Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC5558

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-03-2008
Datum publicatie
03-03-2008
Zaaknummer
07/604
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2009:BK6578, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

disciplinair ontslag arrestantenverzorger die beweerdelijk geld heeft gestolen dat toebehoorde aan een arrestant. Na aanvankelijke bekentenis, wordt deze later ingetrokken. Beoordeling geloofwaardigheid intrekking bekentenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 07/604 AW

Uitspraak

in het geding tussen

A, wonende te Rotterdam, eiser,

gemachtigde mr. N.D. Dane, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond te Woerden,

en

de korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond,

gemachtigde mr. E. van Lunteren.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief van 20 september 2005 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van zijn voornemen om hem wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van ontslag op te leggen. Eiser is op

11 oktober 2005 omtrent dit voornemen gehoord.

Bij besluit van 24 april 2006 is aan eiser met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag opgelegd op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (hierna: Barp).

Bij brief van 23 mei 2006 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Op 3 november 2006 is eiser op zijn bezwaren gehoord door de bezwaarschriftencommissie rechtspositionele besluiten politieregio Rotterdam-Rijnmond (hierna: de bezwaarschriftencommissie). De bezwaarschriftencommissie heeft op 22 november 2006 aan verweerder geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren en het besluit van 24 april 2006 te handhaven.

Bij besluit van 8 januari 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 15 februari 2007 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 15 oktober 2007 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2007. Ter zitting is eiser verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2 Overwegingen

2.1 Regelgeving

2.1.1 Op grond van artikel 76, eerste lid, van het Barp kan de ambtenaar disciplinair worden gestraft indien hij de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt. Ingevolge het tweede lid omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

2.1.2 In artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp is bepaald dat één van de straffen die kunnen worden opgelegd, ontslag is.

2.1.3 In artikel 82 van het Barp is bepaald dat bij de oplegging van een straf kan worden bevolen dat deze onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd.

2.2 Standpunt van verweerder

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het aannemelijk is dat eiser tijdens zijn dienst op 1 maart 2005 geld gestolen heeft uit een sealbag, die was opgeborgen in een kluis behorend bij de cel van een arrestant. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat uit camerabeelden van de intakeruimte waar de kluisjes zich bevinden, blijkt dat eiser zich aldaar alleen bevond op tijdstippen waarop de kluis van de betreffende arrestant is geopend met het pasje van S. Sewlal, die niet meer in dienst was bij verweerder. Voorts heeft eiser op 10 mei 2005 een bekentenis afgelegd. Eerst bij brief van 11 augustus 2005 heeft hij deze bekentenis ingetrokken. Naar eiser stelt, is zijn bekentenis niet de waarheid en heeft hij deze afgelegd, omdat hij lijdt aan claustrofobie en omdat hij aan een tweede nacht in detentie wilde ontkomen. Verweerder acht deze intrekking niet geloofwaardig. Daartoe wordt overwogen, dat gelet op de door eiser aangeven reden voor intrekking van zijn bekentenis, niet valt in te zien waarom hij deze bekentenis niet eerder heeft ingetrokken. Voorts is eiser na de eerste nacht in detentie gevraagd hoe het met hem ging, waarop eiser heeft aangegeven dat hij een onrustige nacht had gehad, maar niet in paniek was geweest. Niet valt dus in te zien dat hij de bekentenis alleen heeft afgelegd om vrij te komen. Bovendien was er geen enkele garantie dat eiser na een bekentenis vrij zou komen. Daarnaast is sprake van een zeer gedetailleerde en mede daardoor geloofwaardige bekentenis. Voorts heeft eiser na zijn heenzending tegen zijn leidinggevende, Heester-Ulfkens, heeft gezegd dat hij voor een bedrag van € 200,- stom was geweest. Ook hecht verweerder waarde aan het feit dat, toen eiser na zijn bekentenis naar buiten werd gebracht eiser uit eigen beweging heeft aangegeven dat hij de lege sealbag in een andere prullenbak heeft gegooid dan die was aangewezen door van Gemeren (werkzaam bij verweerder als inspecteur).

Eiser heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim als bedoeld in artikel 76 van het Barp. Het gedrag kan worden gekwalificeerd als een misdrijf in de zin van het Wetboek van Strafrecht, dat hem kan worden toegerekend. Verweerder hanteert in die gevallen de gedragslijn dat disciplinair strafontslag wordt opgelegd. Eiser heeft als politieambtenaar gedrag vertoond dat als ernstig normoverschrijdend wordt beschouwd. Eiser heeft zijn positie als politieambtenaar misbruikt en de goede naam van verweerder ernstige schade toegebracht, zodat het opleggen van strafontslag evenredig kan worden geacht.

