Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC4972

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-02-2008
Datum publicatie
22-02-2008
Zaaknummer
FT 08-133
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

afwijzing verzoek voorlopige voorziening ex artikel 287, lid 4 Faillissementswet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Rekestnummer: FT 08/133

Vonnis van 20 februari 2008

in de zaak van

A,

wonende te B,

verzoeker,

is op 18 februari 2008 door verzoeker tegelijk met het verzoek tot toepassing tot de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het geven van een voorlopige voorziening bij voorraad.

De gevraagde voorlopige voorziening houdt het volgende in:

- een schorsing van de openbare verkoop op 20 februari 2008 te 16:30 uur van de woning van verzoeker.

Hoewel de C Bank te D, als hypotheekhouder is opgeroepen om ter zitting van 19 februari 2008 te verschijnen, is zij niet verschenen.

2. Beoordeling

Onderhavig verzoek dient getoetst te worden aan de in artikel 287, lid 4, Faillissementswet gestelde criteria.

Nu verzoeker met bescheiden heeft aangetoond dat de openbare verkoop van de woning op 20 februari 2008 om 16:30 zal plaatsvinden, is naar het oordeel van de rechtbank in eerste instantie voldoende aangetoond dat sprake is van een spoedeisend belang.

In zoverre is verzoeker ontvankelijk.

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting van 19 februari 2008 is gebleken dat verzoeker in april 2005 is gescheiden en dat aan verzoeker een alimentatieverplichting van circa € 750,00 per maand is opgelegd. In december 2006 heeft verzoeker, terwijl hij op dat moment voor langere tijd een uitkering op grond van de Ziektewet ontving, de hypotheek op zijn woning gewijzigd waardoor zijn hypotheekmaandlasten zijn verhoogd van € 485,00 tot € 953,00.

Uit de brief d.d. 13 december 2007 van de C Bank kan worden afgeleid dat verzoeker vanaf medio april 2007 zijn uit de (verhoogde) hypotheek voortvloeiende aflossingsverplichtingen niet meer is nagekomen.

Verzoeker heeft verklaard dat hij aan de hypotheekhouder verschillende malen telefonisch betalingsregelingen heeft voorgesteld doch dat hij daar nimmer enige reactie op heeft ontvangen.

Verzoeker heeft zich zeer recent, op 15 februari j.l. tot de schuldhulpverlenende instantie gewend. Een minnelijk traject is niet gestart als gevolg van de bij exploot van 18 januari 2008 aangezegde openbare verkoop van de woning van verzoeker, tegen 20 februari 2008 te 16:30 uur.

Verder heeft verzoeker verklaard dat hij geen bezwaar maakt tegen de verkoop van de woning doch wel tegen de wijze waarop die verkoop zal plaatsvinden en dat hij de gelegenheid wil krijgen om vervangende woonruimte te vinden.

De rechtbank dient een belangenafweging te maken tussen enerzijds de belangen van verzoeker en anderzijds de belangen van de hypotheekhouder die gebruik maakt van het recht tot parate executie.

De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat verzoeker de spoedeisendheid van zijn verzoek tot een voorlopige voorziening door voortgaande nalatigheid zelf in de hand heeft gewerkt. Immers de problemen met het (niet) nakomen van de hypotheekverplichtingen dienden zich in april 2007 aan terwijl verzoeker zich eerst enige dagen geleden bij de schulphulpverlening heeft aangemeld. Voorts is van belang dat er vooralsnog geen sprake is van een acuut dreigende uithuiszetting.

Nu niet bestreden is dat de hypotheekhouder de overeenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd en verzoeker tot aan de zitting van 19 februari 2008 heeft nagelaten de vordering van de hypotheekhouder te voldoen is de hypotheekhouder gerechtigd om gebruik te maken van het recht van parate executie.

Van misbruik van bevoegdheid door de hypotheekhouder is derhalve niet gebleken.

Gelet op alle omstandigheden van dit geval is de rechtbank van oordeel dat de belangen van de hypotheekhouder die rechtmatig gebruik maakt van het recht van parate executie zwaarder moeten wegen dat de belangen van verzoeker.

De verzochte voorlopige voorziening zal dan ook worden geweigerd.

Op het verzoek tot van toepassing verklaring van de schuldsaneringsregeling zal separaat worden beslist. De datum waarop dit verzoek zal worden behandeld, wordt verzoeker op korte termijn kenbaar gemaakt.

3. Beslissing

De rechtbank

- wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr. E.I. Batelaan-Boomsma, lid van de enkelvoudige kamer, en door deze uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 februari 2008, in tegenwoordigheid van

de griffier.