Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BC4859

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-01-2008
Datum publicatie
21-02-2008
Zaaknummer
829679
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze zaak betreft een koopovereenkomt m.b.t. een tweedehandsauto. Gebreken aan de auto, na levering, waren niet binnen een redelijke termijn hersteld door de verkoper. De koper vordert o.a ontbinding van de koopovereenkomst, maar omdat de koper die gebreken had laten herstellen (door een derde), is geen ontbinding van de koopovereenkomst meer mogelijk, omdat na reparatie geen, althans te geringe, gebreken aanwezig zijn om de ontbinding van de koopovereenkomst met al haar gevolgen te kunnen rechtvaardigen. De kosten van het herstel van de auto door een derde komen voor rekening van de verkoper.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

Locatie Rotterdam

vonnis

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. B.J. den Hartog te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Automobielbedrijf Erasmus B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. D. van Loo (DAS Rechtsbijstand) te Amsterdam.

Partijen worden hierna “[eiser]” en “Erasmus” genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Partijen hebben op de voet van artikel 96 Rv de beslissing van de kantonrechter ingeroepen inzake een tussen hen bestaand geschil. De kantonrechter heeft in dat verband kennis genomen van de schriftelijke eis d.d. 6 september 2007 van [eiser] en van het schriftelijke verweer d.d. 12 oktober 2007 van Erasmus .

1.2 De mondelinge behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 4 januari 2008. Daarbij is [eiser] met zijn gemachtigde verschenen. Namens Erasmus zijn verschenen haar directeur, de heer W. Dijkman, en haar gemachtigde. Van hetgeen ter zitting is verhandeld, is door de griffier aantekening gehouden.

1.3 Vervolgens heeft de kantonrechter een datum voor de uitspraak van dit vonnis bepaald.

2. Feitelijke achtergrond

2.1 Bij overeenkomst van 18 december 2006 heeft Erasmus aan [eiser] een auto verkocht voor een bedrag ad € 6.750,00. Hierop strekt een bedrag ad € 2.000,00 in mindering wegens een door [eiser] ingeruilde auto. Voorts heeft Erasmus [eiser] een bedrag ad € 50,00 aan afleverkosten in rekening gebracht. Per saldo bedroeg het door [eiser] aan Erasmus te betalen bedrag derhalve € 4.800,00. Overeengekomen is levering op 22 december 2006.

2.2 Voorts is tussen partijen onder meer afgesproken dat Erasmus de radio uit de inruilauto zou overzetten, dat zij in de gekochte auto een nieuwe distributieriem zou installeren en dat zij een reparatie zou verrichten aan een “plaat binnen links achter” van de gekochte auto.

2.3 Op 12 januari 2007 bleek de motor van de door [eiser] van Erasmus gekochte auto niet te willen starten. [eiser] heeft hierop telefonisch contact opgenomen met Erasmus, die de auto heeft doen ophalen. Omdat Erasmus niet beschikte over de apparatuur om de storing te kunnen uitlezen, is de auto door Erasmus naar een dealer (hierna: “Van Dijk”) gebracht. Deze heeft daarop, op 25 of 26 januari 2007, een mechanisch defect met betrekking tot de distributieriem ontdekt.

2.4 Op 29 januari 2007 heeft [eiser] Van Dijk opdracht gegeven tot reparatie van de auto. Voorts heeft hij de door Van Dijk gemaakte kosten voor de diagnose ad € 265,69 en voor de reparatie ad € 714,00 voldaan, tezamen een bedrag ad € 979,69.

2.5 Bij brief van 23 maart 2007 aan Erasmus heeft de gemachtigde van [eiser] namens hem de ontbinding van de koopovereenkomst ingeroepen, aanspraak gemaakt op betaling van een bedrag ad € 8.200,00 en Erasmus verzocht contact op te nemen voor het ophalen van de auto. De auto is thans nog in bezit van [eiser].

