Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC6145

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-01-2008
Datum publicatie
10-03-2008
Zaaknummer
261503 / HA ZA 06-1422
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Samenhangende zaak met zaaknummer 241172. Handtekening van vrouw onder notariële akte waarin zij haar man algehele volmacht verleent, is vervalst. Met deze volmacht heeft de man een hypotheekakte mede namens de vrouw getekend. De vrouw spreekt de notaris

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2008, 36
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 261503 / HA ZA 06-1422

Uitspraak: 30 januari 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiseres],

wonende te IJmuiden,

eiseres,

hierna te noemen: “[eiseres]”,

procureur mr. W.L. Stolk,

advocaat mr. P.J. Erdbrink te Amstelveen,

- tegen -

1. [gedaagde sub 1],

kantoorhoudende te Velsen-Zuid,

hierna te noemen: “[gedaagde sub 1]”,

2. [gedaagde sub 2],

kantoorhoudende te Voorburg,

hierna te noemen: “[gedaagde sub 2]”,

3. [gedaagde sub 3],

kantoorhoudende te Velsen-Zuid,

hierna te noemen: “[gedagde sub 3]”,

gedaagden,

procureur mr. W.J. Hengeveld,

advocaat mr. M.F. J. Haak te Amsterdam.

Gedaagden worden hierna gezamenlijk ook wel aangeduid als “de notarissen”.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

dagvaarding d.d. 31 januari 2006 voor de rechtbank ‘s-Gravenhage, tevens incidentele vordering tot verwijzing, en de door [eiseres] overgelegde producties;

conclusie tot referte in het incident tot verwijzing;

vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage d.d. 22 maart 2006, waarbij de zaak in de stand waarin zij zich bevond naar onderhavige rechtbank is verwezen;

akte overlegging producties aan de zijde van [eiseres];

conclusie van antwoord, met producties;

conclusie van repliek, met producties;

conclusie van dupliek.

2 Het geschil

De vordering luidt –verkort weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

voor recht te verklaren dat [gedaagde sub 1] zich jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gedragen terzake van de totstandkoming van de op 4 juli 2000 verleden volmacht en de mede daarop op 12 februari 2001 gebaseerde hypotheekakte;

voor recht te verklaren dat [gedaagde sub 2] zich jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gedragen terzake van (het in het maatschappelijk verkeer brengen van) de nog ongetekende toestemmingsverklaring en het passeren van de hypotheekakte;

voor recht te verklaren dat [gedagde sub 3] zich jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gedragen terzake van de op 9 februari 2001 door hem gelegaliseerde toestemmingsverklaring en de mede daarop op 12 februari 2001 gebaseerde hypotheekakte;

de notarissen hoofdelijk te veroordelen om aan [eiseres] te betalen de volledige schade die [eiseres] als gevolg van voornoemd onrechtmatig gedrag heeft geleden en nog zal lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

de notarissen hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de kosten van de onderhavige procedure.

Het verweer van de notarissen strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiseres] in de kosten van het geding.

3 De beoordeling

3.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:

[eiseres] is van 24 april 1986 tot 16 december 2004 op huwelijkse voorwaarden, inhoudende een solitair periodiek verrekenbeding, gehuwd geweest met[man] (hierna: [man]).

Bij notariële akte van 14 maart 1988 hebben [eiseres] en [man] een regeling ter zake de eigendom van het woonhuis met ondergrond, tuin en schuur, staande en gelegen aan de Eksterlaan 25 te IJmuiden (hierna: het woonhuis), waarvan zij ieder voor de onverdeelde helft eigenaren waren, getroffen en die woning geheel toegedeeld aan [eiseres].

[gedaagde sub 1] heeft op 4 juli 2000 een akte verleden, waarin is vermeld dat [eiseres] volmacht en last heeft gegeven aan [man] om haar in alle opzichten te vertegenwoordigen en al haar rechten en belangen, zonder enige uitzondering, waar te nemen en uit te oefenen, strekkende de volmacht ook om onroerende zaken te verkrijgen, te vervreemden of te bezwaren (hierna: de volmacht).

