Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC5371

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
28-02-2008
Zaaknummer
276071 / HA ZA 07-82
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

eiser heeft lange tijd in loondienst gewerkt van B.V. A. Arbeidsovereenkomst wordt door de kantonrechter ontbonden met toekenning vergoeding aan eiser. B.V. A. gaat failliet. Vergoeding is niet betaald. Gedaagde maakt doorstart op zelfde locatie. Eiser spreekt aandeelhouder/directeur en holding van B.V. A aan uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid. Criteria. Eiser moet bewijs leveren dat gedaagden hebben bewerkstelligd dat de vergoeding niet is betaald en dat hun daarvan een persoonlijk ernstig verwijt is te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 229
JRV 2008, 417
AR-Updates.nl 2008-0144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 276071 / HA ZA 07-82

Uitspraak: 6 februari 2008

VONNIS in de zaak van:

de heer

[eiser],

wonende te Barendrecht,

eiser bij exploot van 2 januari 2007,

procureur: mr. O.E. Meijer,

advocaat: mr. W. Tijsseling,

t e g e n :

1. heer

[gedaagde sub 1],

en

2. de besloten vennootschap

RUSTBURCHT BEHEER B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden,

procureur: mr. J.H.J. Rijntjes.

Partijen worden respectievelijk aangeduid als “[eiser]”, “[gedaagde sub 1]” en “Beheer”, tenzij anders is vermeld.

1. Het verloop van de procedure

Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:

1. dagvaarding met producties,

2. conclusie van antwoord met producties,

3. conclusie van repliek met producties,

4. conclusie van dupliek met producties.

2. De vaststaande feiten

2.1. [gedaagde sub 1] is statutair bestuurder van Beheer. Deze vennootschap is statutair bestuurder van Rustburcht B.V. Bij vonnis van deze rechtbank van 4 april 2006 is Rustburcht B.V. in staat van faillissement verklaard. Rustburcht B.V. exploiteerde te Rotterdam een horecaonderneming. [gedaagde sub 1] is (middellijk) enig aandeelhouder van deze vennootschappen.

2.2. [eiser] is op 19 januari 1981 bij Rustburcht B.V. in loondienst getreden als restaurantkelner. Bij beschikking van de kantonrechter te Rotterdam d.d. 6 februari 2006 is de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 maart 2006 ontbonden met toekenning aan [eiser] van een vergoeding van afgerond €. 90.000,-- bruto. Het verzoek is door Rustburcht B.V. niet op grond van artikel 7:685 lid 9 BW ingetrokken. De vergoeding is niet betaald.

2.3. Na faillissement heeft [gedaagde sub 1] met gebruikmaking van een andere vennootschap op hetzelfde adres onder dezelfde handelsnaam (“Rustburcht”) en met hetzelfde personeel met de horecaonderneming een doorstart gemaakt.

3. De vordering

Deze luidt als volgt:

“Het de Rechtbank behage, bij vonnis:

1.

Voor recht te verklaren dat gedaagden tezamen, dan wel ieder afzonderlijk handelend, gelet op de hiervoor gestelde feiten, daden van onbehoorlijk bestuur heeft c.q. hebben verricht;

2.

Indien het onder 1 gestelde voor recht wordt verklaard, voor recht te verklaren dat, onder de feiten als hiervoor gesteld, gedaagde sub 1 in privé en / of in zijn hoedanigheid van bestuurder, en / of gedaagde sub 2 aansprakelijk is voor de schade die eiser daardoor heeft geleden, en gedaagden hoofdelijk te veroordelen, des dat indien de één betaalt, de ander zal zijn gekweten, tot betaling van een bedrag van €. 89.918,64, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag dat conform de beschikking betaling had dienen plaats te vinden, te weten 31 maart 2006, tot aan de dag der algehele voldoening, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

3.

Met veroordeling van gedaagde(n) in de kosten van dit geding.”

4. Het verweer

Gedaagden concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.

5. De beoordeling

Inleiding

5.1. Partijen voeren de nodige stellingen aan, deels aan de hand van producties. Hun argumenten worden hierna beoordeeld, voorzover deze relevant zijn voor de uitkomst van de procedure.

