Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC4898

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-01-2008
Datum publicatie
22-02-2008
Zaaknummer
779732
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser, een adviesbureau, vordert van gedaagde betaling van geldbedragen voor verrichte advieswerkzaamheden. Gedaagde heeft het advies van eiser gevraagd bij het opstellen van een offerte teneinde een opdracht te verkrijgen. Na een eerste voorstel heeft eiser de offerte verhoogd met een bedrag van € 15.000. Met een medewerker van gedaagde werd afgesproken dat dit bedrag door eiser aan gedaagde zou worden gefactureerd.

Gedaagde stelt dat er sprake is van een nietige overeenkomst op grond van artikel 3:40 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. De tussen partijen gemaakte afspraak is in strijd met de wet, de goede zeden dan wel de openbare orde. De afspraak heeft ertoe geleid dat de opdrachtgever voor een bedrag van € 15.000,-- is benadeeld. Gedaagde is daarom niet tot betaling gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2008, 96
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

Locatie Rotterdam

vonnis

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser bij exploot van dagvaarding van 10 april 2007,

gedaagde in reconventie,

gemachtigde: K. Stuij (Cashpoint B.V.).

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GTI West Utiliteit B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. D. ten Brink, advocaat en procureur te Rotterdam,

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” respectievelijk “GTI”.

1. Het verloop van het proces

[eiser] heeft onder overlegging van stukken -zakelijk weergegeven- gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, GTI te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.975,-- te verhogen met wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente daarover, alsmede tot betaling van de proceskosten.

GTI heeft van antwoord geconcludeerd tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding en heeft in reconventie gevorderd, om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [eiser] te veroordelen om aan GTI te voldoen een bedrag van € 11.900,-- te verhogen met wettelijke rente en proceskosten.

[eiser] heeft in conventie van repliek geconcludeerd en in reconventie van antwoord geconcludeerd.

GTI heeft in conventie van dupliek geconcludeerd en in reconventie van repliek geconcludeerd.

[eiser] heeft in reconventie van dupliek geconcludeerd.

De uitspraak van het vonnis is door de kantonrechter bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties staat tussen partijen - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende vast:

2.1. [eiser] heeft voor het uitvoeren van advies- en engineeringwerkzaamheden ten behoeve van het werk WTC Beurs Rotterdam de navolgende bedragen aan GTI gefactureerd:

- 2-2-05 N 5070 ad € 5.000,-- te verhogen met BTW

- 16-1-06 N 6129 ad € 2.500,-- te verhogen met BTW

- 16-1-06 N 6130 ad € 2.500,-- te verhogen met BTW

- 1-4-06 N 6149 ad € 2.500,-- te verhogen met BTW

- 1-4-06 N 6150 ad € 2.500,-- te verhogen met BTW

De nota’s met de nummers N 6129 en 6130 werden niet voldaan. [eiser] vordert alleen de nota met nummer N 6130.

2.2. De werkzaamheden van [eiser] hebben bestaan uit het adviseren van GTI over de hoogte van de inschrijving bij het project Renovatie fase III WTC Beurs met het doel dat GTI de grootst mogelijke kans heeft om de opdracht voor het werk te verwerven.

2.3. Op 24 november 2003 heeft GTI een offerte gemaakt waarin zij inschrijft om het werk uit te voeren voor bedragen van € 109.500,--(deel a) en € 188.100,-- (deel b). Deze inschrijving is niet naar de opdrachtgever gezonden. Wel ontving de opdrachtgever een inschrijving met daarin bedragen van € 114.500,-- (deel a) en € 198.100,-- (deel b). De verhoging van de inschrijving met een bedrag van in totaal € 15.000,-- is geschied op advies van [eiser].

2.4. Overeengekomen is dat [eiser] voor haar advies een honorarium van € 15.000,-- (exclusief BTW) zal ontvangen. De overeenkomst met [eiser] is voor GTI aangegaan door de heer [A]. De heer [A] is door GTI ontslagen wegens het maken van ongeoorloofde afspraken in verband met het hiervoor bedoelde werk.

