Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC6023

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-03-2008
Datum publicatie
06-03-2008
Zaaknummer
10/604003-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 10A Opiumwet. Voorwaardelijk opzet “tussenpersoon” op voorbereidingshandelingen gericht op de productie van MDMA. De verdachte heeft met zijn bedrijf 10.000 liter aceton besteld bij een grootchemiebedrijf en verkocht aan voor hem onbekende afnemers. De rechtbank leidt uit het geheel van feiten en omstandigheden met betrekking tot de transactie van de 10.000 liter aceton, die niet alleen als hoogst ongebruikelijk maar ook als uitermate verdacht kunnen worden aangemerkt, naar algemene ervaringsregels af dat er een aanmerkelijke kans bestond dat de aceton bestemd was voor de productie van MDMA. De verdachte heeft, vanuit zijn kennis van het geheel van deze verdachte omstandigheden rondom de transactie en de waarschuwing van zijn leverancier en informatie van internet tezamen, zich bij zijn handelen willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de aceton daadwerkelijk bestemd was voor de productie van MDMA.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2, geldigheid: 2008-03-05
Opiumwet 10, geldigheid: 2008-03-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2008, 109

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/604003-06

Datum uitspraak: 5 maart 2008

Tegenspraak

VONNIS

van de meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortdatum] 1942 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres: [adres]

raadsvrouw mr. A.E.M. Röttgering, advocate te Amsterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2008.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Robben heeft gerequireerd tot:

- bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een geldboete van € 10.000,-, bij niet-betaling te vervangen door hechtenis voor de tijd van 200 dagen, waarvan een gedeelte groot € 5.000,-, bij niet-betaling te vervangen door hechtenis voor de tijd van 100 dagen, voorwaardelijk.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2004 tot en met 22 december 2004

te Amsterdam tezamen en in vereniging

met anderen om een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden,

bewerken, verwerken van (een) hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en)

bevattende MDMA, zijnde MDMA een

middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden

en/of te bevorderen,

- aan een ander of anderen middelen

tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen hebbende hij, verdachte, en (een of meer van) verdachte's mededader(s),

opzettelijk daartoe

* een hoeveelheid van ongeveer 10.000 liter aceton besteld en aangekocht

en verkocht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

NADERE BEWIJSOVERWEGING

De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde voorbereidingshandelingen, nu het door artikel 10a van de Opiumwet vereiste opzet bij de verdachte heeft ontbroken.

De raadsvrouw heeft in het bijzonder betoogd dat ook geen sprake is van voorwaardelijk opzet. Volgens de raadsvrouw kan niet worden vastgesteld dat sprake was van een aanmerkelijke kans dat de door de verdachte bestelde, aangekochte en verkochte 10.000 liter aceton was bestemd voor de vervaardiging van MDMA, en kan voorts niet worden aangenomen dat de verdachte deze kans heeft aanvaard. De raadsvrouw heeft hiertoe gesteld dat voor de aanname van voorwaardelijk opzet doorslaggevend is hetgeen blijkens de verklaringen van de verdachte zelf ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan. De verdachte heeft verklaard dat hij niet geloofde dat de aceton voor de vervaardiging van XTC zou worden gebruikt.

De rechtbank overweegt het volgende:

Voor strafbaarheid op grond van de voorbereidingshandelingen in artikel 10a van de Opiumwet is vereist dat de dader daadwerkelijk wetenschap heeft gehad op de omstandigheid dat hij met zijn handelingen de productie van harddrugs bevorderde.

Dit opzet, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis en vaste rechtspraak van artikel 10a Opiumwet, omvat ook voorwaardelijk opzet, waarvan sprake is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de genoemde omstandigheid zich zal voordoen.

Volgens eveneens vaste rechtspraak (onder andere Hoge Raad, 25 maart 2003, NJ 2003, 552 en Hoge Raad 5 december 2006, LJN AZ1668) hangt de beantwoording van de vraag of een bepaalde kans als aanmerkelijk heeft te gelden af van de omstandigheden van het geval, waarbij het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Ook de beantwoording van de vraag of de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een aanmerkelijke kans hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht.