2.3 Standpunt van eiser

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder niet op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging heeft kunnen verkrijgen dat eiser zich heeft schuldig gemaakt aan de hem verweten gedraging. Verweerder heeft ten onrechte doorslaggevende betekenis toegekend aan de verklaringen van eiser. Eiser voert aan dat ten onrechte voorbij is gegaan aan het feit dat eiser gemotiveerd is teruggekomen op zijn bekentenis van 10 mei 2005. Verweerder kan niet volstaan met de enkele stelling dat deze intrekking als ongeloofwaardig dient te worden aangemerkt. Voorts heeft eiser gewezen op tegenstrijdige gegevens in de onderzoeksrapportage, zodat niet vaststaat dat eiser de diefstal heeft gepleegd. Ook de camerabeelden geven geen uitsluitsel en laten de mogelijkheid open dat een ander de diefstal heeft gepleegd. Voorts is relevant dat eiser in de strafrechtelijke procedure onherroepelijk is vrijgesproken van de hem ten laste gelegde diefstal. Nu nader onderzoek naar aanleiding van de door eiser gestelde tegenstrijdigheden in de onderzoeksrapportage is uitgebleven, lijkt het besluit in strijd met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te zijn genomen.

2.4 Beoordeling

2.4.1 Ingevolge vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (onder meer neergelegd in de uitspraak van 14 oktober 1999, LJN: AA4696) gelden in een geval van een besluit als het onderhavige, niet de in het strafrecht van toepassing zijnde zeer strikte bewijsregels, maar dit neemt niet weg dat in dergelijke gevallen op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat eiser zich aan de hem verweten gedraging heeft schuldig gemaakt. De concrete omstandigheden van het geval zijn hierbij van belang. Dit brengt met zich mee dat ter toetsing de vraag voorligt of verweerder terecht aannemelijk heeft kunnen achten dat eiser zich aan de diefstal, waarvan hij wordt verdacht, heeft schuldig gemaakt. Aan de stelling van eiser dat hij inmiddels in de strafrechtelijke procedure onherroepelijk is vrijgesproken, komt derhalve geen doorslaggevende betekenis toe.

2.4.2 Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser is in zijn hoedanigheid van politieambtenaar laatstelijk werkzaam geweest als arrestantenverzorger op het hoofdbureau van politie te Rotterdam. Op 1 maart 2005 is een arrestantenkluisje geopend met eisers pas en een pas van S. Sewlal, een voormalig politieambtenaar. Van de drie zogenaamde sealbags die zich in deze kluis bevonden en waarvan de inhoud toebehoorde aan de betreffende arrestant, is één sealbag, met daarin een bepaalde som geld, verdwenen. Daarnaast wordt uit een andere sealbag een som geld vermist. Voorts heeft eiser op 10 mei 2005 een bekentenis afgelegd, inhoudende dat hij een sealbag van de betreffende arrestant heeft weggenomen en dat hij daarbij gebruik heeft gemaakt van de pas van S. Sewlal. In een brief van 11 augustus 2005 heeft eiser zijn bekennende verklaring ingetrokken.

2.4.3 Ter onderbouwing van verweerders stelling dat eiser zich heeft schuldig gemaakt aan de hem verweten gedraging, heeft verweerder in het bestreden besluit aangevoerd dat eiser op 10 mei 2005 een gedetailleerde bekentenis heeft afgelegd en dat er camerabeelden zijn, die bevestigen dat eiser in de ruimte waarin de kluisjes staan aanwezig was op de tijstippen waarop het pasje van Sewlal werd gebruikt om het desbetreffende kluisje te openen.

De recht¬bank is met verweerder van oordeel dat eiser op 10 mei 2005 een gedetailleerde bekentenis heeft afgelegd over de wijze waarop hij het geld heeft gestolen en de hoeveelheid geld die gestolen is. Deze bekentenis wordt voorts ondersteund door eisers verklaring tegenover Heester-Hulfkens, dat hij stom is geweest voor € 200, en het aanwijzen van de plaats waar eiser de sealbag zou hebben weggegooid.