3. De stellingen van partijen

3.1. Aan de eis is naast de onder 2 vaststaande feiten - zakelijk weergegeven - ten grondslag gelegd dat de factuur onbetaald is gebleven, ondanks herinnering en sommatie.

3.2. GTI heeft tegen de vordering - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd:

Er is sprake van een nietige overeenkomst op grond van artikel 3:40 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek(BW). De tussen GTI en [eiser] gemaakte afspraak is in strijd met de wet, de goede zeden dan wel de openbare orde. De afspraak heeft ertoe geleid dat de opdrachtgever voor een bedrag van € 15.000,-- is benadeeld. GTI is daarom niet tot betaling gehouden.

Op dezelfde gronden vordert GTI in reconventie van [eiser] een bedrag van € 10.000,-- te verhogen met BTW omdat dit onverschuldigd is betaald.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. In conventie:

4.1.1. Niet is gesteld of gebleken dat de overeenkomst tussen partijen onbevoegd werd aangegaan en daarmee staat vast dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen.

4.1.2. GTI heeft op 19 mei 2006 de nietigheid van de overeenkomst ingeroepen en zij stelt zich thans ook in rechte op het standpunt dat de overeenkomst, althans de betalingsafspraak, nietig is omdat de inhoud of strekking ervan in strijd is met de goede zeden of de openbare orde (artikel 3:40 BW). In dit geding dient beoordeeld te worden of de betalingsafspraak inderdaad nietig is.

4.1.3. GTI heeft haar standpunt gebaseerd op de door haar als producties 1 tot en met 4 bij de conclusie van antwoord overgelegde stukken. [eiser] heeft de juistheid van deze stukken niet weersproken, zodat de kantonrechter zich op deze stukken zal baseren. Uit de stukken blijkt dat GTI een offerte heeft gemaakt voor het werk Beurs/WTC fase III. Vervolgens is een tweede offerte gemaakt, welke, voor dezelfde werkzaamheden, sluit op een bedrag dat € 15.000,-- hoger is. Voorts is een handgeschreven notitie in het geding gebracht waaruit blijkt dat op 3 december 2003 telefonisch en mondeling met [eiser] over de verhoging van de bedragen is gesproken. Uit de notitie blijkt voorts dat een zakelijke of privé-factuur zou moeten worden gezonden voor advies- en engineerswerkzaamheden op een geheel ander project. Daarbij is het hoofdkantoor van Unilever als mogelijkheid genoteerd. Ten slotte is er een e-mail van [B] aan [A] d.d. 23 mei 2006. De mail is gezonden aan een privé-account van [A]. In deze mail schrijft [eiser] ondermeer: “Kort samengevat ben ik van mening dat wij tweeën hebben afgesproken dat het verschil tussen 1e en 2e inschrijfbiljet door mij aan GTI gefactureerd kon worden.(….) Voor de duidelijkheid zijn de aanneemsommen voor GTI niet geminimaliseerd, sterker nog GTI heeft zelfs een 3e deel ( de Rotterdamhal) mogen uitvoeren met betere eenheidsprijzen dan in eerste instantie”.

Vervolgens heeft [eiser] GTI gefactureerd voor bedragen die overeenkomen met het verschil tussen de beide inschrijfbiljetten.

4.1.4. De kantonrechter stelt vast dat door GTI meer is gefactureerd aan Beurs/WTC dan op grond van de berekende offerte nodig zou zijn geweest en voorts dat het verschil niet ten goede is gekomen aan GTI of de opdrachtgever maar aan [eiser], zodat alleen [eiser] belang gehad heeft bij deze verhoging van de geoffreerde prijs.

4.1.5. Dat GTI de opdracht ook zou hebben verworven op basis van de offerte uit het eerste inschrijfbiljet is aannemelijk nu deze offerte lager was dan de offerte die door de opdrachtgever werd geaccepteerd. [eiser] heeft dit niet weersproken.