Anders dan de raadsvrouw stelt, volgt uit deze uitspraken niet dat voor het bewijs van dit voorwaardelijk opzet de verklaring van de verdachte op het punt van diens wetenschap doorslaggevend moet zijn, maar kan dit opzet in voorkomende gevallen (eveneens) zelfstandig worden afgeleid uit de bijzondere feiten en omstandigheden van het geval die hierop wijzen.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is met betrekking tot de transactie van de 10.000 liter aceton het volgende gebleken:

De verdachte is directeur/aandeelhouder van [rechtspersoon 1]. Dit bedrijf houdt zich bezig met het maken en verkopen van verf en schildersbenodigheden aan particulieren en schildersbedrijven. Het bedrijf staat op geen enkele wijze bekend als een groothandel in chemicaliën. [Rechtspersoon 1] koopt op jaarbasis maximaal enkele tientallen liters aceton in bij [rechtspersoon 2], die zij dan bij haar bedrijf in Amsterdam laat afleveren.

- in november 2004 kreeg de verdachte telefonisch een aanvraag voor de bestelling van de 10.000 liter aceton via zijn bedrijf [rechtspersoon 1] van [getuige 1]. [Getuige 1] deed de bestelling bij de verdachte namens een persoon genaamd ‘Rinus’. [Getuige 1] verrichtte in die tijd op vrijblijvende basis enkele dagen per week uiteenlopende kluswerkzaamheden bij [rechtspersoon 1] en deed niet eerder voor zichzelf of namens derden bestellingen.

- de verdachte heeft op 1 december 2004 de 10.000 liter aceton voor de opdrachtgever van [getuige 1] besteld bij het grootchemiebedrijf [rechtspersoon 2]. Aan de verdachte was meegedeeld dat niet, zoals gebruikelijk, [rechtspersoon 2] voor de aflevering zou moeten zorgdragen, maar dat de opdrachtgever de aceton zelf bij dat bedrijf zou laten ophalen.

- de verdachte is door [getuige 1] namens de opdrachtgever en afnemer van de aceton verzocht om de facturen voor de aceton te zetten op naam van het bedrijf [rechtspersoon 3]. Van de identiteit van de opdrachtgever c.q. afnemer van de aceton, de persoon achter [rechtspersoon 3], is de verdachte niet meer bekend geworden dan de voornaam ‘Rinus’.

De verdachte heeft daar verder ook niet naar gevraagd.

- de 10.000 liter aceton is in drie partijen, op 7, 9 en 22 december 2004 bij [rechtspersoon 2] opgehaald door de voor de verdachte onbekend gebleven feitelijke afnemers.

De koopsom van de aceton is in drie keer, voorafgaand aan genoemde leveringen, in grote contante bedragen betaald op het kantoor van [rechtspersoon 1]. Op 3 en (vermoedelijk) 10 december 2004 heeft [getuige 1] namens de onbekend gebleven opdrachtgever c.q. afnemer van de aceton bedragen van ongeveer € 5.000,- en € 1.500,- betaald. Op 21 december 2004 is door twee andere onbekend gebleven mannen de laatste betaling van € 7.648,74 verricht.

Dergelijke contante betalingen waren, onder meer volgens de verklaring van de verdachte zelf, vreemd en ongebruikelijk.

- op 3 december 2004 heeft [rechtspersoon 1] een gebruikersverklaring inzake de aceton gestuurd aan SIF. De gebruikersverklaring moest worden gestuurd naar een e-mail adres dat niet verwijst naar [rechtspersoon 3], maar is gekoppeld aan weer een ander bedrijf, genaamd [naam bedrijf].

- aan de verdachte werden telkens verschillende bestemmingen van de aceton medegedeeld. Volgens de verdachte werd hem in eerste instantie door [getuige 1], in opdracht van de opdrachtgever, verteld dat de aceton diende voor het ontvetten van gebruikt staal dat zich in de haven van Rotterdam bevond en vervolgens dat dat staal mèt de aceton naar Bangladesh zou worden geëxporteerd. De op 6 december 2004 door [rechtspersoon 1] van [rechtspersoon 3] retour ontvangen gebruikersverklaring vermeldt als bestemming export naar Polen.

- op 20 december 2004, derhalve vóór de laatste levering op 22 december 2004, heeft [getuige 2], verdachtes zoon die eveneens werkzaam is bij [rechtspersoon 1], op internet gezocht naar de locatie van [rechtspersoon 3] op het aangegeven adres, waarbij [rechtspersoon 3] niet op het aangegeven adres werd gevonden.

