Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC6139

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
10-03-2008
Zaaknummer
274325 / HA ZA 06-3399
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schade door overlijden. Rechtstreekse actie. Artikel 7:954 BW. Geen juiste toepassing gegeven aan lid 6. Verzekerde niet tijdig opgeroepen. Niet-ontvankelijk.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 108
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Burgerlijk Wetboek Boek 7 954
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 118
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2008, 54
JA 2008/103
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 274325 / HA ZA 06-3399

Uitspraak: 30 januari 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiseres],

wonende te Maassluis,

eiseres,

procureur mr. S.P.J.F. Zwanen,

advocaat mr. R.F. Ruers te Utrecht,

- tegen -

de naamloze vennootschap

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERINGEN NV,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

procureur mr. W.L. Stolk,

advocaat mr. M. de Vries te Arnhem.

1. Het verloop van de

procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende processtukken:

de dagvaarding met de producties 1 tot en met 14;

de conclusie van antwoord met de producties 1 tot en met 4;

de conclusie van repliek met de producties 15 tot en met 18;

de conclusie van dupliek met de producties 5 tot en met 7.

2. Het geschil

[eiseres] vordert, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

te verklaren voor recht dat Allianz, als gedaagde en als verzekeraar van Dok- en Werfmaatschappij Wilton Fijenoord BV en Rotterdam United Shipyard BV, op grond van het bepaalde in de artikelen 7:658 BW en artikel 7:954 BW jegens [X] en [eiseres] verwijtbaar tekortgeschoten is en daardoor jegens [eiseres] schadeplichtig is geworden;

Allianz dientengevolge te veroordelen om aan [eiseres] te vergoeden haar materiële schade krachtens artikel 6:108 BW, als verwoord in de dagvaarding en daarbij de hoogte van de door Allianz te betalen schadevergoeding te bepalen aan de hand van de proportionele aansprakelijkheid die nader dient te worden vastgesteld door een of meer deskundigen, op de wijze die [eiseres] in de dagvaarding heeft toegelicht, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente over het op die wijze vastgestelde schadebedrag vanaf 19 augustus 2000 tot aan de dag van algehele voldoening;

Allianz te veroordelen om aan [eiseres] te vergoeden de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 3.536,54, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van deze dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

Allianz te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Allianz voert verweer tegen deze vorderingen en concludeert, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

[eiseres] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans haar die vorderingen te ontzeggen;

[eiseres] te veroordelen in de kosten van dit geding, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis en (voor het geval voldoening niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis plaatsvindt) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis tot aan de dag van algehele voldoening;

[eiseres] te veroordelen in de nakosten ad € 131,= dan wel, indien betekening van het vonnis plaatsvindt, ad € 199,= en de eventuele verdere executiekosten.

3. De beoordeling

3.1 De rechtbank gaat uit van de

navolgende tussen partijen vaststaande feiten.

[eiseres] is gehuwd geweest met de heer [X], geboren op [geboortedatum].

[X] is in november 1969 als lasser in dienst getreden van Dok- en Werfmaatschappij Wilton Fijenoord BV (hierna: Wilton Fijenoord).

Op 17 april 1999 zijn bedrijfsactiviteiten van Wilton Fijenoord overgenomen door Rotterdam United Shipyard BV. Vanaf die datum is [X] in dienst getreden van Rotterdam United Shipyard BV, door in 2001 plaatsgevonden naamswijziging sindsdien geheten Rotterdam United Dockyard BV (hierna: Rotterdam United).

In 2000 is bij [X] de diagnose longkanker gesteld. Op 19 augustus 2000 is [X] overleden.

Allianz is de aansprakelijkheidsverzekeraar van Wilton Fijenoord en van Rotterdam United.

[eiseres] vordert schadevergoeding van Allianz, zowel pro se als in haar hoedanigheid van erfgename van [X], mede namens de andere erfgename.