Stellingen [eiser]

5.2. Met name uit de conclusie van repliek blijkt dat [eiser] gedaagden betalingsonwil verwijt. [gedaagde sub 1] kon zich niet verenigen met de ontbindingsvergoeding en heeft toen Rustburcht B.V. laten “ploffen”. Dit is onrechtmatig handelen van zowel Beheer (als bestuurder van Rustburcht B.V.) als van [gedaagde sub 1] (als bestuurder van Beheer) jegens hem. Uit de gepubliceerde jaarcijfers blijkt dat er wel degelijk voldoende middelen waren om de vergoeding te betalen. Er is op kunstmatige wijze een verliespositie gecreëerd. Hij verwijst daartoe naar een brief van een door hem ingeschakelde accountant. Voorts is van belang dat eerdere vennootschappen van [gedaagde sub 1] zijn gefailleerd. Kennelijk is dat voor hem een beproefd recept om aan crediteuren te ontsnappen.

Verweer Beheer en [gedaagde sub 1]

5.3. Het verweer van gedaagden komt op het volgende neer. Verwijzende naar een rapport van de eigen accountant betwisten zij inhoudelijk de stellingen van [eiser]. Daaruit blijkt dat er flinke schulden waren. Gecombineerd met een al jarenlang teruglopende winstgevendheid in de branche maakte de ontbindingsvergoeding een faillissement helaas onontkoombaar. De gepubliceerde jaarcijfers zijn gedateerd. De andere faillissementen van vennootschappen van [gedaagde sub 1] had ieder een eigen economische reden en zijn onvergelijkbaar met het onderhavige faillissement. Bovendien heeft de curator geen aanleiding gezien een vordering op grond van bestuurdersaansprakelijkheid in te stellen. Tot slot: Rustburcht B.V. is opgericht in 1938, hetgeen niet bepaald steun biedt voor de gemaakte verwijten.

Persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder

5.4. Bij benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaald blijven van diens vordering kan, naast de aansprakelijkheid van de vennootschap, ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Als maatstaf geldt in de onder (i) bedoelde gevallen of de betrokken bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, en in de onder (ii) bedoelde gevallen of het handelen of nalaten als bestuurder van de betrokken bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. (HR 8 december 2006, NJ 2006, 659).

Stelplicht en bewijslast van [eiser]

5.5. Toegespitst op deze zaak betekent dit dat [eiser] dient te stellen en bewijzen dat

a. [gedaagde sub 1] en/of Beheer heeft bewerkstelligd dat Rustburcht B.V. haar wettelijke verplichting niet is nagekomen; namelijk het betalen van de ontbindingsvergoeding;

b. dat de veronachtzaming van deze verplichting in de gegeven omstandigheden ten opzichte van hem zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

5.6. De rechtbank constateert dat [eiser] heeft voldaan aan zijn stelplicht. Hij voert de nodige omstandigheden aan en onderbouwt deze met producties, met name financiële bescheiden en een brief van zijn accountant. Hetzelfde geldt evenwel voor gedaagden. Zij weerspreken inhoudelijk gedetailleerd aan de hand van financiële bescheiden en een brief van hun accountant de verwijten.

5.7. Voorop staat de aansprakelijkheid van Rustburcht B.V. zodat Beheer (en indirect [gedaagde sub 1]) als statutair bestuurder bescherming van haar rechtspersoonlijkheid geniet. Dit betekent dat, ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv, [eiser] wordt belast met het bewijs van zijn stellingen. Niet valt uit te sluiten dat, als [eiser] dit bewijs wil gaan leveren, dit geschiedt door middel van geschriften, getuigen en deskundigenonderzoek.

5.8. Indien [eiser] tot dit laatste besluit, bepaalt de rechtbank reeds thans ambtshalve dat dit dient te geschieden op grond van artikel 194 e.v. Rv. Op deze wijze kan worden voorkomen dat de accountants van partijen onderling afwijkende stukken in het geding brengen en er in een later stadium alsnog eventueel een gerechtelijke deskundige dient te worden benoemd. Nu op [eiser] de bewijslast rust, dient hij het voorschot voor de deskundige te betalen.

Comparitie van partijen

5.9. Ten behoeve van de verdere instructie van de zaak wordt een comparitie van partijen gelast. Onderwerpen van bespreking zullen onder andere zijn de vragen die aan de eventueel te benoemen deskundige dienen te worden gesteld alsmede de toegankelijkheid van financiële informatie van Rustburcht B.V. Tevens wordt [eiser] verzocht de laatste faillissementsverslagen (indien voorhanden) in het geding te brengen. De comparitie zal tevens worden benut voor het beproeven van een schikking.

5.10. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6. De beslissing

De rechtbank:

belast [eiser] met het bewijs van zijn stellingen als vermeld onder 5.5. van dit vonnis;

bepaalt een comparitie van partijen op donderdag 6 maart 2008 om 14.30 uur in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan het Wilhelminaplein 100/125 (gebouw B, hoge rode gebouw);

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting.