Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC6130

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
10-03-2008
Zaaknummer
278094 / HA ZA 07-388
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid hypotheekadviseur

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 278094 / HA ZA 07-388

Uitspraak: 30 januari 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiseres],

wonende te Rotterdam,

eiseres,

procureur mr. H.E. Borgman,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te Capelle aan den IJssel,

gedaagde,

procureur mr. J.G.M. Roijers,

advocaat mr. R. van der Pas.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiseres]" respectievelijk "[gedaagde]".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 15 december 2006 en de door [eiseres] overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 23 mei 2007, waarbij een comparitie van partijen

is gelast;

de ter gelegenheid van de comparitie van partijen door [gedaagde] overgelegde brief van 2

augustus 2007 en de door [eiseres] overgelegde brief van 3 augustus 2007, met producties;

proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 15 augustus 2007.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 [gedaagde] voert een onderneming op het gebied van financiële dienstverlening en houdt zich onder andere bezig met boekhoudkundige activiteiten en het adviseren over diverse financiële producten.

2.2 [eiseres] heeft rond april / mei 2005 [gedaagde] benaderd met het verzoek om ten behoeve van de aankoop van een woning de financiering te regelen.

2.3 Op 26 april 2005 heeft [eiseres] de woning aan de [adres] (hierna: de woning) gekocht voor een koopprijs van € 168.000,-.

2.4 [gedaagde] heeft de door [eiseres] aangeleverde en voor de aanvraag van een hypotheekofferte benodigde inkomensgegevens doorgezonden aan een tussenpersoon, Mol van

Euro-hyp.

2.5 De datum waarop [eiseres] de koopovereenkomst van de woning uiterlijk kon ontbinden in verband met het niet kunnen verkrijgen van een passende financiering, was bepaald op 15 juni 2005. De datum van de juridische levering van de woning was in eerste instantie bepaald op 9 juli 2005 en is door de notaris uitgesteld tot 2 augustus 2005.

[eiseres] heeft de woning niet afgenomen, waarop [eiseres] door de verkoper van de woning is gedagvaard tot betaling van de contractuele boete van 10% van de koopsom, zijnde

€ 16.800,-. Bij vonnis van deze rechtbank van 16 november 2005 is [eiseres] bij verstek veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 17.707,60 inclusief proceskosten. [eiseres] heeft uiteindelijk een bedrag van € 8.974,60 tegen finale kwijting aan de verkoper betaald.

3 De vordering

De vordering luidt - zakelijk en verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 14.375,- met rente en kosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiseres] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 [eiseres] heeft aan [gedaagde] een opdracht tot het verkrijgen van een hypothecaire geldlening verstrekt, welke door [gedaagde] is aanvaard. [gedaagde] is vervolgens tekortgeschoten in zijn verplichtingen uit deze overeenkomst van opdracht. [gedaagde] heeft ondanks verscheidene toezeggingen dat het allemaal goed zou komen geen enkele hypotheekofferte of afwijzing aan [eiseres] doen toekomen, niet voorafgaand aan de leveringsdatum van 15 juni 2005 noch daarna. Het is aan [gedaagde] te wijten dat [eiseres] de woning niet heeft kunnen afnemen en zij is aangesproken tot betaling van de contractuele boete. [gedaagde] is derhalve aansprakelijk voor de door [eiseres] geleden schade van € 8.974,60.

3.2 Voorts is gebleken dat [gedaagde] heeft getracht met valse inkomensgegevens, die op naam van [eiseres] stonden, een lening af te sluiten. [gedaagde] wordt thans door het Openbaar Ministerie verdacht van valsheid in geschrifte, maar in eerste instantie is [eiseres] als verdachte aangemerkt. [eiseres] is aangetast in haar eer en goede naam en heeft kosten moeten maken. [gedaagde] is jegens [eiseres] aansprakelijk voor deze materiële en immateriële schade, door [eiseres] begroot op een bedrag van € 3.525,40.

3.3 De buitengerechtelijke kosten bedragen € 1.875,-. [eiseres] heeft van [gedaagde], ondanks herhaalde aanmaning en ingebrekestelling, geen betaling ontvangen, zodat zij genoodzaakt is geweest de vordering uit handen te geven aan haar advocaat.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding.

[gedaagde] heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 [gedaagde] betwist dat tussen partijen een overeenkomst van opdracht tot het verkrijgen van een hypothecaire geldlening tot stand is gekomen. Partijen hebben slechts een informele afspraak gemaakt waarbij [gedaagde] heeft toegezegd om voor [eiseres] te informeren naar de financiële mogelijkheden ten behoeve van de aankoop van een woning. Dit heeft [gedaagde] ook gedaan. Tot meer was hij niet gehouden.