3. Het geschil en de stellingen van partijen

De zienswijze van [eiser]

3.1 [eiser] heeft bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gevorderd (1) voor recht uit te spreken dat de koopovereenkomst tussen partijen van 18 december 2006 is ontbonden met ingang van 23 maart 2007, en (2) Erasmus te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag ad (in totaal) € 9.264,57, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 maart 2007 tot aan de dag der algehele voldoening, alles met veroordeling van Erasmus in de kosten van het geding. [eiser] heeft zijn vordering -samengevat weergegeven- als volgt toegelicht.

3.2 Bij de levering van de auto op 22 december 2006 heeft [eiser] geconstateerd dat geen van de drie aanvullende verplichtingen van Erasmus (zie hiervoor 2.2) was verricht. Daarop heeft [eiser] vele malen telefonisch tevergeefs getracht met Erasmus een afspraak te maken voor de (alsnog) nakoming van deze drie aanvullende verplichtingen door Erasmus.

3.3 Nadat op 12 januari 2007 de auto niet wilde starten, heeft [eiser] Erasmus telefonisch verzocht het kennelijke mankement op korte termijn te verhelpen waarop Erasmus de auto heeft doen ophalen. Na anderhalve week heeft Erasmus [eiser] telefonisch medegedeeld dat het om een elektronisch defect zou gaan, dat buiten de garantie zou vallen. Erasmus adviseerde [eiser] een dealer te verzoeken om de noodzakelijke reparatie te verrichten. [eiser] nam hier geen genoegen mee en heeft Erasmus in dat gesprek aansprakelijk gesteld voor het niet goed nakomen althans voor de daaruit voortvloeiende schade. Uiteindelijk heeft [eiser] moeten accepteren dat de auto door Erasmus naar Van Dijk werd gebracht ter reparatie onder voorwaarde dat als het om een elektronisch defect zou gaan, [eiser] de kosten daarvan zou dragen, en als dat niet zo was, dat Erasmus die kosten zou dragen. Erasmus was niet bereid Van Dijk zelf te benaderen; dat moest [eiser] maar doen. Uit dit optreden van Erasmus heeft [eiser] geconcludeerd dat zij hem in de kou zou laten staan indien hij niet met deze deal zou instemmen. Vervolgens heeft Erasmus de auto bij Van Dijk afgeleverd.

3.4 Op 26 januari 2007 heeft Van Dijk [eiser] telefonisch medegedeeld dat het geen elektronisch maar een mechanisch defect betrof. [eiser] heeft daarbij begrepen dat de distributieriem niet (goed) op tijd was afgesteld. Ook waren er verdere mechanische problemen met betrekking tot mechanische onderdelen die een functie hebben in verband met een juiste en tijdige ontsteking. [eiser] heeft Van Dijk medegedeeld dat de problemen moesten worden verholpen in opdracht van Erasmus, nu die ook voor de kosten diende op te komen. [eiser] heeft Van Dijk dan ook verzocht contact op te nemen met Erasmus. De volgende dag, zaterdag 27 januari 2007, werd [eiser] door Van Dijk teruggebeld met de mededeling dat Erasmus de auto zelf wilde ophalen en zelf het defect wilde verhelpen.

