellingen van Quion c.s. gemotiveerd hadden betwist, is Quion c.s. op deze stellingen in haar conclusie van repliek niet meer teruggekomen, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat zij haar stellingen niet langer heeft gehandhaafd.

Deze stellingen overtuigden de rechtbank overigens niet. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde sub 1] door het opstellen van een toestemmingsverklaring, waarin de inhoud van de hypotheekakte integraal was opgenomen, en door te verlangen dat de handtekening van [X] onder deze verklaring zou worden gelegaliseerd aan de op hem rustende zorgplicht heeft voldaan. [gedaagde sub 1] mocht afgaan op de rechtsgeldigheid van de verleende volmacht. Met de toestemmingsverklaring werd beoogd dat [X] nogmaals gedwongen werd zich af te vragen of zij haar volmacht wilde handhaven en met de verlangde legalisatie werd beoogd dat gecontroleerd zou worden dat [X] zelf deze toestemmingsverklaring had gezien en ondertekend. [gedaagde sub 1] mocht er vervolgens, gezien de legalisatie door [gedaagde sub 3], vanuit gaan dat [X] zelf de toestemmingsverklaring had gezien en getekend.

Het voorgaande brengt met zich dat de vorderingen jegens [gedaagde sub 1] voor afwijzing gereed liggen.

[gedaagde sub 2]

3.8 Wat betreft [gedaagde sub 2] heeft Quion c.s. aangevoerd dat hij in zijn zorgplicht tekort is geschoten, nu hij de identiteit van de voor hem verschenen persoon niet op een behoorlijke wijze heeft vastgesteld en geverifieerd. Indien hij de foto op de identiteitskaart op juiste wijze had vergeleken met de persoon die voor hem was verschenen, had hij tot de conclusie moeten komen dat de voor hem verschijnende vrouw niet [X] was, althans had bij hem daaromtrent gerede twijfel moeten ontstaan naar aanleiding waarvan hij nader onderzoek had moeten doen. Daarnaast heeft er geen verificatie van de handtekening plaatsgevonden. Quion c.s. verwijst in dit kader naar de verklaring van [M.]s en gaat ervan uit dat de daarin vermelde [D.] zich tegenover [gedaagde sub 2] heeft voorgedaan als [X].

3.9 [gedaagde sub 2] heeft hiertegen aangevoerd dat hij aan de op hem rustende zorgplicht heeft voldaan, nu de identificatie als bedoeld in artikel 39 lid 1 van de Wet op het Notarisambt (hierna: WNa) heeft plaatsgevonden aan de hand van de geldige identiteitskaart van [X], gecombineerd met de wijze waarop de handtekening onder de akte werd geplaatst. Er deden zich geen bijzondere omstandigheden voor op basis waarvan [gedaagde sub 2] had moeten veronderstellen of vermoeden dat de desbetreffende persoon niet [X] was.

3.10 De rechtbank overweegt als volgt. Op de notaris rust de verplichting om zichzelf ervan te vergewissen dat degene die voor hem verschijnt ter ondertekening van een akte ook daadwerkelijk de identiteit heeft van degene die hij opgeeft te zijn. In artikel 39 lid 1 WNa is neergelegd dat deze identificatie dient plaats te vinden aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of van een geldig rijbewijs. Tussen partijen is niet in geschil dat in casu deze identificatie heeft plaatsgevonden aan de hand van de identiteitskaart van [X], hetgeen een document is als vermeld in artikel 39 lid 1 WNa. In het algemeen is het voldoende indien de pasfoto op het document vergeleken wordt met de verschenen persoon, tenzij er redenen zijn aan de identiteit van de verschenen persoon te twijfelen. Hierbij heeft de rechtbank mede in haar overwegingen betrokken dat een identiteitsbewijs een persoonlijk document is, waarover slechts een zeer beperkte kring van personen kan beschikken.

Door Quion c.s. is aangevoerd dat deze redenen er waren aangezien de verschenen persoon niet op [X] lijkt. Quion c.s. heeft erop gewezen dat [X] meer dan 10 jaar ouder is dan [D.], dat [D.] een stuk slanker en iets langer is dan [X] en een smaller gezicht heeft en voorts dat [X] een geprononceerd gebit heeft met een uitstekende hoektand, hetgeen op de foto op de identiteitskaart is te zien, en [D.] een regulier gebit. Ter onderbouwing van haar stelling heeft Quion c.s. voorts een verklaring van een buurman van [X] overgelegd, waarin hij stelt dat [D.] niet op [X] lijkt.