Op 12 februari 2001 heeft [gedaagde sub 2] een hypotheekakte verleden, waarin staat vermeld dat [man], handelend voor zich in privé en als schriftelijk gevolmachtigde van [eiseres], heeft verklaard met Hypotrust VII b.v. (thans Quion VII) een geldlening ter hoogte van fl. 677.000- te zijn aangegaan (hierna: de geldlening). Voorts staat in die akte (hierna: de hypotheekakte) vermeld dat tot zekerheid voor onder andere de betaling van de hoofdsom het recht van eerste hypotheek is verleend op de woning, tot een totaalbedrag ter grootte van fl. 1.015.500,-. In de hypotheekakte is opgenomen dat van het bestaan van de volmachten de notaris genoegzaam is gebleken en dat de volmacht [man]/[eiseres] is vervat in een op 4 juli 2000 verleden akte.

Op 9 februari 2001 heeft [gedagde sub 3] de handtekening gelegaliseerd welke geplaatst is onder een toestemmingsverklaring, waarin staat vermeld dat [eiseres] verklaart dat zij haar echtgenoot toestemming als bedoeld in artikel 88 boek 1 BW verleent tot het aangaan van de in de hiervoor vermelde hypotheekakte omschreven rechtshandelingen (hierna: de toestemmingsverklaring). De inhoud van de hypotheekakte is integraal opgenomen in deze toestemmingsverklaring.

De geldlening is onder meer aangewend om een bestaande vordering van de Coöperatieve Rabobank Voorschoten-Wassenaar (verder: de Rabobank) op [eiseres] en [man] ad € 140.444,98 te voldoen.

In mei 2003 en juni 2003 heeft [eiseres] aangifte gedaan jegens onder andere [man] ter zake van valsheid in geschrifte en oplichting. Zij heeft daarbij onder meer verklaard dat de handtekening die op 4 juli 2000 ten overstaan van [gedaagde sub 1] onder de volmacht is geplaatst niet door haar is gezet evenmin als de handtekening onder de toestemmingsverklaring.

[man] heeft op 25 juni 2003 tegenover de politie – voor zover hier van belang – het volgende verklaard:

“(…) In februari 1998 kwam ik in contact me[X.]er [X] uit Den Haag. (…) U toont mij een copie van een volmacht genummerd 1a opgemaakt door notaris [gedaagde sub 1] uit Velsen. U vraagt mij hoe deze volmacht is verkregen. Ik nam telefonisch contact op met notaris [gedaagde sub 1] en legde hem uit dat mijn vrouw en ik een volmacht wilden laten opmaken. Ik moet wel zeggen dat mijn vrouw hiervan niet op de hoogte was. Deze volmacht moest inhouden dat mijn vrouw mij machtigde om namens haar op te treden en ook wederzijds. (…) Ik heb de door de notaris opgemaakte volmacht opgehaald. (…) Ik vernam van mijn vrouw dat zij deze volmacht niet wenste te ondertekenen. (…) Op aandringen van [X.] ben ik overstag gegaan om buiten mijn vrouw om de volmacht in orde te brengen. (…) Ik vernam van [X.] dat zijn vrouw wel wilde optreden als mijn vrouw bij notaris [gedaagde sub 1] ter ondertekening van de volmacht. Ik moet hierbij aangeven dat ik reeds in het bezit was van het legitimatiebewijs van mijn vrouw. Voordat wij die dag naar de notaris gingen heeft de vrouw van [X.] zich zodanig opgemaakt dat zij enigszins op mijn vrouw leek. Zij droeg de bril van mijn vrouw. (…) De vrouw van [X.] is gena[D.]] (…) Op de dag van het ondertekenen van de volmacht bij notaris [gedaagde sub 1] zijn wij op zijn kantoor geweest. (…) De notaris liet ons de volmacht zien en zowel ik als mevrouw [D.] tekende deze volmacht. Mevrouw [D.] tekende onder de naam van [eiseres]. Zij had een voorbeeld van de handtekening van mijn vrouw. (…) De handtekening voorkomende op de volmacht is dus niet geplaatst door mijn vrouw maar door [D.]. (…)