3.5 Op maandag 29 januari 2007 heeft Erasmus [eiser] in een telefonisch onderhoud verweten dat [eiser] de zaterdag daarvoor de auto niet bij Van Dijk had opgehaald. [eiser] begreep dat de auto niet door Erasmus was afgehaald omdat Van Dijk die niet wilde afgeven zonder dat de kosten van de diagnose waren betaald. [eiser], die de auto nodig had voor zijn werk en uit de weigering van Erasmus de auto op te halen en de diagnosekosten te betalen concludeerde dat zij kennelijk definitief niet naar behoren wilde presteren en niet bereid was het mechanische defect naar behoren te verhelpen, heeft toen Van Dijk opdracht gegeven het defect te verhelpen. [eiser] heeft de kosten daarvan en de diagnosekosten aan Van Dijk voldaan, in totaal een bedrag ad € 979,69. De andere noodzakelijke reparaties met betrekking tot de distributie wilde [eiser] niet door Van Dijk laten verrichten in verband met de prijs daarvan ad € 600,00. Om kosten te besparen heeft [eiser] dit uitbesteed aan een andere garage (hierna: “I.C. Car-Centre”). De kosten hiervan waren € 248,01 aan onderdelen en € 150,00 aan arbeidsloon, tezamen € 398,01. Dit bedrag is eveneens door [eiser] voldaan. Bij brief van 23 maart 2007 van zijn gemachtigde heeft [eiser] vervolgens de ontbinding van de overeenkomst ingeroepen. Doordat Erasmus niet behoorlijk is nagekomen, heeft [eiser] aanzienlijke schade geleden.

3.6 [eiser] vordert terugbetaling van de koopprijs ad € 6.750,00, vermeerderd met de afleverkosten ad € 50,00. Daarbij merkt [eiser] op dat hem ter ore is gekomen dat de ingeruilde auto inmiddels door Erasmus is doorverkocht. Daarnaast maakt [eiser] aanspraak op de door hem aan Van Dijk betaalde kosten ad € 979,69 en op het door hem aan I.C. Car-Centre betaalde bedrag ad € 398,01. Ook vordert [eiser] betaling van de door hem op 22 en 29 januari 2007 gemaakte kosten van autohuur ad € 173,70. Op die dagen kon [eiser] immers geen gebruik maken van de auto, zodat hij genoodzaakt was voor zijn werk een auto te huren. Voorts maakt [eiser] aanspraak op een bedrag ad € 913,86 aan buitengerechtelijke kosten en op de wettelijke rente over al deze bedragen vanaf 23 maart 2007.

De zienswijze van Erasmus

3.7 Erasmus heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] en heeft daartoe -eveneens samengevat weergegeven- het navolgende aangevoerd.

3.8 Op 18 december 2006 heeft [eiser] de auto opgehaald. De distributieriem was toen reeds door Erasmus vernieuwd, de overige aanvullende verplichtingen van Erasmus, te weten het overzetten van de radio en het vastzetten van een plaatje links achterin de auto, nog niet. Afgesproken werd dat [eiser] daarvoor later zou terugkomen. Wanprestatie aan de zijde van Erasmus was derhalve geenszins aan de orde. Kort na 18 december 2006 constateerde Erasmus overigens dat het dak van de door [eiser] ingeruilde auto deuken bevatte, die door Erasmus niet eerder waren geconstateerd en door [eiser] niet waren gemeld. Deze schade heeft Erasmus voor eigen rekening laten repareren. Toen zij [eiser] hiermee later confronteerde, reageerde hij dat Erasmus dan maar beter had moeten opletten.

3.9 Enige tijd na 18 december 2006 kwam [eiser] onaangekondigd langs bij Erasmus voor de nog uit te voeren werkzaamheden. Op dat moment stond de ingeruilde auto bij een autospuitbedrijf voor de reparatie aan het dak. Om die reden kon de radio toen niet worden omgebouwd. Afgesproken werd dat [eiser] telefonisch contact op zou nemen met Erasmus voor het maken van een nieuwe afspraak.

3.10 Vervolgens werd Erasmus na enkele weken door [eiser] gebeld omdat er problemen waren met het starten van de auto. Het leek Erasmus dat het om een elektronisch defect ging, waarvoor geen garantie was gegeven. Desondanks nodigde Erasmus [eiser] uit met de auto terug te komen om de storing nader te onderzoeken. Omdat Erasmus de oorzaak van de storing niet kon achterhalen, heeft zij aangeboden de auto naar een dealer te brengen waar de storing via de computer zou kunnen worden uitgelezen. Over de betaling van de nota van de dealer werd afgesproken dat Erasmus die zou betalen indien de reparatie voor haar rekening zou komen. [eiser] heeft toen de opdracht aan Van Dijk verstrekt. Erasmus heeft vervolgens de auto naar Van Dijk gebracht en daarbij verzocht haar te informeren als de uitslag bekend was.