4.2 [gedaagde] is niet aansprakelijk voor het feit dat [eiseres] niet tijdig heeft voldaan aan haar verplichtingen uit hoofde van de door haar gesloten koopovereenkomst met betrekking tot de woning. [gedaagde] heeft met [eiseres] afgesproken om geheel vrijblijvend haar inkomensgegevens door te sturen aan een hypotheekbemiddelaar. Op basis van de door [eiseres] verstrekte inkomensgegevens - jaarstukken van haar eigen onderneming - was het [gedaagde] snel duidelijk dat [eiseres] geen hypotheek kon krijgen om het aankoopbedrag van de woning te financieren. [gedaagde] heeft later contact opgenomen met de boekhouder van [eiseres] om te bezien of de financiële gegevens van [eiseres] zodanig konden worden aangepast dat het benodigde bedrag wel zou kunnen worden gefinancierd, hetgeen niet mogelijk bleek. [gedaagde] heeft [eiseres] daarna gezegd dat zij niet in aanmerking kwam voor de benodigde hypotheek. [eiseres] heeft hem daarop verteld dat zij ook een inkomen uit dienstbetrekking had en heeft hem een kopie van een salarisstrook en een werkgeversverklaring doen toekomen om nogmaals te proberen een hypotheek te verkrijgen. Deze stukken heeft [gedaagde] doorgezonden naar Mol van Euro-hyp. Enige tijd later, na 15 juni 2005, heeft [gedaagde] van Mol vernomen dat deze stukken vervalst waren. Dat er uiteindelijk geen hypotheek aan [eiseres] is verstrekt, is niet aan [gedaagde] maar aan [eiseres] zelf te wijten.

4.3 [gedaagde] heeft geen valsheid in geschrifte gepleegd. De kennelijk valse salarisstrook en werkgeversverklaring zijn door [eiseres] aan [gedaagde] verstrekt.

4.4 De vordering tot vergoeding van de materiële en immateriële schadevergoeding dient als onvoldoende onderbouwd te worden afgewezen.

5 De beoordeling

5.1 Primair is tussen partijen in geschil of de tussen hen gemaakte afspraak kan worden aangemerkt als een overeenkomst van opdracht waarbij [gedaagde] de verplichting op zich nam te bemiddelen bij het sluiten van een hypothecaire geldlening, zoals [eiseres] stelt, danwel dat [gedaagde] slechts bij wijze van vriendendienst ten behoeve van [eiseres] zou informeren naar de financiële mogelijkheden ten behoeve van de aankoop van een woning, zoals [gedaagde] stelt.

Vooropgesteld zij dat, als niet (voldoende) gemotiveerd weersproken tussen partijen vast staat dat [gedaagde] zich professioneel bezig houdt met onder meer het bemiddelen bij het tot stand komen van hypothecaire geldleningen. Voorts erkent [gedaagde] dat hij op verzoek van [eiseres] een tussenpersoon heeft aangezocht en aan deze de inkomensgegevens van [eiseres] heeft gezonden en dat hij bij deze tussenpersoon herhaalde malen heeft geïnformeerd naar de stand van zaken en dat hij [eiseres] hiervan op de hoogte stelde. Tevens staat vast dat [gedaagde] met de boekhouder van [eiseres] heeft gesproken over de nog benodigde financiële stukken. Door op deze wijze te handelen en gegeven de professionele achtergrond van [gedaagde] staat naar het oordeel van de rechtbank de gestelde overeenkomst van opdracht in voldoende mate vast. Dat er uiteindelijk geen hypotheek aan [eiseres] is verstrekt, waardoor [gedaagde] geen bemiddelingsprovisie van de tussenpersoon heeft ontvangen, doet niet af aan het bestaan van de overeenkomst van opdracht.

5.2 Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of [gedaagde] zijn verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht deugdelijk is nagekomen.

Overeenkomstig de artikelen 7:401 jo. 7:403 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dient de opdrachtnemer bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen, waaronder het op de hoogte houden van de opdrachtgever van zijn werkzaamheden ter uitvoering van de opdracht. Hieruit vloeit voort dat op [gedaagde], als beroepsmatig adviseur omtrent financiële producten, waaronder het bemiddelen voor hypotheken, onder meer de verplichting rustte om [eiseres] op de hoogte te stellen van het verloop van haar hypotheekaanvraag.