U toont mij een copie van de toestemmingsverklaring onder nummer 5a d.d. 12 februari 2001. Deze toestemmingsverklaring had ik nodig voor het afsluiten van de hypotheek van de woning aan de Eksterlaan zodat de voorgaande hypotheken konden vervallen. Ik heb deze hypotheekverhoging tot 677.000 gulden doen plaatsvinden bij een notaris in Voorburg op aanraden van [X.]. Deze notaris werkte niet per volmacht maar met een toestemmingsverklaring. Deze toestemmingsverklaring is opgemaakt door die notaris en door mij opgehaald ter ondertekening door mijn vrouw. Ik heb deze verklaring thuis kennelijk zelf ondertekend, althans ik heb de handtekening van mijn vrouw onder deze verklaring geplaatst. Vervolgens heb ik deze akte gebracht naar notaris [gedagde sub 3] in Velsen voor legalisatie van de handtekening. Dat werd in orde bevonden. Ik heb dus ook in deze een valse handtekening geplaatst als zijnde echt en onvervalst. (…)”.

Bij vonnis van de politierechter te Haarlem d.d. 20 december 2006, op tegenspraak gewezen, is bewezen verklaard dat [man] op 4 juli 2000 tezamen en in vereniging met een ander of anderen valsheid in geschrifte heeft gepleegd doordat hij dan wel een mededader een handtekening op de volmacht heeft geplaatst, welke moest doorgaan voor de handtekening van [eiseres] en dat [man] in de periode van 17 januari 2001 tot en met 18 april 2002 meermalen valsheid in geschrifte heeft gepleegd door valselijk op onder meer de toestemmingsverklaring een handtekening te plaatsen die moest doorgaan voor de handtekening van [eiseres].

3.2 [eiseres] heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat ieder der notarissen is tekort geschoten in de op hem rustende onderzoeks- en zorgvuldigheidsverplichtingen jegens [eiseres]. De notarissen hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3 De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van een notaris uit hoofde van zijn taak bij het verlijden van een akte, uitgangspunt dient te zijn dat op hem in zijn hoedanigheid jegens alle belanghebbenden een zwaarwegende zorgplicht rust ter zake van hetgeen nodig is voor het intreden van de rechtsgevolgen welke zijn beoogd met de in die akte opgenomen rechtshandelingen. Nu het om een zwaarwegende zorgplicht gaat, brengt dit een verhoogde onderzoeks- en zorgplicht met zich. Hieronder zal ten aanzien van elke notaris afzonderlijk beoordeeld worden of zij tekortgeschoten zijn in de nakoming van deze zorgplicht.

[gedaagde sub 1]

3.4 Wat betreft [gedaagde sub 1] heeft [eiseres] aangevoerd dat hij in zijn zorgplicht tekort is geschoten, nu hij de identiteit van de voor hem verschenen persoon niet op een deugdelijke wijze heeft vastgesteld en geverifieerd. Hij heeft verzuimd het gezicht van de versschenen persoon en het gezicht van de foto op de getoonde identiteitskaart afdoende met elkaar te vergelijken, de geplaatste handtekening van de verschenen persoon op de volmacht en de handtekening op de achterzijde van de getoonde identiteitskaart met elkaar te vergelijken en de achterkant van de identiteitskaart met de hierop voorkomende handtekening te fotokopiëren. [eiseres] verwijst in dit kader onder meer naar de verklaring van [man]s en gaat ervan uit dat de daarin vermelde [D.] zich tegenover [gedaagde sub 1] heeft voorgedaan als [eiseres].

3.5 [gedaagde sub 1] heeft hiertegen aangevoerd dat hij aan de op hem rustende zorgplicht heeft voldaan, nu de identificatie als bedoeld in artikel 39 lid 1 van de Wet op het Notarisambt (hierna: WNa) heeft plaatsgevonden aan de hand van de geldige identiteitskaart van [eiseres], gecombineerd met de wijze waarop de handtekening onder de akte werd geplaatst. Er deden zich geen bijzondere omstandigheden voor op basis waarvan [gedaagde sub 1] had moeten veronderstellen of vermoeden dat de desbetreffende persoon niet [eiseres] was.