3.11 Het uitlezen door Van Dijk bracht aan het licht dat de storing het gevolg was van een probleem met de distributieriem die door Erasmus was vernieuwd. Erasmus wilde die reparatie voor eigen rekening uitvoeren, maar kreeg van Van Dijk te horen dat [eiser] aan Van Dijk had laten weten dat de auto niet aan Erasmus mocht worden meegegeven. Erasmus heeft toen telefonisch contact opgenomen met [eiser] en hem medegedeeld dat zij de auto op 29 januari 2007 wilde ophalen maar van Van Dijk te horen had gekregen dat [eiser] daar geen toestemming voor gaf. Erasmus wilde met Van Dijk afrekenen en zelf de reparatie uitvoeren, maar voor [eiser] was dat niet bespreekbaar. Hij had zelf al opdracht gegeven aan Van Dijk om de reparatie uit te voeren. Erasmus heeft toen aan [eiser] te verstaan gegeven de nota’s van Van Dijk niet te betalen omdat zij in de gelegenheid wilde worden gesteld de reparatie zelf uit te voeren. Nadien heeft Erasmus niets meer van [eiser] vernomen.

3.12 Erasmus stelt zich op het standpunt dat er geen grond bestaat voor ontbinding. De distributieriem is door haar vernieuwd en voor het overzetten van de radio en het vastzetten van het plaatje is [eiser] niet teruggekomen. Daarvan treft Erasmus dan ook geen verwijt. Voor wat betreft de distributieriem heeft [eiser] wel geklaagd, maar heeft hij Erasmus niet in de gelegenheid gesteld de kwestie op te lossen. Die storing was voorts geen afwijking die de ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt. Dat vond [eiser] kennelijk ook niet, nu hij de reparatie gewoon zelf heeft doen verrichten. Daarmee is zijn recht op ontbinding in ieder geval komen te vervallen, nu herstel én ontbinding niet mogelijk zijn. Volgens Erasmus kan het niet anders dan dat de auto na reparatie prima heeft gefunctioneerd. Voor zover haar bekend, rijdt [eiser] ook nog steeds in de auto rond. Het is Erasmus een raadsel waarom [eiser] vervolgens ruim twee maanden later tot ontbinding wil overgaan, te meer nu [eiser] geen melding van een nieuw probleem heeft gemaakt. Erasmus blijft van oordeel dat, tenzij nakoming blijvend onmogelijk is, er wel degelijk sprake moet zijn van verzuim, althans in ieder geval van een duidelijke klacht waaruit de aard van het gebrek volgt en waarbij haar de mogelijkheid wordt geboden tot herstel over te gaan.

3.13 Van ontbinding kan geen sprake zijn. Er is geen gebrek dat ontbinding rechtvaardigt en bovendien heeft [eiser] voor herstel gekozen. De kosten van Van Dijk zijn evenmin toewijsbaar, nu [eiser] het aanbod van Erasmus de reparatie zelf uit te voeren en met Van Dijk af te rekenen heeft afgeslagen. Daarmee heeft hij zijn rechten verspeeld. Ook dient [eiser] ex artikel 7:21 lid 6 BW eerst schriftelijk aan te manen, hetgeen hij niet heeft gedaan.

3.14 Nu Erasmus niet in verzuim is komen te verkeren, dienen de door [eiser] op de voet van artikel 6:74 BW gevorderde kosten van autohuur eveneens te worden afgewezen. Van de overige reparaties weet Erasmus al helemaal niets, terwijl één van de desbetreffende facturen zelfs een datum vermeldt waarop [eiser] de ontbinding reeds had ingeroepen.