4.1.6. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, heeft het er alle schijn van dat de betalingsafspraak gemaakt is met de strekking om [eiser] een financieel voordeel te bezorgen.

Op zich is dat niet ongeoorloofd, maar een dergelijke afspraak is wel moreel verwerpelijk en daarmee in strijd met de goede zeden, wanneer geen enkel ander doel wordt gediend. In dit geval heeft GTI geen enkel belang gehad bij de afspraak omdat zij de opdracht ook voor een lagere prijs wilde uitvoeren en voor een lagere prijs had kunnen verwerven. Uit de aard van de zaak heeft ook de opdrachtgever, Beurs/WTC, geen enkel belang bij de overeenkomst. Voorts heeft [eiser] op geen enkel moment aangegeven waar haar werkzaamheden uit hebben bestaan. Het is onweersproken gebleven dat geen engineerswerkzaamheden werden uitgevoerd en ook is niet weersproken dat het advies louter en alleen bestond uit het bevestigen dat GTI voor de (verhoogde) offerteprijs ook in aanmerking zou komen voor de opdracht. De werkzaamheden hebben daarom geen andere toegevoegde waarde gehad dan zeker te stellen dat de opdracht ook bij een hogere prijs verworven zou kunnen worden. [eiser] moet zich bewust zijn geweest van deze strekking, temeer daar zij zich, zo blijkt uit de telefoonnotitie van [A] en de uiteindelijke factuur, van een omschrijving van de werkzaamheden heeft bediend, welke niet in overeenstemming is met de werkelijkheid. Hieruit volgt dat ook [A], die namens GTI tot tekenen bevoegd was, op de hoogte moet zijn geweest van de ongeoorloofde strekking van de overeenkomst met [eiser]. Daar komt nog bij dat een onnodige verhoging van de prijs strijdig is met het doel van de mededingingswetgeving. Van een zogenaamd opzetcontract is weliswaar geen sprake, maar dit doet niet af aan de ongeoorloofde strekking van de tussen partijen gemaakte afspraken.

4.1.7. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de strekking van de overeenkomst tussen GTI en [eiser] strijdig met de goede zeden en openbare orde en daarom nietig. Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] op GTI worden afgewezen.

4.1.8. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [eiser] belast met de kosten van het geding in conventie.

4.2. In reconventie:

4.2.1. De vorderingen in conventie en in reconventie hebben een zodanige samenhang dat een behandeling van de beide vorderingen door verschillende rechters uit een oogpunt van proceseconomie onwenselijk is. Hoewel de vordering in reconventie de bevoegdheid van de kantonrechter te boven gaat, biedt artikel 97 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in het geval van samenhang van de vorderingen de mogelijkheid om ook de vordering in reconventie door de kantonrechter te behandelen. De kantonrechter maakt van die mogelijkheid gebruik en acht zich bevoegd van de vordering in reconventie kennis te nemen.

4.2.2. In conventie is al beslist dat de overeenkomst tussen GTI en [eiser] nietig is. De nietigheid van de overeenkomst brengt met zich dat de op grond van deze overeenkomst door GTI aan [eiser] betaalde bedragen onverschuldigd werden betaald. Dat de bedragen door GTI betaald werden, wordt niet betwist. De vordering wordt dan ook toegewezen.

4.2.3. De wettelijke handelsrente wordt toegewezen nu sprake is van een handelsovereenkomst. De rente wordt toegewezen vanaf de datum van betaling.

4.2.4. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [eiser] belast met de kosten van het geding in reconventie.

5. De beslissing

De kantonrechter:

In conventie

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van GTI vastgesteld op nihil aan verschotten en € 350,-- aan salaris voor de gemachtigde;

In reconventie

veroordeelt [eiser] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan GTI te betalen een bedrag van € 11.900,-- te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de datum van betaling tot aan de dag van voldoening;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van GTI vastgesteld op nihil aan verschotten en € 600,-- aan salaris voor de gemachtigde;

In conventie en in reconventie:

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. van Die en uitgesproken ter openbare terechtzitting.