Een en ander ontslaat [eiseres] niet van haar eigen verplichtingen om de termijn van het verstrijken van de ontbindende voorwaarde in de koopovereenkomst te bewaken. Als niet, althans niet gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen vast dat ten tijde van het aflopen van de termijn van het inroepen van de ontbindende voorwaarde in de koopovereenkomst, op 15 juni 2005, [gedaagde] er vanuit ging dat [eiseres] een toereikende hypothecaire geldlening zou krijgen en dat hij dit aan [eiseres] heeft laten weten. Onder deze omstandigheden mocht [eiseres] er in beginsel gerechtvaardigd op vertrouwen dat het niet nodig was om de ontbindende voorwaarde in te roepen omdat aan haar een toereikende hypothecaire geldlening zou worden verstrekt.

Dat vervolgens toch geen hypotheekofferte werd uitgebracht was voor [gedaagde] niet te voorzien, zo betoogt hij, omdat uiteindelijk - ná 15 juni 2005 - bleek dat met de nader door [eiseres] verstrekte inkomensgegevens was gefraudeerd.

De rechtbank begrijpt dit verweer van [gedaagde] als een beroep op overmacht. Om proceseconomische redenen acht de rechtbank het zinvol om in het kader van de beoordeling van dit verweer kennis te nemen van het vonnis gewezen in de strafrechtelijke procedure tegen [gedaagde] met betrekking tot valsheid in geschrifte van onderhavige stukken. [gedaagde] heeft ter comparitie van partijen aangegeven dat de zitting in die zaak zou plaatsvinden op 5 oktober 2007.

De zaak zal naar de rol worden verwezen teneinde [gedaagde] in de gelegenheid te stellen bij akte voornoemd vonnis in het geding te brengen en zich hierover uit te laten, waarna [eiseres] hierop bij antwoordakte kan reageren. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van deze vordering aan.

5.3 [eiseres] stelt dat zij materiële en immateriële schade heeft geleden ten gevolge van de volgens [eiseres] door [gedaagde] gepleegde valsheid in geschrifte.

Indien [gedaagde] bij strafrechtelijk vonnis is veroordeeld voor valsheid in geschrifte, levert dit volgens artikel 161 Rv. dwingend bewijs op van dat feit, behoudens door [gedaagde] te leveren tegenbewijs. [gedaagde] kan zich hierover, in voorkomend geval, bij voornoemde akte uitlaten.

5.4 Indien komt vast te staan dat [gedaagde] valsheid in geschrifte heeft gepleegd in vorenbedoelde zin, gebruikmakend van de gegevens van [eiseres], heeft hij onrechtmatig gehandeld jegens [eiseres] en is hij aansprakelijk voor de als gevolg daarvan door [eiseres] geleden schade. De rechtbank overweegt ter zake reeds het volgende.

[eiseres] heeft ter comparitie van partijen haar materiële schade begroot op € 80,- aan vervoerskosten van en naar het politiebureau en € 10,- aan informatiekosten. Deze kosten zijn door [gedaagde] niet betwist en komen, in voorkomend geval, voor vergoeding in aanmerking.

5.4.1 Anders dan [eiseres] betoogt, is er naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor toewijzing van smartengeld als bedoeld in artikel 6:106 BW. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

[eiseres] voert aan dat zij in haar eer of goede naam is geschaad, althans op andere wijze in haar persoon is aangetast en dat haar reputatie als eigenaresse van haar schoonheidssalon is geschaad.

Van aantasting in de persoon is slechts sprake bij een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Daarvoor is niet voldoende een meer of mindere mate van sterk psychisch onbehagen, zoals door [eiseres] wordt geschetst. Evenmin is het aannemelijk dat [eiseres], doordat zij tijdelijk als verdachte van valsheid in geschrifte werd aangemerkt, als eigenaresse van een schoonheidssalon reputatieschade heeft geleden of dat hierdoor anderszins haar eer of goede naam is geschaad.

5.5 De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten ligt voor afwijzing gereed, aangezien onvoldoende is gesteld en evenmin is gebleken dat het gaat om verrichtingen die meeromvattend zijn dan de verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237-240 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten, zoals bijvoorbeeld het verzenden van meerdere schriftelijke aanmaningen door een incassogemachtigde, al dan niet in combinatie met een betalingsregeling.

5.6 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6 De beslissing

De rechtbank,

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 27 februari 2008 voor het nemen van aktes zoals genoemd onder r.o. 5.2 en 5.3, eerst aan de zijde van [gedaagde].

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Mentink.

Uitgesproken in het openbaar.

1444/1581