Ook de door [eiser] gevorderde buitengerechtelijke kosten, die boven de daarvoor geldende staffel liggen, dienen te worden afgewezen.

3.15 Op de overige stellingen van partijen, voor zover althans van belang voor de beoordeling, komt de kantonrechter hierna terug.

4. De beoordeling

4.1 Vooropgesteld wordt dat in deze kwestie sprake is van een consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 lid 1 BW. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:17 BW dient de door Erasmus aan [eiser] afgeleverde auto aan de overeenkomst te beantwoorden. Gelet op de aard en omvang van de door Van Dijk omstreeks een maand na levering van de auto geconstateerde problemen met betrekking tot de distributieriem wordt geoordeeld dat in de gegeven omstandigheden niet voldaan is aan dit vereiste van conformiteit. Niet van belang daarbij is of Erasmus wel of geen garantie heeft verstrekt ten aanzien van elektronische gebreken, nu voormeld vereiste van conformiteit op grond van artikel 7:6 BW dwingend geldt.

4.2 Ingevolge het bepaalde in artikel 7:21 lid 1 sub b BW heeft [eiser] bij non-conformiteit recht op herstel van de auto. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat dit herstel binnen een redelijke termijn dient plaats te vinden. Geoordeeld wordt dat Erasmus in dit laatste tekort is geschoten, waartoe als volgt wordt overwogen.

4.3 Vast staat dat Erasmus reeds op 12 januari 2007 duidelijk was dat er een ernstig gebrek aan de auto kleefde, namelijk een gebrek van dien aard dat [eiser] daarvan in het geheel geen gebruik kon maken. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1 werd overwogen, heeft Erasmus [eiser] daarbij ten onrechte voorgehouden dat haar verplichting tot herstel afhankelijk was van het antwoord op de vraag of het gebrek van mechanische of elektronische aard was.

Voorts staat vast dat het gebrek na twee weken nog niet was verholpen. De omstandigheid dat het vinden van de oorzaak van het gebrek langer heeft geduurd doordat Erasmus daartoe zelf niet geëquipeerd is, komt voor haar risico als verkopende partij en doet niet af aan de op haar rustende verplichting jegens [eiser] om binnen een redelijke termijn tot herstel over te gaan. Hierbij betrekt de kantonrechter ook dat niet gebleken is van een onvoorwaardelijke bereidheid van Erasmus de door Van Dijk gemaakte diagnosekosten te voldoen en evenmin van een aanbod van vervangend vervoer. Onder deze omstandigheden was [eiser] op de voet van artikel 7:21 lid 6 BW gerechtigd het herstel door een derde, te weten Van Dijk, te laten uitvoeren en de kosten daarvan op Erasmus te verhalen. Het beroep van Erasmus op de in artikel 7:21 lid 6 BW neergelegde voorwaarde dat de koper de verkoper eerst schriftelijk dient aan te manen, hetgeen [eiser] niet heeft gedaan, moet tegen voormelde achtergrond bezien naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar worden geacht. Dit betekent dat de vordering van [eiser] met betrekking tot de door hem aan Van Dijk betaalde kosten ad € 979,69, waarvan de hoogte door Erasmus verder onbestreden is gelaten, toewijsbaar is. Datzelfde geldt voor de door hem gevorderde kosten ad € 398,01 voor I.C. Car-Centre, nu Erasmus niets heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die kosten nodeloos gemaakt of bovenmatig zouden zijn. De kantonrechter houdt het er dan ook voor dat ook het maken van die kosten noodzakelijk is geweest om de auto van [eiser] weer geschikt voor normaal gebruik te maken.