Voor de stelling dat het proces-verbaal van 10 mei 2005 de verklaring van eiser verhaspeld weergeeft, heeft de recht¬bank geen aanknopingspunten gevonden. Het betreft een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van twee opsporingsambtenaren, waarin niet alleen de verklaring van eiser, maar ook de aan hem gestelde vragen zijn opgenomen. Alle pagina’s van het proces-verbaal zijn ondertekend door eiser.

Dat eiser na zijn eerste nacht in detentie in paniek is geraakt, is niet aannemelijk geworden. Eiser heeft blijkens het proces-verbaal aangegeven dat hij een onrustige nacht heeft gehad, maar tevens dat hij “niet in paniek is geraakt.” Het proces-verbaal biedt voorts geen enkele ondersteuning voor de stelling dat eiser zijn verklaring in paniek heeft afgelegd. Niet alleen de lange duur van het verhoor is een indicatie dat er van paniek geen sprake is geweest, ook het feit dat het verhoor na een lunchpauze van vijftig minuten is voortgezet en eiser toen op geen enkele wijze is teruggekomen op wat hij eerder had verklaard.

Dat eiser zijn bekentenis heeft afgelegd om vrij te komen, is evenmin aannemelijk geworden. Met verweerder is de recht¬bank van oordeel dat er voor eiser geen enkele aanleiding was te veronderstellen dat hij na een bekentenis zou vrijkomen. Deze stelling van eiser strookt ook niet met het feit dat hij tijdens zijn verhoor van 10 mei 2005 heeft verklaard dat hij niet gelooft dat er meer dan € 200, in de door hem opengemaakte sealbag zat alsmede dat hij consequent het openen van een tweede sealbag en het wegnemen van geld uit die sealbag, ontkent. Juist nu eiser een gedeelte heeft bekend en de rest heeft ontkend, kan de rechtbank eiser niet volgen in zijn stelling dat hij bekend heeft om vrij te worden gelaten. Als zijn bekentenis daadwerkelijk was gedaan om zo snel mogelijk vrij te komen, dan had het juist in de rede gelegen om alles te bekennen.

Aan de bekentenis van eiser mag derhalve in beginsel grote waarde worden gehecht.

Met verweerder is de recht¬bank van oordeel dat de intrekking van de bekentenis niet geloofwaardig is. Niet valt in te zien waarom eiser niet eerder dan op 11 augustus 2005 drie maanden nadat deze was afgelegd bij brief van zijn gemachtigde afstand heeft genomen van zijn bekentenis. Eiser had alle gelegenheid om eerder aan verweerder te kennen te geven dat hij zijn bekentenis had afgelegd in verband met zijn claustrofobie. Dat zijn strafzaak door verschillende advocaten is behandeld, staat daar geenszins aan in de weg. Voor zover eiser heeft willen betogen dat hij eerder zijn verklaring heeft ingetrokken in een gesprek met zijn advocaat en dat die verklaring reeds als intrekking moet worden beschouwd, verwerpt de recht¬bank dit betoog, nu een verklaring pas kan werken als die degene voor deze bestemd is verweerder heeft bereikt en niet eerder.

Vaststaat dat de camerabeelden niet de diefstal van de sealbag door eiser tonen. Eiser moet dan ook worden toegegeven dat uit de camerabeelden op zichzelf niet valt af te leiden dat eiser de hem verweten diefstal heeft gepleegd. Echter, wat de camerabeelden wél tonen, strookt met hetgeen eiser heeft verklaard omtrent zijn aanwezigheid in de kluisjesruimte en sluit de mogelijkheid dat eiser de diefstal heeft gepleegd geenszins uit. De conclusie van verweerder dat de beelden de bekentenis van eiser ondersteunen, is dan ook gerechtvaardigd.

2.4.4 Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens terecht de overtuiging heeft kunnen verkrijgen dat eiser zich heeft schuldig gemaakt aan het wegnemen van een sealbag met daarin een som geld welke aan een arrestant toebehoorde. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit gedrag terecht gekwalificeerd als plichtsverzuim, dat aan eiser kan worden toegerekend, zodat verweerder bevoegd was tot oplegging van een disciplinaire straf. Gelet op de in het geding zijnde belangen heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht de disciplinaire maatregel van ontslag evenredig geacht aan het gepleegde plichtsverzuim.

2.4.5 Het beroep is ongegrond.

2.4.6 Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, mr. drs. H. van den Heuvel en

mr. drs. J. van den Bos als leden, en door de voorzitter en mr. J. van Dort, griffier, ondertekend.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2008.

afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.