[eiseres] heeft Rotterdam United gedagvaard voor de kantonrechter te Rotterdam ter zake van de schade waarvan in deze procedure vergoeding wordt gevorderd.

3.2 [eiseres] legt - mede blijkens de

nadere toelichting bij repliek onder punt 3 - aan haar vorderingen ten grondslag

dat zij krachtens artikel 7:954 BW rechtstreeks van Allianz nakoming kan

vorderen van de verbintenis van Allianz tot betaling van een

verzekeringsuitkering aan haar verzekerden Wilton Fijenoord en Rotterdam United,

de voormalige werkgevers van [X]. Die verbintenis berust volgens [eiseres] op het

verwijtbaar tekortschieten van de werkgevers van [X] in de zin van artikel

7:658 BW, waarvoor de door hen met Allianz gesloten

aansprakelijkheidsverzekeringen dekking bieden. Ter onderbouwing hiervan heeft

[eiseres] aangevoerd dat de longkanker (mede) is veroorzaakt door blootstelling aan

asbest in het werk voor beide werkgevers.

3.3 Allianz heeft (bij conclusie

van antwoord) als primair verweer aangevoerd dat [eiseres] niet-ontvankelijk dient te

worden verklaard in haar vorderingen, omdat niet is gebleken dat Wilton

Fijenoord en Rotterdam United tijdig in deze procedure zijn betrokken, hetgeen

krachtens artikel 7:954 lid 6 BW een vereiste is voor het kunnen instellen van

een directe actie tegen Allianz als verzekeraar. Allianz heeft hieraan

toegevoegd dat de in artikel 7:954 lid 2 BW geregelde uitzondering niet van

toepassing is, omdat geen sprake is van een verzekerde die heeft opgehouden te

bestaan.

In reactie hierop heeft [eiseres] bij repliek aangevoerd dat zij "inmiddels" tot dagvaarding van Rotterdam United bij de kantonrechter te Rotterdam is overgegaan, waarbij zij er van uitgaat dat de desbetreffende procedure zal worden gevoegd met de onderhavige procedure.

3.4 Naar het oordeel van de

rechtbank heeft [eiseres] hiermee geen juiste toepassing gegeven aan lid 6 van artikel

7:954 BW, dat bepaalt dat de bevoegdheid om een directe actie in te stellen

slechts bestaat indien de benadeelde er voor zorg draagt dat de verzekerde

tijdig in het geding wordt geroepen. Oproeping op basis van artikel 118 Rv. dan

wel door gezamenlijke dagvaarding van verzekerde(n) en verzekeraar(s) ligt in de

rede.

Daargelaten dat Rotterdam United in een procedure voor de kantonrechter is betrokken en van (verwijzing en) voeging tot op heden niet is gebleken, als dit al mogelijk kan worden geacht gelet op het bepaalde in artikel 220 lid 5 Rv., moet worden vastgesteld dat slechts één van de twee verzekerden ter zake van de onderhavige gestelde aansprakelijkheid in rechte is betrokken, te weten de werkgever waarbij [X] vanaf 17 april 1999 in dienst is geweest. Nu [eiseres] zich uitdrukkelijk beroept op aansprakelijkheid van beide werkgevers en Allianz aanspreekt vanwege de met deze beide werkgevers afgesloten verzekeringen, heeft het op de weg van [eiseres] gelegen (ook) Wilton Fijenoord in het geding te roepen, hetgeen niet is geschied en waarvoor [eiseres] ook geen enkele verklaring heeft gegeven. In het bijzonder is gesteld noch gebleken dat Wilton Fijenoord heeft opgehouden te bestaan, zodat de in lid 6 juncto lid 2 van artikel 7:954 BW geregelde uitzondering op voormeld vereiste in dit geval niet van toepassing is.