- de contacten over de prijs, leveringsvoorwaarden, betalingen en de levering van de aceton verliepen via [getuige 1]. De verdachte diende [getuige 1] hiervoor te bellen op een apart mobiel telefoonnummer, dat [getuige 1] van de opdrachtgever in gebruik had gekregen. [Getuige 1] was in die gevallen ook bij zijn opdrachtgever. Dit terwijl [getuige 1] voor [rechtspersoon 1] normaal bereikbaar was via zijn eigen mobiele telefoon en/of vaste telefoonlijn.

- de verdachte heeft verklaard dat hij, nadat hij de order van de aceton bij leverancier [rechtspersoon 2} had geplaatst, vóór de ontvangst van de eerste betaling en het plaatsvinden van de levering van de eerste partij aceton, door de werknemer [getuige 3] van [rechtspersoon 2] is gewaarschuwd dat de aceton kon worden gebruikt voor de vervaardiging van synthetische drugs. [Getuige 3] heeft dit ook bevestigd, waarbij hij voorts heeft verklaard dat [verdachte] de order desgewenst mocht annuleren. Volgens de verdachte heeft zijn zoon [getuige 2] naar aanleiding van deze waarschuwing in zijn aanwezigheid op internet gezocht en gezien dat aceton inderdaad kon worden gebruikt voor de productie van synthetische drugs. Door [getuige 2] en [getuige 4], toentertijd mededirecteur van [rechtspersoon 1], is verklaard dat het hierbij ging om XTC.

- uit het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 28 juni 2005 van drs. H.T.C. van der Laan blijkt dat aceton in relatie tot de productie van synthetische verdovende middelen wordt gebruikt als oplosmiddel bij het kristallisatieproces van MDMA.

De rechtbank leidt uit het geheel van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, die niet alleen als hoogst ongebruikelijk maar ook als uitermate verdacht kunnen worden aangemerkt, naar algemene ervaringsregels af dat er een aanmerkelijke kans bestond dat de aceton bestemd was voor de productie van MDMA. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte vanuit zijn kennis van het geheel van deze verdachte feiten en omstandigheden rondom de transactie en de waarschuwing van [rechtspersoon 2] en informatie van internet tezamen, zich bij zijn handelen willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de aceton daadwerkelijk was bestemd voor de productie van MDMA.

De verdachte heeft hiermee in voorwaardelijke zin opzet gehad op de door hem gepleegde voorbereidingshandelingen gericht op de vervaardiging van MDMA.

Het verweer van de raadsvrouw wordt derhalve verworpen.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

Medeplegen van een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door zich of een ander middelen tot het plegen van dat feit te verschaffen.

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden en de draagkracht van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is door een tussenpersoon benaderd met de vraag of hij met zijn bedrijf voor de opdrachtgever van deze tussenpersoon een hoeveelheid van 10.000 liter aceton kon leveren. De verdachte heeft hierop deze hoeveelheid aceton besteld en aangekocht bij een grootchemiebedrijf en vervolgens aan deze opdrachtgever verkocht. De verdachte was op de hoogte van een groot aantal verdachte feiten en omstandigheden die zich rondom de transactie hebben voorgedaan, waaruit is gebleken dat de aceton bestemd moet zijn geweest voor de productie van MDMA. Hij is bovendien door het grootchemiebedrijf dat de aceton leverde, expliciet op dit risico gewezen. De verdachte heeft dit aanmerkelijke risico onder ogen gezien en er bewust voor gekozen om de voor hem winstgevende transactie door te zetten. De verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan strafbare voorbereidingshandelingen gericht op de productie van MDMA.

Dit is een ernstig feit.

Naar algemeen bekend is, wordt door de vervaardiging van MDMA, gebruikt in xtc-pillen, de volksgezondheid ernstig bedreigd. Uit onderzoek is gebleken dat het gebruik van xtc-pillen een negatieve invloed heeft op het zenuwstelsel voor de regulering van diverse lichaamsfuncties en een bijzonder groot risico inhoudt op psychiatrische stoornissen.

Door de fabricage en handel van dergelijke harddrugs wordt voorts onder de gebruikers het plegen van vermogensdelicten bevorderd, teneinde de voor het gebruik benodigde gelden te verkrijgen. Aldus wordt de maatschappij aanzienlijke schade berokkend.