3.6 De rechtbank overweegt als volgt. Op de notaris rust de verplichting om zichzelf ervan te vergewissen dat degene die voor hem verschijnt ter ondertekening van een akte ook daadwerkelijk de identiteit heeft van degene die hij opgeeft te zijn. In artikel 39 lid 1 WNa is neergelegd dat deze identificatie dient plaats te vinden aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of van een geldig rijbewijs. Tussen partijen is niet in geschil dat in casu deze identificatie heeft plaatsgevonden aan de hand van de identiteitskaart van [eiseres], hetgeen een document is als vermeld in artikel 39 lid 1 WNa. In het algemeen is het voldoende indien de pasfoto op het document vergeleken wordt met de verschenen persoon, tenzij er redenen zijn aan de identiteit van de verschenen persoon te twijfelen. Hierbij heeft de rechtbank mede in haar overwegingen betrokken dat een identiteitsbewijs een persoonlijk document is, waarover slechts een zeer beperkte kring van personen kan beschikken.

Door [eiseres] is aangevoerd dat [gedaagde sub 1] de fotovergelijking niet afdoende heeft uitgevoerd. [eiseres] heeft erop gewezen dat [eiseres] meer dan 10 jaar ouder is dan [D.], dat [D.] een stuk slanker en iets langer is dan [eiseres] en een smaller gezicht heeft en voorts dat [eiseres] een geprononceerd gebit heeft met een uitstekende hoektand, hetgeen op de foto op de identiteitskaart is te zien, en [D.] een regulier gebit. Ter onderbouwing van haar stelling heeft [eiseres] voorts een verklaring van een buurman overgelegd, waarin hij stelt dat [D.] niet op [eiseres] lijkt.

De rechtbank is van oordeel dat voormelde stellingen, ook indien deze alle juist zijn, onvoldoende grondslag bieden om tot de conclusie te komen dat [gedaagde sub 1] de fotovergelijking onzorgvuldig heeft uitgevoerd. Hiertoe overweegt de rechtbank allereerst dat het om een fotovergelijking van het gezicht en niet om een vergelijking in persoon gaat. Een fotovergelijking brengt beperkingen met zich mee. Aan de hand van een gezichtsfoto is het postuur van een persoon niet dan wel moeilijk in te schatten. Daarnaast ging het in casu om een foto die minstens 4 jaar oud was, waardoor het inschatten van de leeftijd wordt bemoeilijkt en voorts niet uitgesloten mag worden geacht dat een persoon in die jaren veranderingen heeft ondergaan (bijvoorbeeld door gewichtsverlies dan wel –toename, haardracht of gebitscorrecties). Verder is de exacte lengte van een persoon moeilijk in te schatten. Voorts neemt de rechtbank in overweging dat [man]s heeft verklaard dat [D.] zich die bewuste dag zodanig had opgemaakt dat zij enigszins op [eiseres] leek en voorts de bril van [eiseres] droeg.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde sub 1] aan de hand van de fotovergelijking redenen had moeten hebben te twijfelen aan de juiste identiteit van de voor hem verschenen persoon.

Door naast de fotovergelijking voorts te letten op de wijze waarop de handtekening werd gezet, heeft [gedaagde sub 1] naar het oordeel van de rechtbank aan de op hem rustende zorgplicht voldaan. Een vergelijking van handtekening hoefde niet van hem verlangd te worden. Het is een feit van algemene bekendheid dat het zonder bijzondere deskundigheid zeer moeilijk dan wel onmogelijk is om een valse handtekening van een echte handtekening te onderscheiden en voorts is het een feit van algemene bekendheid dat handtekeningen in de loop der jaren aan verandering onderhevig zijn. Hierdoor heeft de vergelijking van de gezette handtekening met die op het identificatiebewijs geen toegevoegde waarde, indien de identiteit reeds is vastgesteld aan de hand van dit identiteitsbewijs. Het kopiëren van de achterzijde van de identiteitskaart heeft in het licht van het voorgaande ook geen toegevoegde waarde.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat niet is vast komen te staan dat [gedaagde sub 1] de op hem rustende zorgplicht heeft geschonden, zodat de vorderingen jegens hem voor afwijzing gereed liggen.

[gedaagde sub 2]

3.7 Wat betreft [gedaagde sub 2] heeft [eiseres] aangevoerd dat hij niet voldaan heeft aan zijn verplichting om:

a. te controleren of de nog ongetekende toestemmingsverklaring bij [eiseres] bekend was;

b. te controleren of hetgeen in de toestemmingsverklaring was opgenomen overeenstemde met de bedoeling van [eiseres];

c. [eiseres] te informeren over de rechtsgevolgen van de in de toestemmingverklaring en beoogde hypotheekakte op te nemen rechthandelingen;

d. te controleren of de volmacht waarvan [man] zich bediende nog rechtsgeldig was.