De rechtbank is van oordeel dat voormelde stellingen, ook indien deze alle juist zijn, onvoldoende grondslag bieden om tot de conclusie te komen dat [gedaagde sub 2] redenen had om aan de identiteit van de verschenen persoon te twijfelen. Hiertoe overweegt de rechtbank allereerst dat het om een fotovergelijking van het gezicht en niet om een vergelijking in persoon gaat. Een fotovergelijking brengt beperkingen met zich mee. Aan de hand van een gezichtsfoto is het postuur van een persoon niet dan wel moeilijk in te schatten. Daarnaast ging het in casu om een foto die minstens 4 jaar oud was, waardoor het inschatten van de leeftijd wordt bemoeilijkt en voorts niet uitgesloten mag worden geacht dat een persoon in die jaren veranderingen heeft ondergaan (bijvoorbeeld door gewichtsverlies dan wel –toename, haardracht of gebitscorrecties). Verder is de exacte lengte van een persoon moeilijk in te schatten. Voorts neemt de rechtbank in overweging dat [M.]s heeft verklaard dat [D.] zich die bewuste dag zodanig had opgemaakt dat zij enigszins op [X] leek en voorts de bril van [X] droeg.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde sub 2] aan de hand van de fotovergelijking redenen had moeten hebben te twijfelen aan de juiste identiteit van de voor hem verschenen persoon.

Door naast de fotovergelijking voorts te letten op de wijze waarop de handtekening werd gezet, heeft [gedaagde sub 2] naar het oordeel van de rechtbank aan de op hem rustende zorgplicht voldaan. Een vergelijking van handtekening hoefde niet van hem verlangd te worden. Het is een feit van algemene bekendheid dat het zonder bijzondere deskundigheid zeer moeilijk dan wel onmogelijk is om een valse handtekening van een echte handtekening te onderscheiden en voorts is het een feit van algemene bekendheid dat handtekeningen in de loop der jaren aan verandering onderhevig zijn. Hierdoor heeft de vergelijking van de gezette handtekening met die op het identificatiebewijs geen toegevoegde waarde, indien de identiteit reeds is vastgesteld aan de hand van dit identiteitsbewijs.

Uit het voorgaande volgt dat niet is vast komen te staan dat [gedaagde sub 2] de op hem rustende zorgplicht heeft geschonden, zodat de vorderingen jegens hem eveneens voor afwijzing gereed liggen.

[gedaagde sub 3]

3.11 Wat betreft [gedaagde sub 3] heeft Quion c.s. aangevoerd dat hij in de op hem rustende zorgplicht is tekort geschoten, aangezien hij de handtekening van [X] op de toestemmingsverklaring heeft gelegaliseerd, terwijl hij (of een van zijn kantoorgenoten of medewerkers) [X] niet daadwerkelijk heeft geïdentificeerd en de handtekening van [X] niet in zijn bijzijn (of in het bijzijn van een van zijn kantoorgenoten of medewerkers) is gezet.

3.12 [gedaagde sub 3] heeft hiertegen aangevoerd dat onder zijn verantwoordelijkheid de handtekening van [X] op de toestemmingsverklaring volgens de kantoorrichtlijnen is gelegaliseerd, hetgeen betekent dat het identiteitsbewijs door de receptioniste is gecontroleerd en de handtekening in het bijzijn van de receptioniste is geplaatst. Hij heeft de bewuste dag [X] ook zelf in zijn kantoor gezien. Ter onderbouwing van zijn stellingen is een verklaring overgelegd van P. Arisz die de bewuste dag als receptioniste werkte op het kantoor van [gedaagde sub 3].

3.13 De rechtbank is van oordeel dat indien de stellingen van Quion c.s. juist blijken te zijn, [gedaagde sub 3] in de op hem rustende zorgplicht jegens Quion c.s. is tekort geschoten. Tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagde sub 3] rust ingevolge artikel 150 Rv op Quion c.s. de bewijslast van haar stellingen, nu zij zich beroept op de rechtsgevolgen daarvan. Quion c.s. zal tot dit bewijs worden toegelaten. Gezien de samenhang tussen onderhavige bewijsopdracht en de heden in de hoofdzaak (zaaknummer 241172) en in de zaak van [X] tegen de notarissen (zaaknummer 261503) gegeven bewijsopdrachten, acht de rechtbank het geraden om de eventuele getuigenverhoren in alle zaken tegelijkertijd te laten plaatsvinden.

Schade

3.14 Elke beslissing ten aanzien van de schade zal worden aangehouden.

4 De beslissing in vrijwaring

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

draagt Quion c.s. op het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde sub 3] de handtekening van [X] op de toestemmingsverklaring heeft gelegaliseerd, terwijl hij (of een van zijn kantoorgenoten of medewerkers) [X] niet daadwerkelijk heeft geïdentificeerd en de handtekening van [X] niet in zijn bijzijn (of in het bijzijn van een van zijn kantoorgenoten of medewerkers) is gezet;

bepaalt dat indien Quion c.s. dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. Fiege;

bepaalt dat de procureur van Quion c.s. binnen twee weken na vonnisdatum aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan haar zijde in de maanden april tot en met juli 2008 en dat de procureur van de notarissen binnen dezelfde periode opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan haar zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Fiege.

Uitgesproken in het openbaar.

204