Hoewel de verdachte zich door zijn handelwijze schuldig heeft gemaakt aan strafbare voorbereidingshandelingen, is ook gebleken dat de verdachte in feite als tussenpersoon is gebruikt door rechtstreeks bij de productie van MDMA betrokken criminelen en dat de verdachte zelf bij de eigenlijke productie van MDMA op geen enkele wijze betrokken is geweest. De rechtbank zal deze vaststelling bij de strafoplegging in het voordeel van de verdachte laten meewegen.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf wordt voorts in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 10 september 2006 niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Ook hierin wordt aanleiding gezien de op te leggen straf te matigen.

De rechtbank stelt voorts vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden. Hiertoe wordt overwogen dat de als aanvang van de redelijke termijn dient te gelden het verhoor van de verdachte op 14 maart 2005, waardoor het tijdsverloop tot aan deze uitspraak bijna drie jaar bedraagt.

Door de officier van justitie is op 5 september 2006 aan de verdachte een transactievoorstel gedaan, waarop door de raadsvrouw van de verdachte per brief d.d. 8 november 2006 afwijzend is gereageerd. De officier heeft vervolgens per brief d.d. 20 november 2006 aan de verdachte medegedeeld over te gaan tot vervolging, waarna de verdachte gedagvaard is voor de zitting van 17 oktober 2007. In het bijzonder de tijd tussen laatstgenoemde mededeling van de officier van justitie en de dagvaarding voor de zitting van 17 oktober 2007, waarin de zaak kennelijk heeft stilgelegen, moet het openbaar ministerie worden aangerekend.

Ook hiermee zal de rechtbank bij de strafoplegging in het voordeel van de verdachte rekening houden

Alles afwegend wordt een geldboete van na te noemen hoogte passend en geboden geacht.

Voor een voorwaardelijk gedeelte van de geldboete ziet de rechtbank, anders van de officier van justitie, geen aanleiding.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op het reeds genoemde artikel, is gelet op artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, onder B, oud en 10a oud van de Opiumwet.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 5.000,-- (zegge: vijfduizend euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 55 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van Klaveren, voorzitter,

en mrs. De Winkel en Zwaneveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Van Erve, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 maart 2008.

Bijlage bij vonnis d.d. 5 maart 2008 van J.H.M. Bok, parketnummer 10/604003-06:

TEKST TENLASTELEGGING.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2004 tot en met 22 december 2004 te Amsterdam en/of Almelo, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken van (een) hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende

lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of aan ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en/of

- (een) voorwerp(en) en/of (een) stof(fen) en/of (een) vervoermiddel(en) en/of geld(en) en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat feit,

hebbende hij, verdachte, en/of (een of meer van) verdachte's mededader(s),

opzettelijk daartoe

* een hoeveelheid van ongeveer 10.000 liter aceton besteld en/of aangekocht

en/of verkocht;

Subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2004 tot en met 22 december 2004, te Amsterdam en/of Almelo, in elk geval in Nederland, als deelnemer aan het handelsverkeer en/of als persoon bedoeld in artikel 1 tweede lid onder e van de verordening, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

de minister (van Volksgezondheid, Welzijn en Sport), opzettelijk niet onverwijld in kennis heeft gesteld van een of meer voorvallen, die doen vermoeden dat geregistreerde stoffen, die in de handel zullen worden gebracht of die voor invoer zijn bestemd, misbruikt zullen of kunnen worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen,

hebbende hij, verdachte, en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s), opzettelijk ongeveer 10.000 liter aceton besteld en/of gekocht en/of verkocht en/of ingeladen en/of uitgeladen en/of vervoerd en/of doorgeleverd en/of afgeleverd en/of ter beschikking gesteld aan een of meer perso(o)n(en),

terwijl hij wist, althans redelijkerwijs kon vermoeden, dat die aceton misbruikt kon of zou worden bij de vervaardiging van amfetamine en/of MDMA, althans van verdovende middelen en/of psychotrope stoffen en bij die gelegenheid niet onverwijld de minister in kennis gesteld;

(De terminologie is gebruikt in de zin van de Wet voorkoming misbruik

chemicaliën en de Verordening (EEG) nr. 3677/90 van de Raad van 13 december

1990, houdende maatregelen om te voorkomen dat bepaalde stoffen worden

misbruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen).

(artikel 2 wet voorkoming misbruik chemicaliën)