Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC6032

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
07-03-2008
Zaaknummer
07/1359
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt vast dat de werkaanvaardingspremie een vorm van bijstand is. Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is het college verantwoordelijk voor het verlenen van bijstand en dus ook voor het verstrekken van de werkaanvaardingspremie. Artikel 32, eerste lid, van de Reïntegratieverordening behelst een discretionaire bevoegdheid voor het college. Dat wil zeggen dat het college op grond van dit artikellid gerechtigd was zijn bevoegdheid om een werkaanvaardingspremie te verstrekken door middel van beleid nader in te vullen. Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat eiseres, voor wat betreft de periode van circa zes weken in 2005 dat zij in het buitenland verbleef, kan worden aangemerkt als niet-uitkeringsgerechtigde in de zin van de WWB en de Reïntegratieverordening.De rechtbank is van oordeel dat uit het geheel van de stukken, in samenhang bezien, genoegzaam blijkt dat eiseres ook aan de overige in het handboek SoZaWe opgenomen voorwaarden voor het verkrijgen van een werkaanvaardingspremie voldoet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: WWB 07/1359-WILD

Uitspraak in het geding tussen

[Eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde mr. P. Hanenberg, advocaat te Rotterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Eiseres heeft een werkaanvaardingspremie aangevraagd bij verweerder.

Bij besluit van 10 november 2006 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 13 december 2006 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 7 maart 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiseres bij brief van 17 april 2007 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 15 mei 2007 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2008. Aanwezig waren eiseres en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.B.H. Fijneman.

2 Overwegingen

2.1 Feiten

Eiseres heeft vanaf 1999 een bijstandsuitkering van verweerder ontvangen, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB). Met ingang van 3 april 2006 is eiseres weer aan het werk gegaan.

Gedurende een periode van circa zes weken in de zomer van 2005 is de bijstandsuitkering van eiseres ingetrokken, omdat zij langer dan de toegestane vier weken in het buitenland (Irak) verbleef.

2.2 Standpunten partijen

Verweerder heeft de aangevraagde werkaanvaardingspremie afgewezen, omdat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden. Omdat eiseres in 2005 een periode geen uitkering heeft gehad, voldoet zij niet aan de referte-eis, inhoudende dat de aanvrager van een werkaanvaardingspremie een periode van minimaal twaalf maanden voorafgaand aan de datum van werkaanvaarding een bijstandsuitkering moet hebben gehad.

De door eiseres aangevoerde redenen voor haar te lange verblijf in het buitenland geven verweerder geen aanleiding om op zijn besluit terug te komen. Strikte toepassing van het beleid leidt volgens verweerder niet tot onaanvaardbare billijkheden, zodat een beroep op de hardheidsclausule niet op gaat.

Eiseres voert in beroep aan dat zij wel voldoet aan de voorwaarden voor een werkaanvaardingspremie. Weliswaar had zij in de bewuste periode in 2005 korte tijd geen bijstandsuitkering, maar zij kan gedurende die periode als niet-uitkeringsgerechtigde in de zin van artikel 6, aanhef en onder a, van de WWB worden aangemerkt.

Daarnaast stelt eiseres dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule. Eiseres voert daartoe aan dat zij ongewild en door bijzondere omstandigheden (ziekte van haar zoontje, een dichte grensovergang) langer dan de toegestane vier weken in het buitenland verbleef en dat zij door de intrekking van de uitkering al financieel gestraft is.

2.3 Wettelijk kader

Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB draagt de gemeenteraad op bij verordening regels te stellen met betrekking tot het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de WWB.

De gemeenteraad van Rotterdam heeft aan deze opdracht voldaan door het vaststellen van de Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand (hierna: de Reïntegratieverordening).

Artikel 32 van deze verordening luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. De klant kan in aanmerking komen voor een werkaanvaardingspremie als hij ten minste een half jaar aaneengesloten arbeid verricht, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet.

2. (...)

3. (...)

4. Het college stelt nadere regels ten aanzien van de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de klant in aanmerking kan komen voor een werkaanvaardingspremie.

5. (…)”

Verweerder heeft in het handboek SoZaWe (G/4300) nadere regels over de werkaanvaardingspremie opgesteld, die - voor zover relevant - als volgt luiden:

“2. Doelgroep werkaanvaardingspremie

Voor een werkaanvaardingspremie kunnen in aanmerking komen:

- personen die algemene bijstand ontvangen op grond van de Wet werk en bijstand (WWB);

- (…)

- niet-uitkeringsgerechtigden bij arbeidsinschakeling; (…).

3. Voorwaarden

a. Algemeen:

Klanten kunnen alleen in aanmerking komen voor een werkaanvaardingspremie als zij voldoen aan voorwaarden. (…)

b. Referteperiode:

Klanten komen slechts in aanmerking voor een werkaanvaardingspremie als zij voldoen aan de referteperiode. De referteperiode bedraagt een periode van 12 maanden voorafgaand aan de datum van de werkaanvaarding op grond waarvan aanspraak wordt gemaakt op de werkaanvaardingspremie. (…)

c. Referte-eis:

Klanten komen slechts in aanmerking voor een werkaanvaardingspremie als zij voldoen aan de referte-eis. Dit houdt in dat zij over de referteperiode een uitkering volgens de WWB (of Abw vóór 1 januari 2004), de IOAW of de IOAZ moeten hebben ontvangen, dan wel als Nug’er kunnen worden bestempeld. (…)

Een detentieperiode wordt gelijkgesteld met een uitkeringsperiode Abw, WWB, IOAW of IOAZ.”

Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder t, van de Reïntegratieverordening verwijst voor de definitie van een niet-uitkeringsgerechtigde, een zogenaamde nug’er, naar artikel 6, aanhef en onder a, van de WWB.

Artikel 6 aanhef en onder a, van de WWB, zoals dat ten tijde van het bestreden besluit luidde, houdt - kort gezegd - in dat in die wet en de daarop berustende bepalingen onder niet-uitkeringsgerechtigde wordt verstaan de persoon, jonger dan 65 jaar, die als werkloze werkzoekende staat geregistreerd bij de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: het Cwi) en die geen recht heeft op een uitkering op grond van de WWB of enige andere wet of regeling.

2.4 Beoordeling

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

De gemeenteraad heeft, conform de opdracht van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, in de Reïntegratieverordening regels gesteld met betrekking tot de arbeidsinschakeling. Artikel 32, vierde lid, van deze verordening bepaalt dat het college nadere regels stelt met betrekking tot de werkaanvaardingspremie.

Noch de WWB, noch enige andere wet bevat aanknopingspunten om te kunnen aannemen dat de gemeenteraad de hem in artikel 8 van de WWB opgedragen regelgevende bevoegdheid zonder meer kan overdragen aan het college. Dit betekent dat het vierde lid van artikel 32 van de Reïntegratieverordening verbindende kracht mist.

Artikel 32, eerste lid, van de Reïntegratieverordening bepaalt dat de klant onder bepaalde voorwaarden in aanmerking kan komen voor een werkaanvaardingspremie. De rechtbank stelt vast dat de werkaanvaardingspremie een vorm van bijstand is. Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is het college verantwoordelijk voor het verlenen van bijstand en dus ook voor het verstrekken van de werkaanvaardingspremie. Artikel 32, eerste lid, van de Reïntegratieverordening behelst een discretionaire bevoegdheid voor het college. Dat wil zeggen dat het college op grond van dit artikellid gerechtigd was zijn bevoegdheid om een werkaanvaardingspremie te verstrekken door middel van beleid nader in te vullen.

De rechtbank stelt vast dat het handboek SoZaWe deze nadere invulling bevat. De bepalingen uit het handboek - voor zover in geding - zijn naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als beleidsregels.

Op grond van verweerders beleid komen klanten, voor zover hier van belang, in aanmerking voor een werkaanvaardingspremie als zij gedurende een periode van 12 maanden voorafgaand aan de datum van werkaanvaarding een uitkering volgens de WWB hebben ontvangen, dan wel als nug’er kunnen worden bestempeld.

Niet betwist is dat eiseres in de periode van circa zes weken dat zij geen bijstandsuitkering ontving jonger dan 65 jaar was, dat zij gedurende die periode als werkloze werkzoekende geregistreerd stond bij het Cwi en dat zij geen recht had op een uitkering op grond van de WWB of enige andere wet of regeling. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat eiseres hiermee onder de definitie van een nug’er van artikel 6 (oud) van de WWB valt.

Met eiseres is de rechtbank dan ook van oordeel dat eiseres, voor wat betreft de periode van circa zes weken in 2005 dat zij in het buitenland verbleef, kan worden aangemerkt als nug’er in de zin van de WWB en de Reïntegratieverordening.

Anders dan verweerder stelt, voldoet eiseres dus wel aan de referte-eis die verweerder in zijn beleid heeft opgenomen.

Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd en dient naar het oordeel van de rechtbank te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het beroep dient dus gegrond te worden verklaard.

De rechtbank overweegt ten overvloede nog dat verweerder bij de beoordeling van de referteperiode kennelijk een detentieperiode - gedurende welke periode ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a van de WWB géén recht op bijstand bestaat - gelijk stelt aan een uitkeringsperiode. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden waarom een soortgelijke gelijkstelling niet zou kunnen gelden voor een verblijf in het buitenland van langer dan vier weken. Gedurende een dergelijk verblijf in het buitenland bestaat immers ook geen recht op bijstand (artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB). Daarnaar gevraagd heeft verweerder ter zitting geen redelijke verklaring kunnen geven voor dit onderscheid.

De rechtbank is van oordeel dat uit het geheel van de stukken, in samenhang bezien, genoegzaam blijkt dat eiseres ook aan de overige in het handboek SoZaWe opgenomen voorwaarden voor het verkrijgen van een werkaanvaardingspremie voldoet. Verweerder heeft dit ook niet betwist. De rechtbank ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 10 november 2006 te herroepen en te bepalen dat aan eiseres een werkaanvaardingspremie toekomt ter hoogte van € 500,-.

De rechtbank ziet bovendien aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht op € 644,- .

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het besluit van 7 maart 2007,

herroept het besluit van 10 november 2006,

bepaalt dat aan eiseres een werkaanvaardingspremie wordt toegekend van € 500,-,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 644,- en wijst de gemeente Rotterdam aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet vergoeden,

bepaalt dat de gemeente Rotterdam het door eiseres betaalde griffierecht ad € 39,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.S. Holthuis.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. H. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2008.

De griffier: De rechter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.