Reeds hieruit volgt dat het betoog van [eiseres] (bij repliek) dat het voor haar niet duidelijk was welk bedrijf in 1999 activiteiten, althans personeel, van Wilton Fijenoord heeft overgenomen, niet tot een ander oordeel kan leiden. Dit zou hooguit een verklaring kunnen vormen voor het geval de opvolgend werkgever (Rotterdam United) niet in het geding wordt geroepen, maar geen verklaring voor het niet oproepen van Wilton Fijenoord.

Bovendien is, nadat Wilton Fijenoord al aansprakelijk was gesteld bij brief van 31 maart 2005, ook Rotterdam United (toen nog Rotterdam United Shipyard BV geheten) aansprakelijk gesteld, te weten bij brief van 1 juli 2005, zodat van eventuele aanvankelijke onduidelijkheid al ruim voor de dagvaarding in deze procedure geen sprake meer was.

3.5 Bij het voorgaande wordt

aangetekend dat denkbaar is dat aan het vereiste van "tijdig" oproepen in de zin

van artikel 7:954 lid 6 BW nog kan zijn voldaan indien de verzekerde in de

procedure wordt betrokken nadat de conclusie van antwoord is genomen en onder

omstandigheden zelfs ook nog na het nemen van de conclusie van dupliek. Het gaat

er blijkens de parlementaire geschiedenis van deze bepaling om dat de verzekerde

in een zodanig stadium van de procedure wordt opgeroepen dat hij een behoorlijke

gelegenheid heeft om zijn belangen in die procedure te behartigen (MvA

2004/2005, 19 529 B). Daarbij is, onder verwijzing naar het arrest HR 7 maart

2003, NJ 2003/244, opgemerkt dat aan "tijdig" de betekenis toekomt dat de

oproeping, zo deze door misverstand niet tegen de eerste zittingsdag geschiedt,

niet zo laat mag zijn dat de opgeroepene niet meer de volle gelegenheid zou

hebben om zijn standpunt uiteen te zetten of de gedaagde partij in zijn

verdediging zou worden geschaad.

In genoemd arrest is aangegeven dat deze maatstaf meebrengt dat pas na kennisneming van het standpunt van de opgeroepene kan worden beoordeeld of de oproeping tijdig is geweest; indien de opgeroepene geen eigen standpunt inneemt, komt de oproeping niet in strijd met het vereiste van tijdigheid. Voorts is de mogelijkheid genoemd dat de rechter ambtshalve de gelegenheid biedt - alsnog - tot oproeping over te gaan.

3.6 Naar het oordeel van de

rechtbank heeft [eiseres] evenwel voldoende gelegenheid gehad de verzekerden in het

geding te roepen. Zelfs na het desbetreffende uitdrukkelijke (primaire) verweer

van Allianz heeft zij hiervoor echter niet zorg gedragen. Een adequate

verklaring heeft zij daarvoor niet gegeven. Bij dupliek heeft Allianz haar

verweer op dit punt uitdrukkelijk gehandhaafd. In deze omstandigheden acht de

rechtbank het in strijd met de goede procesorde om ambtshalve te beslissen dat

[eiseres] nog de gelegenheid wordt geboden de verzekerden, althans Wilton Fijenoord,

in het geding te roepen.

3.7 Op grond van het voorgaande

moet worden geconcludeerd dat [eiseres] thans niet bevoegd kan worden geacht de

onderhavige rechtsvordering tegen Allianz te vervolgen, zodat [eiseres]

niet-ontvankelijk in haar vorderingen zal worden verklaard.

3.8 De overige standpunten van

partijen blijven derhalve onbesproken.

3.9 [eiseres] zal als de in het

ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

Voor de invordering van eventuele nakosten wordt verwezen naar artikel 237 lid 4

Rv.

4. De beslissing

De rechtbank

verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vorderingen;

veroordeelt [eiseres], uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten, aan de zijde van Allianz tot op heden begroot op € 248,00 aan vast recht en op € 904,= aan salaris voor de procureur, deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na dit vonnis.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans.

Uitgesproken in het openbaar.

[1694]