4.4 Ten aanzien van de door [eiser] gevorderde kosten van autohuur wordt geoordeeld dat alleen de door [eiser] op 29 januari 2007 gemaakte kosten, die (blijkens de door [eiser] overgelegde factuur) de autohuur voor de periode van 27 tot en met 29 januari 2007 betreffen, toewijsbaar zijn, dit nu naar het oordeel van de kantonrechter Erasmus op de datum van het aangaan van die huurovereenkomst, op 27 januari 2007, jegens [eiser] tekort geschoten was in haar verplichting de auto binnen redelijke termijn te herstellen. Voor wat betreft de eerdere huurovereenkomst, aangegaan op 20 januari 2007, is de kantonrechter van oordeel dat niet gezegd kan worden dat dit tekortschieten reeds toen een feit was. Het voorgaande betekent dat Erasmus op grond van artikel 7:24 lid 1 BW een bedrag ad € 86,85 aan kosten van autohuur, welk bedrag de kantonrechter niet onredelijk of bovenmatig voorkomt, aan [eiser] dient te vergoeden.

4.5 Ten aanzien van de gevorderde verklaring voor recht dat de koopovereenkomst tussen partijen is ontbonden met ingang van 23 maart 2007 overweegt de kantonrechter dat gesteld noch gebleken is dat ten tijde van de door de gemachtigde van [eiser] aan Erasmus gezonden brief d.d. 23 maart 2007, houdende de ontbindingsverklaring, de door Erasmus aan [eiser] geleverde auto, ondanks de herstelwerkzaamheden van Van Dijk en I.C. Car-Centre, nog steeds niet die eigenschappen bezat die [eiser] op grond van de overeenkomst mocht verwachten, met name die eigenschappen die voor een normaal gebruik van de auto nodig waren. Het moet er dan ook voor gehouden worden dat de auto die eigenschappen op dat moment (weer) wel bezat, hetgeen, gelet op het bepaalde in artikel 7:22 BW, aan ontbinding van de overeenkomst in de weg staat. Voor zover [eiser] de ontbinding wil gronden op de omstandigheid dat op 23 maart 2007 de autoradio door Erasmus nog niet was overgezet en de reparatie aan een “plaat binnen links achter” evenmin was verricht (zie hiervoor 2.2), wordt, gelet op het bepaalde in artikel 7:22 lid 1 sub a BW, geoordeeld dat dit van te geringe betekenis is om de ontbinding van de overeenkomst met al haar gevolgen te kunnen rechtvaardigen, te meer nu door [eiser] niet is weersproken dat dit laatste slechts ging om het vastzetten van een plaatje waarachter iets kan worden opgeborgen binnen in de auto (punt 11 van het verweer van Erasmus). Op het voorgaande stuit de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht dan ook af.

4.6 Voldoende gebleken is dat er namens [eiser] buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht van dien aard dat het redelijk is daarvoor van Erasmus een vergoeding te verlangen. Het ter zake door [eiser] gevorderde bedrag ad € 913,86 is, gelet op de tarieven volgens welke zodanige kosten aan opdrachtgevers gewoonlijk in rekening worden gebracht, jegens Erasmus niet redelijk te noemen. Dit onderdeel van de vordering van [eiser] zal dan ook worden gematigd tot € 357,00.

4.7 Het voorgaande betekent dat Erasmus zal worden veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een bedrag ad -in totaal- € 1.821,55. De door [eiser] gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 23 maart 2007 over een bedrag ad € 1.464,55. De door hem gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is niet toewijsbaar, nu gesteld noch gebleken is dat die kosten vóór dagvaarding dan wel vóór de ingebrekestelling door [eiser] zijn betaald aan zijn gemachtigde.

4.8 Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal Erasmus veroordeeld worden in de kosten van de procedure.

5. De beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt Erasmus om aan [eiser] tegen kwijting te betalen € 1.821,55, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 1.464,55 vanaf 23 maart 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt Erasmus in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 106,00 aan verschotten en € 300,00 aan salaris voor zijn gemachtigde;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.