3.8 [gedaagde sub 2] heeft aangevoerd dat hem uit de volmacht afdoende was gebleken dat [eiseres] destijds toestemming had verleend voor een transactie als neergelegd in de hypotheekakte. Niettemin heeft [gedaagde sub 2] zekerheidshalve een toestemmingsverklaring doen toekomen aan [eiseres] met het verzoek deze ten overstaan van een notaris te ondertekenen. Op deze wijze zou [eiseres] de gehele transactie nog eens kunnen overdenken en desgewenst maatregelen kunnen nemen om de totstandkoming daarvan te voorkomen. [gedaagde sub 2] mocht afgaan op de juistheid van de door [gedaagde sub 1] en [gedagde sub 3] verrichte handelingen.

3.9 De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde sub 2] door het opstellen van een toestemmingsverklaring, waarin de inhoud van de hypotheekakte integraal was opgenomen, en door te verlangen dat de handtekening van [eiseres] onder deze verklaring zou worden gelegaliseerd aan de op hem rustende zorgplicht heeft voldaan. [gedaagde sub 2] mocht afgaan op de rechtsgeldigheid van de verleende volmacht. Met de toestemmingsverklaring werd beoogd dat [eiseres] nogmaals gedwongen werd zich af te vragen of zij haar volmacht wilde handhaven en met de verlangde legalisatie werd beoogd dat gecontroleerd zou worden dat [eiseres] zelf deze toestemmingsverklaring had gezien en ondertekend. [gedaagde sub 2] mocht er vervolgens, gezien de legalisatie door [gedagde sub 3], vanuit gaan dat [eiseres] zelf de toestemmingsverklaring had gezien en getekend. Hieruit volgt dat de vorderingen jegens [gedaagde sub 2] eveneens voor afwijzing gereed liggen.

[gedagde sub 3]

3.10 Wat betreft [gedagde sub 3] heeft [eiseres] aangevoerd dat hij in de op hem rustende zorgplicht is tekort geschoten, aangezien hij de handtekening van [eiseres] op de toestemmingsverklaring heeft gelegaliseerd, terwijl niet hijzelf de identiteit heeft vastgesteld, doch dit heeft overgelaten aan een personeelslid, zijnde de receptioniste, de handtekening van [eiseres] niet in zijn bijzijn is gezet en er geen vergelijking heeft plaatsgevonden van de te legaliseren handtekening en de handtekening op de identiteitskaart.

3.11 [gedagde sub 3] heeft hiertegen aangevoerd dat de legalisatie van een handtekening inhoudt de bevestiging door de notaris dat de handtekening op een bepaald stuk echt is. [gedagde sub 3] heeft [eiseres] op 9 februari 2001 in persoon op kantoor gezien en hij kende [eiseres] uit hoofde van een eerdere transactie. Ingevolge artikel 39 lid 1 WNa hoefde [gedagde sub 3] de identiteit van [eiseres] niet opnieuw vast te stellen.

Onder verantwoordelijkheid van [gedagde sub 3] is de handtekening gelegaliseerd volgens kantoorrichtlijnen, hetgeen inhoudt dat de receptioniste het identiteitsbewijs controleert, dat in het bijzijn van de receptioniste de handtekening wordt geplaatst en dat de notaris vervolgens tekent voor de legalisatie.

3.12 De rechtbank overweegt als volgt. [gedagde sub 3] heeft primair de stelling van [eiseres] dat zij op 9 februari 2001 niet op het kantoor van [gedagde sub 3] is geweest, betwist. Ter onderbouwing van haar stelling heeft [eiseres] gewezen op het vonnis van de politierechter te Haarlem d.d. 20 december 2006 (hiervoor vermeld onder 3.1.i.). [gedagde sub 3] heeft de stelling van [eiseres] dat dit vonnis inmiddels onherroepelijk is niet betwist, zodat de rechtbank dat als vaststaand aanneemt. Dit vonnis levert mitsdien krachtens artikel 161 Rv dwingend bewijs op van het feit dat [man]s op de toestemmingsverklaring een handtekening heeft geplaatst die moest doorgaan voor de handtekening van [eiseres]. Daarnaast heeft [eiseres] ook nog overgelegd een beknopt deskundigenverslag d.d. 12 september 2005 van een forensisch schriftonderzoek uitgevoerd door [deskundige], waarin deze tot de conclusie komt dat onder meer de handtekening onder de toestemmingsverklaring met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen echte handtekening van [eiseres] is. De juistheid van dit verslag is door [gedagde sub 3] niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist. In beginsel staat het een partij vrij om tegenbewijs te leveren tegen de dwingende bewijskracht van een op tegenspraak gewezen strafvonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan. De rechtbank is echter van oordeel dat het mede gezien voormeld deskundigenverslag op de weg van [gedagde sub 3] had gelegen om zijn betwisting nader te onderbouwen dan wel een concreet bewijsaanbod op dit punt te doen. Nu [gedagde sub 3] dit heeft nagelaten, zal hij niet tot dit tegenbewijs worden toegelaten en neemt de rechtbank als vaststaand aan dat de handtekening onder de toestemmingsverklaring niet door [eiseres] is gezet.

3.13 Wat betreft de stelling van [eiseres] dat een notaris bij een legalisatie de identificatie van een persoon en het waarnemen van het zetten van de handtekening niet kan overlaten aan een personeelslid overweegt de rechtbank het volgende.

Artikel 52, lid 2 WNa bepaalt dat de legalisatie van een handtekening door de notaris inhoudt dat hij op het aangeboden stuk of op een daaraan aangehecht stuk een door hem gedagtekende en ondertekende verklaring stelt waarin hij de echtheid van de handtekening bevestigt. De rechtbank is van oordeel dat dit, anders dan bij het verlijden van een akte, niet met zich brengt dat de notaris zelf de identiteit dient vast te stellen en zelf dient waar te nemen dat de handtekening (vloeiend) wordt gezet. De notaris dient wel te waarborgen dat beide handelingen zorgvuldig worden verricht. Een dergelijk waarborg kan worden verkregen door het hanteren van een kantoorprotocol en het voldoende instrueren van de personeelsleden om conform dit protocol te werk te gaan. Nu gesteld noch gebleken is dat het kantoorprotocol ondeugdelijk is, dan wel het personeel onvoldoende geïnstrueerd, kan onderhavige stelling van [eiseres] niet tot de conclusie leiden dat [gedagde sub 3] niet voldaan heeft aan de op hem rustende zorgplicht jegens [eiseres].

3.14 [eiseres] heeft voorts nog aangevoerd dat de handtekening onder de toestemmingsverklaring niet in het bijzijn van de receptioniste van [gedagde sub 3] is gezet. Indien deze stelling juist is, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat [gedagde sub 3] in de op hem rustende zorgplicht jegens [eiseres] tekort is geschoten. Tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedagde sub 3], rust ingevolge artikel 150 Rv op [eiseres] de bewijslast van haar stelling, nu zij zich beroept op de rechtsgevolgen daarvan. [eiseres] zal tot dit bewijs worden toegelaten. Gezien de samenhang tussen onderhavige bewijsopdracht en de heden in de zaak van [eiseres] tegen Quion c.s. (zaaknummer 241172) en in de vrijwaringszaak van Quion c.s. tegen de notarissen (zaaknummer 258351) gegeven bewijsopdrachten, acht de rechtbank het geraden om de eventuele getuigenverhoren in alle zaken tegelijkertijd te laten plaatsvinden.

4 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

draagt [eiseres] op het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [gedagde sub 3] de handtekening van [eiseres] op de toestemmingsverklaring heeft gelegaliseerd, terwijl deze handtekening niet in zijn bijzijn van de receptioniste van [gedagde sub 3] is gezet;

bepaalt dat indien [eiseres] dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. Fiege;

bepaalt dat de procureur van [eiseres] binnen twee weken na vonnisdatum aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan haar zijde in de maanden april tot en met augustus 2008 en dat de procureur van de notarissen binnen dezelfde periode opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan haar zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Fiege.

Uitgesproken in het openbaar.

204